Kamerstuk 21501-398

Verslag van een algemeen overleg

Landbouw- en Visserijraad; Verslag van een algemeen overleg; Verslag van een algemeen overleg gehouden op 14 april 2010 inzake Landbouw- en Visserijraad

Gepubliceerd: 25 mei 2010
Indiener(s): Gerda Verburg (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CDA)
Onderwerpen: europese zaken internationaal landbouw organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-32-398.html
ID: 21501-398

Nr. 398 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 25 mei 2010

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 heeft op 14 april 2010 overleg gevoerd met minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:

  • de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, d.d. 09 april 2010, Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 19 april 2010 en Informele Visserijraad 4–5 mei 2010 (21 501-32, nr. 388);

  • de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Verslag Landbouwraad 29 maart (21 501-32, nr. 389);

  • schriftelijke vragen van de leden Jacobi/Boelhouwer d.d. 18 februari 2010 en het antwoord hierop inzake grootschalige afvissingen voor helder water (Aanhangsel der Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 2028);

  • de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 31 maart 2010, Recreatieve staandwant visserij (29 675, nr. 93).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Atsma

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Dortmans

Voorzitter: Atsma

Griffier: Hartemink

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Atsma, Jacobi, Koppejan, Cramer, Polderman, Van der Vlies, Snijder-Hazelhoff, Ouwehand,

en minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Goedemorgen, dames en heren, collega's. De minister is gearriveerd. Dat betekent dat we een vliegende start kunnen maken. Omdat er een groot aantal fracties is, stel ik een spreektijd voor van vier minuten.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Dit AO over de LNV-raad is vooral een discussie in de volle breedte over de kabinetsreactie op het groenboek over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Ik heb allereerst een meer politieke vraag aan de minister over de inzet van de regering bij de Europese onderhandelingen die wij wenselijk achten. Hoe past de demissionaire status bij de invloed in Europa die nodig is?

De PvdA-fractie wil bij het gemeenschappelijk visserijbeleid vooral inzetten op een goed ecosysteem, zoals wij de vorige keer in de eerste reactie op het GVB ook hebben gezegd. De bijvangst moet radicaal worden verminderd. Daarnaast moet er een verbod komen op teruggooien. Dat is een langdurig proces, waarbij onze vissers erg hun best doen. Ik denk dat Nederland hiervoor in Europees verband model kan staan, maar dat er nog wel een schepje bovenop moet. Ik zou graag willen dat de minister haar invloed in Europa laat gelden voor innovatie wat betreft het verbod op teruggooien en de technieken om de bijvangst radicaal te verminderen. Waar zit de grens voor de minister wat dit betreft?

In Nederland zijn we al een aardig stukje verder met vissers een rol geven bij het herstel van vernielde ecosystemen, maar ik maak mij wel zorgen over de andere Europese landen. Hoe ziet de minister de rol van de vissers in Europa? Wij denken ook aan een fysieke rol, bijvoorbeeld bij het instellen van mariene reservaten. Ik denk dat de kennis van vissers en wetenschappers meer bijeen moet worden gebracht om doelstellingen voor de langere termijn goed te formuleren. In Europees verband zouden wij graag zien dat er wat tandjes bovenop komen. In Nederland hebben wij hiervan aardige voorbeelden, maar het kan allemaal beter en meer.

We zijn het absoluut niet eens met het Productschap Vis, dat verwijst naar het level playing field. Wij vinden juist dat je kleinschalige visserij moet stimuleren, omdat het voordeel hiervan is dat je de meeste kans hebt op verantwoordelijk omgaan met het ecosysteem. Wij vinden dat de heel grote vissers, die om welke reden dan ook zo groot zijn geworden, meer voordelen hebben dan de kleine vissers, omdat zij de weg kennen om subsidies te krijgen. Ze zijn ook beter vertegenwoordigd dan de kleine vissers.

Het is wat lastig als er steeds wordt gepraat.

De voorzitter: Er gebeurt nu wat ik voorspelde. Er is een oefening gaande in een ander deel van het gebouw. Een van de collega's zat vast en kon haar stukken niet meekrijgen. Laat dit een les zijn die de griffier nu meeneemt en bij de evaluatie naar voren brengt. Ik zorg ervoor dat mevrouw Ouwehand de agenda krijgt. In het vervolg iets eerder uit het gebouw gaan, dan bent u hier ook om 10 uur.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik wil mijn inbreng wel beschikbaar stellen, misschien kan zij er nog wat mee.

De illegale visvangst is een van de grootste problemen bij de visserij. Volgens schattingen wordt 30 tot 40% van alle verhandelde vis illegaal gevangen. Wij vinden dat de EU de strijd moet aanbinden om het probleem dat er illegale, ongereguleerde vis op de markt komt, verder aan te pakken. Om dat te bereiken vinden wij dat de EU ervoor moet zorgen dat de bewijslast wordt omgedraaid, zodat de visser moet aantonen dat de vangst legaal gevangen is. Met gps kan dat heel goed. Wanneer dat niet kan worden aangetoond, mag de vis niet op de markt worden gebracht.

Een andere vraag is of een belangrijke sector als de zeesportvisserij ook een aandachtspunt is bij het Europees visserijbeleid.

Enkele waterschappen in Zuid-Holland gaan actief biologisch beheer toepassen. Ik wil graag dat de minister deze projecten aan banden legt, met strakke voorwaarden, omdat de uitkomst hiervan steeds geen helderder water lijkt te zijn. Dit moet geen standaardwerkwijze van de waterschappen worden. We moeten ervoor zorgen dat de ecologische toestand goed blijft en dat de vissen niet onnodig worden weggehaald.

Wij zijn blij dat gedeputeerde Hollenga aan de slag gaat met de staandwantvisserij. Een punt hierbij is dat de artikelen 12 en 17, die de uitvoeringsregeling van de mosselvisserij betreffen, zijn samengevoegd, zoals ik daarnet ook ambtelijk aan de orde heb gesteld. Hierdoor worden de kleine vissers heel erg geschaad. Ze worden enerzijds klemgezet doordat hun netten op grond van het aalherstelplan niet meer aan de eisen voldoen, en anderzijds op het gebied van schelpdieren. Ik denk dat die heel kleine vissertjes juist beschermd moeten worden.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ik zal mijn bijdrage staccato houden, zodat ik binnen vier minuten blijf. Tijdens de komende Landbouw- en Visserijraad presenteert de Europese Commissie de resultaten van de consultatieronde. Daarmee begint een volgende fase in het Europese besluitvormingsproces. Kan de minister aangeven hoe het proces daarna verloopt, welke beïnvloedingsmomenten er nog zijn en hoe de Kamer hierbij betrokken wordt?

We hebben eerder een algemeen overleg gehad over het gemeenschappelijk Europees visserijbeleid en de inzet van de minister. Toen hebben wij gevraagd om duidelijke omschrijvingen van de definities die gebruikt worden in de kabinetsreactie op het groenboek over de hervorming van het GVB, in het bijzonder de ecosysteembenadering, de goede ecologische toestand, de niet-duurzame visserijtechnieken, de best beschikbare visserijtechnieken en het uitbannen van discards. Met de brief die de minister had toegezegd, zou ook invulling worden gegeven aan het begrippenkader van MSI, of in gewoon Nederlands: de maximaal duurzame oogst. We vragen de minister ook om te reageren op de kritiek van Imares op de beheerdoelstelling van de maximaal duurzame oogst.

Kan de minister ook ingaan op de stand van zaken bij de in november 2009 vastgelopen onderhandelingen over de technische maatregelen? Is er al meer zicht op de nieuwe financiële dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid?

Dan kom ik op het vraagstuk van mededinging of gemeenschappelijke marktordening (GMO). In hoeverre kan GMO een rol spelen bij het ondersteunen van de ontwikkeling van producentenorganisaties? De lijn van Nederland is om producentenorganisaties (PO's) goed toe te rusten voor het optimaal vermarkten van de aangevoerde producten. Dat vinden wij een prima lijn. Is de minister ook bereid om de PO's te faciliteren om hun werkapparaat op het benodigde niveau te brengen en geld te steken in goede marktontwikkeling in plaats van in opvangfondsen, bijvoorbeeld van schol? Het is natuurlijk een schande dat de schol op de veiling soms wordt doorgedraaid. Kan de minister ook toezeggen dat zij zich ervoor zal inzetten om schol en tong als merknamen meer te beschermen in Europees verband en om naast voedselveiligheid ook eisen te stellen op het gebied van duurzaamheid bij importvis? Europa zou ook meer kunnen doen aan eerlijke voorlichting over en etikettering van versgevangen of diepgevroren vis.

Wat de nieuwe verordening betreft is mijn vraag hoe wij voorkomen dat de regelingen weer zo gedetailleerd en inflexibel worden gemaakt dat de papieren werkelijkheid straks haaks staat op de dagelijkse praktijk op zee.

Bij de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid dreigt een scheiding tussen Noord en Zuid te ontstaan. We zouden graag zien dat de minister het initiatief neemt om met haar Noordzeecollega's te overleggen met de Noordzee-RAC, onder andere over de vraag hoe diverse lidstaten handelen bij het dossier Doggersbank. Zonder enige coördinatie en afstemming wordt de beheerssituatie daar wel heel ondoorzichtig. Het zou mooi zijn als Nederland hiervoor een initiatief neemt of het Belgische EU-voorzitterschap hierop aanspreekt.

Verder sluit ik mij aan bij de vragen van mevrouw Jacobi over de staandwantvisserij en bij haar opmerkingen over actief biologisch beheer.

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. We hebben eerder een discussie gehad over het gemeenschappelijk visserijbeleid. Vandaag spreken wij over de voortgang. Nederland is gidsland bij belangrijke aandachtspunten bij de komende herziening, zoals handhaving en controle, maar het moet niet blijven bij mooie woorden of beleidsvoornemens. Beleid is alleen maar effectief als handhaving en controle ook in orde zijn. Daaraan zal dus veel aandacht moeten worden besteed. Tekenend hiervoor is het probleem van de vangst van de blauwvintonijn. Er zijn serieuze opmerkingen gemaakt om dat te regelen, maar daar is om allerlei redenen toch verzet tegen ontstaan. Elk Europees land zal echt zorg moeten dragen voor de visbestanden en de verduurzaming in de eigen omgeving. Volgens de fractie van de ChristenUnie zijn daarop geen uitzonderingen mogelijk, want anders gaan we het niet halen. De verduurzaming moet plaatsvinden in een internationale context. Daarbij hebben we Europees beleid en stevige handhaving volop nodig. Wij vinden inderdaad dat de Nederlandse werkwijze als voorbeeld kan dienen, maar het gevaar daarvan is dat je als beste jongetje van de klas op een gegeven moment achter het net vist. De inzet van de minister is prima, maar wij vragen om extra aandacht te besteden aan de handhaving.

Ik loop de drie speerpunten van de minister even langs. Het eerste is duurzaam gebruik en instandhouding. Wij hebben al eerder gesproken over concretisering van het terugdringen van de bijvangst, waarover collega Jacobi ook heeft gesproken. Ik heb toen het voorstel gedaan om niet zozeer te discussiëren over de bijvangst, maar over een totaal tonnage dat gevangen mag worden, want dan is er geen discussie over bijvangst. Ik beveel dit nog een keer aan in de aandacht van de minister.

Mijn fractie heeft al eerder gesproken over verduurzaming van de visserijvloot door in te zetten op behoud van een aantal kleinere eenheden, waarbij de familiebedrijven gewoon aan de bak kunnen, en op kleinere schepen, met een forse CO2-reductie. Wij denken dat dit een kansrijke insteek is, waar de sector heel veel baat bij kan hebben, want er ligt een prachtig plan. Naar onze overtuiging zou een haalbaarheidsonderzoek dan de eerste stap moeten zijn.

Er moet perspectief zijn voor een maatschappelijk geaccepteerde en duurzaam opererende visserijsector, maar dat is ingewikkeld. We hebben al vaak met de minister gesproken over de vraag hoe je dat goed voor elkaar krijgt. Toch zien we kleine stapjes. Ik verwijs naar het convenant van Albert Heijn en de dierensector over varkensvlees. Er zijn kansen die dat gewoon wel laten zien. Vermarkting is een belangrijk onderdeel bij het hierop inzetten, maar er is discussie met de Nederlandse Mededingingsautoriteit over de beperkingen op dit gebied. Er is een boete uitgedeeld. De sector zou er buitengewoon bij gebaat zijn als er duidelijkheid komt over die boete, die nu als een zwaard van Damocles boven de partijen hangt. Het zou een droom zijn als dat bedrag kan worden kwijtgescholden. Dat is misschien wel ingewikkeld, maar laten we eens grootmoedig zijn en bekijken of we deze kunnen inzetten voor verduurzaming van de sector. Als die boete toch geïnd wordt, laten we deze dan inzetten voor innovatie. Het is misschien vestzak-broekzak, maar dan voelt de sector het en krijgt er ook wat voor terug. Ik denk dat dit buitengewoon belangrijk is.

Het visbestand in de garnalensector wordt gezond. De visserij is bijna MSC-gecertificeerd en aan de prijsvorming wordt gewerkt, maar deze is wel heel kwetsbaar. De producentenorganisatie wacht nog op erkenning van LNV. Ik denk dat het wel belangrijk is om daarop in te zetten, net als op de benadering van schip tot schap, logische marktcombinaties en de opleiding van de jonge generatie van vissers. Er ligt een opleidingsschip klaar, maar dat moet zogezegd nog op de markt worden gebracht. Ik vraag de minister of zij kans ziet om dat te ondersteunen, zodat vorm wordt gegeven aan verduurzaming bij de jonge generatie vissers, die in dat project samenwerken met het WNF. Ik benadruk mijn eerdere opmerking over de zee-uren die de vissers kunnen hebben en de regionalisering. Voor eenvoudig, doeltreffend en uitvoerbaar Europees visserijbeleid is het belangrijk dat de verantwoordelijkheid en de kennis van de beroepsgroep worden benut.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Voordat ik inga op het visserijbeleid, wil ik even een ander punt aan de orde stellen. Ik ben namelijk nogal ongerust over het gemak waarmee de aanvraag van BASF voor toelating van de ggo-aardappel Amflora is goedgekeurd. In de integrale nota over biotechnologie heeft het kabinet zelf gezegd dat het op grote schaal op de markt brengen van dit soort antibioticaresistente genen niet meer wordt toegelaten. Ik heb het idee dat dit er eigenlijk tussendoor is gegaan, in samenhang met de demissionaire status van dit kabinet. VROM heeft wat dat betreft niet goed opgelet, en dat baart mij grote zorgen. Het is kabinetsbeleid dat je uitermate voorzichtig moet zijn met deze antibioticaresistente technologieën, maar dan gebeurt dat toch gewoon. Ik heb daarover op 4 maart vragen gesteld, dus dat is alweer een tijdje geleden, maar ik heb hierover alleen een uitstelbriefje gekregen. Ik heb het idee dat de beantwoording op de lange baan wordt geschoven en dat irriteert mij mateloos. Ik hoop dat de minister hier alsnog op in wil gaan. Is mijn indruk juist dat dit er tussendoor is geglipt? Kan dat serieuzer worden bekeken en worden teruggedraaid?

Dit overleg is een voortzetting van wat wij eerder hebben besproken over het visserijbeleid, zoals de collega's al zeiden. Mijn belangrijkste vraag is daarom wat de minister heeft opgepikt van de inbreng van de Kamer, want daar kom ik niet achter. Mevrouw Ouwehand heeft inmiddels de stukken gekregen, maar anders wil ik ze graag geven. De Kamer heeft een motie van haar hand aangenomen over de discards. We moeten toe naar een systeem waarbij alles wat gevangen wordt, op een of andere manier wordt aangeland. De vraag of iets economisch vatbaar is, moet je gewoon anders bekijken. We zouden in Europees verband het overboord kieperen van waardevolle eiwitten moeten afschaffen. Die motie is aangenomen, maar ik zie er niets van terug. Mevrouw Ouwehand kan er in haar bijdrage op terugkomen, maar het verbaast mij dat ik er niets over terugzie in de stukken van de minister.

Dan de samenwerking van Europa met Derdewereldlanden. We hebben al eerder gesproken over Mauritanië. In antwoord op de vraag of grootschalige visserij die door Europa wordt toegestaan, concurrerend is met de kleinschalige visserij van Mauritanië schrijft de minister dat wetenschappelijk is vastgesteld, dat dit geen probleem is. Als uit alle wetenschappelijke bronnen blijkt dat er sprake is van grote overbevissing, met name van de oceanen, kun je toch niet volhouden dat je dit gewoon maar moet toestaan? Ik ben er zeer ongerust over dat dit wordt verkocht als duurzaamheid en ontwikkelingssamenwerking en vraag daar een reactie op.

Vanwege de tijd sluit ik mij aan bij de vragen van mevrouw Jacobi over de illegale visvangst. Ik ben op zichzelf wel blij dat we bij de Noordzeevisserij de richting opgaan van regionale comités. Dit zal toch samen met Noorwegen moeten gebeuren, dat nog steeds geen lid van Europa, hoewel het er wel deel van uitmaakt en ook aan de Noordzee ligt. Zijn er inmiddels vorderingen te melden? Ik heb al eerder gezegd dat Noorwegen misschien wel slimmer omgaat met discards dan Europa, dus wat dat betreft is er wel wat te leren van dit land, dat een grote visserijsector heeft. We moeten dat er zeker bij betrekken.

Tenslotte vraag ik aandacht voor het probleem van de bruinvissen, waarover we gisteren een petitie in ontvangst hebben genomen. Het goede nieuws is dat het goed gaat met de bruinvissen, in die zin dat er meer zijn, maar het slechte nieuws is dat ook duidelijk wordt dat zij gedesoriënteerd raken en te veel aanlanden. Naast onderzoek zijn er maatregelen nodig om dat probleem op te lossen. Het is prima dat het aantal bruinvissen toeneemt, maar als we zien dat zij toch weer stranden, moeten we dat verbeteren.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik had ook nog iets over de bruinvissen willen zeggen, maar dat lukte niet vanwege de tijd. Ik ben blij dat de SP-fractie hier wel aandacht aan besteedt. In welke richting denkt de heer Polderman als het gaat om nuttige maatregelen?

De heer Polderman (SP): Ik ben blij dat u die vraag stelt, mevrouw Jacobi. Een van de eerste moties die ik in dit huis mocht indienen en die werd aangenomen, was een oproep aan de regering om te komen tot een rijksbestemmingsplan voor de Noordzee, zodat duidelijk is wat waar is. Ik denk dat de desoriëntatie bij de bruinvissen vooral komt door de drukte op de Noordzee. Die beesten raken gewoon in de war. Als ruimtelijk duidelijk wordt wat waar is, leren die beesten waar zij veilig kunnen vertoeven en gaan zij automatisch de gebieden mijden waar dat problematisch is. Ik denk dat er behoefte is aan ruimtelijke afbakening van de activiteiten die op de Noordzee plaatsvinden, maar ik heb hierop nog geen antwoord van de regering gezien. Dat zou ik nog graag zien in deze kabinetsperiode, ook al is deze een jaar korter dan de bedoeling was, maar de opdracht was om dat te doen.

De heer Koppejan (CDA): ik sluit mij graag aan bij de zorgen over de bruinvis. Voordat we tot maatregelen overgaan, zouden we gezamenlijk moeten pleiten voor meer onderzoek, zodat we beter weten waar het door komt. In de Oosterschelde schijnen ook dertig bruinvissen te zwemmen, maar die kunnen er niet meer uit vanwege de stormvloedkering. Dat heeft ook te maken met desoriëntatie. Ik denk dat het belangrijk is om het initiatief te nemen tot meer onderzoek, om vervolgens tot effectieve maatregelen te komen.

De heer Polderman (SP): Ja, dat ben ik wel met collega Koppejan eens. Ik heb die bruinvissen ook zelf in de Oosterschelde mogen zien. Het is buitengewoon interessant om die beesten in hun leefgebied te zien. Volgens mij hebben ze het daar prima naar hun zin, maar zij schijnen er inderdaad niet meer uit te kunnen. Ik ben het ermee eens dat onderzoek waar het probleem van die strandingen door komt, absoluut noodzakelijk is. Ik denk dat mijn idee om ruimtelijk helderheid te scheppen over wat er in de Noordzee en in andere wateren kan en op welke plaatsen dat moet gebeuren, daaraan bijdraagt.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ik zal ingaan op een paar punten die terugzien op de vorige Landbouwraad, waar de raadsconclusies aangaande het functioneren van de voedselketen aan de orde zijn geweest. Door de minister zijn drie aspecten ingebracht: het belang van transparantie, de nadruk op innovatie en de verlichting van de administratieve lasten. Dat laatste punt is bij mij blijven haken, want de landbouwportefeuilles lopen zowel op Europees als op nationaal niveau wat achter op het beeld, dus graag een tandje erbij. Uiteraard is dan de prangende vraag hoe dat aangepakt moet worden.

De minister heeft terecht gesteld over het mededingingsbeleid dat door de autoriteiten meer ruimte gegeven moet worden aan primaire producenten om hun krachten te bundelen. Ook hier is de vraag hoe dat vormgegeven zal worden.

Er lijkt wat beweging te komen in de directe betaling na 2013. De minister heeft in de vorige ronde laten doorschemeren dat zij voorstander zal zijn van een basistoeslag voor alle boeren, ook in 2020, in tegenstelling tot de intenties van de houtskoolschets. Wij vinden het op zichzelf positief dat het denken niet op nul staat, maar de vraag is welk beslag dat in de Europese discussie krijgt, want er zijn ook andere trends. Wanneer worden hierover knopen doorgehakt?

Er is nog een punt blijven liggen van een paar rondes terug, namelijk de doorwerking van de Europese transportverordening naar hobbydieren en kleinere transporten. Er zou een versoepeling van het beleid voorgestaan worden, maar daar heb ik nog niets van teruggezien.

Dan de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De hoofdlijnen van de Nederlandse visie zijn heel helder geformuleerd; de inzet is duidelijk. Mijn fractie steunt de speerpunten die daaraan ontleend worden, waarbij ondernemerschap in een innovatieve en verduurzaamde setting een rol speelt. Mijn vraag is en blijf hoe dat voldoende daadkrachtig en gezaghebbend wordt ondersteund op het terrein van de technische maatregelen? Misschien kan dit op Europees niveau een doorlichting krijgen.

Ik val mijn collega's bij als het gaat om het wel of niet terugzetten van de bijvangst, het aanlanden van illegale vis en de handhaving van dit hele complex. Mijn fractie is wat ongerust dat in toenemende mate een rol speelt dat naarmate de vangstrechten aan banden worden gelegd binnen ons visserijgebied, Europeesbreed bedoeld, waarvoor redenen kunnen zijn zoals verduurzaming, de import van vis van ver weg zakelijk gesproken relevanter wordt. Wat betekent dat voor onze nationale sector? We spreken nu over onze inbreng op Europees niveau en dan moet je het natuurlijk iets breder trekken. Er ontstaat volgens mij een groeiend spanningsveld. Daarvoor zou aandacht behoren te zijn. Ik zie nog niet helemaal hoe dat in elkaar wordt gestoken.

Ik sluit mij aan bij wat mevrouw Jacobi heeft gezegd over de staandwantvisserij. De heer Koppejan voegde zich daar ook bij en ik sluit mij aan als derde in dat rijtje.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik begin ook even bij het verslag van de vorige keer, allereerst het punt toekomst GLB en de marktmaatregelen. De minister schrijft dat zij de conclusies van de voorzitter ondersteunt, waarin het belang van het behoud van een vangnet en van de bestaande marktinstrumenten ook na 2013 wordt benadrukt, maar in een volgende alinea schrijft zij dat voor de toekomst na 2013 volgens Nederland de nadruk moet liggen op een vangnet bij ernstige marktverstoringen van klimatologische, fytosanitaire en veterinaire aard. Dat zijn dus niet de bestaande marktinstrumenten. Ik ben heel benieuwd hoe ik dit moet uitleggen en hoe de andere lidstaten hier tegenover staan. Gaan zij ook voor de bestaande marktinstrumenten? Daarbij doel ik op eventuele interventiemaatregelen als er een heel vreemde marktverstoring optreedt. Hierover graag duidelijkheid.

Dan wil ik toch even stilstaan bij de uitvoering van de motie-Snijder (stuk nr. 32 123-XIV, nr. 92), die Kamerbreed is aangenomen. Wat de minister erover schrijft, is aardig, maar het is wel een heel summiere uitvoering van een motie waarin wordt gevraagd hoe het staat met de concurrentiepositie van het agrocluster. Ik lees even voor: verzoekt de regering een onderzoek in te stellen welke ondersteuning de andere EU-lidstaten aan de agrosector geven en welke kosten de lidstaten niet doorrekenen aan de agrosector en hoe deze kosten voor het agrocluster uitpakken.

Naar mijn gevoel is alleen het eerste deel uitgevoerd. De minister heeft voor ons een rijtje subsidiesituaties voorgeschoteld, die opgehoest konden worden uit een OESO-rapport. Het is zeker aardig om dat te hebben, maar het ging vooral om zaken die niet zo zichtbaar zijn, zoals kosten die in de andere lidstaten niet worden doorgerekend aan de sector. Ik heb in dat debat een aantal voorbeelden genoemd, zoals het ophalen en de destructie van kadavers, de controle op voedselveiligheid, wat te doen met waterbeheer. Ik vraag de minister om een onderzoek in te stellen naar vooral dat laatste deel, dat minder zichtbaar is. Dat hoeft echt niet volgende maand klaar te zijn, zoals ik toen ook heb gezegd, maar ik denk dat het goed is om dat op een rij te hebben, want dat is waar het in de motie om gaat.

We hebben al een aantal keren uitgebreid stilgestaan bij het visserijbeleid. Die discussie hoeven we niet over te doen. De inzet is volgens mij wel in lijn met wat wij hier steeds hebben uitgesproken, behalve op het punt van de discards. Daarom sluit ik mij aan bij de opmerking van de woordvoerder van de SP-fractie dat de motie-Ouwehand, die door de VVD-fractie van harte is ondersteund, niet wordt uitgevoerd.

De minister schrijft in haar brief dat het uitgangspunt is: duurzaam gebruik en instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen in de zee. Daarover zijn wij het volledig eens. Dat geldt zowel in de wateren van de EU als daarbuiten. Dat is een helder, duidelijk uitgangspunt. Daarom begrijp ik de antwoorden van de minister op een aantal vragen van de fracties van de SP en de VVD niet helemaal. Hoe moeten we het gemeenschappelijk visserijbeleid zien in relatie tot niet-Europese wateren? Het uitgangspunt zou zijn dat er connecties zijn, maar de minister antwoordt dat het visserijbeleid in de niet-Europese wateren voor het grootste deel losstaat van de Europese visserij. Volgens ons is dat een wat vreemde redenatie, omdat dat naar ons gevoel niet kan. Wij blijven het wat vreemd vinden dat daar met zoveel schepen kan worden gevist. Is dat wel ontwikkelingssamenwerking? Wij kunnen dat niet zo zien.

Mevrouw Jacobi is terecht ingegaan op de staandwantvisserij. Ik sluit mij daarbij aan. De minister entameert een onderzoek dat wordt uitgevoerd door de provincie Groningen. Mijn fractie vraagt zich af hoe snel dat gaat. Het klinkt allemaal wel aardig, maar 1 januari 2011 is ook dichtbij. Ik vraag de minister om er wat haast achter te zetten. Onderzoek is prachtig, maar het moet ook wat opleveren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De stukken zijn gered uit het gebouw dat ontruimd werd, dus ik kan gelukkig toch een aantal gedachten wisselen met de minister. Ze zou anders toch een beetje teleurgesteld zijn, schat ik zo in. Ja, dat dacht ik wel.

Kortheidshalve sluit ik mij aan bij de opmerkingen van de heer Polderman over het gemak waarmee de Amflora-aardappel wordt toegelaten. Enkele woordvoerders hebben gesproken over de bruinvissen. Ook daar sluit ik mij bij aan. De minister kent de opvatting van de Partij voor de Dieren dat er op dit gebied zo snel mogelijk zo goed mogelijke bescherming moet zijn, alstublieft, als we dan toch een verlanglijstje mogen indienen.

De minister is in de stukken ingegaan op het GLB en de middelen die in het kader van de health check onze kant op komen voor klimaatverandering en hernieuwbare energie. Dat is natuurlijk prachtig, maar ik hoor graag hoe die budgetten worden ingezet. Kan de minister iets meer duidelijkheid geven over de kaders en randvoorwaarden bij voorstellen om in aanmerking te komen voor deze gelden? Mag ik ervan uitgaan dat bij waterbeheer wordt bedoeld verbetering van de waterkwaliteit en het tegengaan van verdroging? Kan de minister voorbeelden geven van projecten die in aanmerking komen voor deze middelen?

We hebben al gesproken over Cites. In het officiële verslag van de vorige Landbouwraad viel ons op dat de Commissaris vindt dat achteraf bezien – met de kennis van nu, zou je kunnen zeggen – het EU-mandaat te laat tot stand is gekomen. Ja, dat vonden wij ook. Ik heb de minister hierover de vorige keer al behoorlijk wat vragen gesteld. Ik vind dat het Nederlandse parlement in brede zin te weinig grip heeft op de ambtelijke colonne. Dat geldt vast ook voor andere parlementen en voor de afstemming over andere dan landbouwonderwerpen. Wij blijven hier in een welles-nietesspelletje zitten. De Kamer hoort het verslag van maatschappelijke organisaties die bij die delegatiebesprekingen zijn. Als wij onze zorgen daarover voorleggen aan de minister, zegt zij dat zij niets kan als zij geen namen en rugnummers of bewijzen heeft. Ik zou zeggen dat wij uit die wurggreep moeten komen. Hierover is ook een wetenschappelijk onderzoek verschenen. Ik zie graag dat de regering – niet alleen deze minister – met voorstellen komt om daarin verbetering aan te brengen, want het kan niet zo zijn dat nationale parlementen achter de feiten aanlopen, omdat ambtelijke delegaties op eigen houtje al allerlei zaken hebben geregeld, om maar even een heel zwart-witbeeld te schetsen.

Wat betreft de blauwvintonijn hebben wij begrepen dat Nederland bij Cites uiteindelijk het voorstel van Malta voor een compleet vangstverbod heeft gesteund. Dat is hartstikke mooi. Die inzet waardeer ik van de minister. Zij zegt dat het niet van Malta was. Excuus voor die vergissing. De minister schrijft ook dat het Verenigd Koninkrijk heeft laten weten teleurgesteld te zijn dat de bescherming uiteindelijk niet op voldoende steun kon rekenen. Ik neem aan dat onze minister ook teleurgesteld was. Heeft zij dat ook uitgesproken? Heeft zij ook ingebracht dat in dit parlement een motie is aangenomen om in elk geval de Europese wateren te sluiten voor de vangst van blauwvintonijn. Ik overweeg om er in een motie een aanvullend verzoek aan toe te voegen. Ik denk dat het tijd is voor een Europees handels- en invoerverbod. Kan de minister toezeggen dat zij zich daarvoor sterk gaat maken?

Ik dank mijn collega's die de motie over de bijvangst destijds ook hebben ondertekend en voor hun steun door in hun inbreng te vragen hoe het daarmee zit. Die motie is aangenomen, maar we lezen er niets over terug.

We hebben uitvoerig van gedachten gewisseld over het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ik heb destijds gezegd dat ik de hoofdlijnen van de Nederlandse visie prachtig vind, maar dat zij nog te vaag zijn. Ik kan mij herinneren dat de woordvoerder van de ChristenUnie in dit debat zei dat duurzaamheid een beetje een containerbegrip is. Ik heb toen moties ingediend om dat wat nader te concretiseren. De minister zei dat dit voorbarig was. Ik denk dat de minister wel snapt dat ik iedere keer als dit ter sprake komt, ga vragen of de minister het nu wel tijd vindt om concreter invulling te geven aan de begrippen die in de hoofdlijnen van de Nederlandse visie zijn gesteld.

De voorzitter: Ik stel voor dat de minister eerst ingaat op de vragen over het landbouwgedeelte van de vorige raden en daarna op het visserijbeleid.

Minister Verburg: Voorzitter. Dank voor de inbreng in eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik merk hierbij graag op dat ik van ieder Kamerlid de inbreng zou missen als die niet geleverd zou kunnen worden, dus niet alleen van mevrouw Ouwehand. Ik begrijp dat dit een kleine domper zet op de vreugde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Maar u hebt natuurlijk wel een voorkeur voor deze inbreng, toch?

Minister Verburg: Ik dank u allen voor de inbreng in eerste termijn. Ik ga eerst in op de vragen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de Europese Landbouwraad en straks op de visserijsector. De heer Van der Vlies heeft een vraag gesteld over een betere werking van de voedselvoorzieningsketen. Ik vind dat hier goed aan wordt gewerkt, maar we zijn er nog niet. Ik heb tijdens de raad ingebracht, en dat heb ik de Kamer ook laten weten, dat ik vind dat transparantie in de keten van ontzettend groot belang is. De oriëntatie moet daarbij niet alleen zijn hoe ervoor te zorgen dat de consument zo veel mogelijk helderheid krijgt en een zo gunstig mogelijke prijs betaalt, maar deze moet ook gericht zijn op producenten. Het is gerechtvaardigd om eisen te stellen aan de kwaliteit van ons voedsel. Dat doen we en dat moeten we ook doen. Als wij daarbij ook nog eisen hebben in het kader van duurzaamheid, dierenwelzijn of milieu, betekent dit wel dat je de primaire producent ook een fatsoenlijke prijs moet geven. Ik heb ervoor gepleit om nog eens goed te kijken naar de interpretatieruimte en de mogelijkheden die er zijn binnen de Europese mededingingsregels. Het is aan de Europese Commissie om daar werk van te maken. Dat heeft de Europese Commissaris ook toegezegd, maar daarmee zijn wij er nog niet. In juni komt de High Level Group Zuivel met resultaten, waarbij ook gekeken zal worden naar prijsvorming in de keten. Dit zal zeer waarschijnlijk onderwerp van bespreking zijn in de juliraad.

De heer Van der Vlies heeft terecht gevraagd naar de administratievelastendruk. Ik ben het met hem eens dat daar Europees gezien te weinig aan gebeurt. Daar moet echt een tandje bij. Ik houd de Europese Commissie dan ook aan de toezegging van de vorige Commissie. Er is nu een nieuwe Commissie, maar die werkt verder op basis van de erfenis en de toezeggingen van de vorige Commissie. Die toezegging was en is dat in 2012 de administratievelastendruk met 25% moet zijn teruggebracht. Ik ben het eens met de heer Van der Vlies dat we daar nog veel te weinig van zien. We moeten daar echt stevig op drukken in Brussel, maar dat doe ik met overtuiging. We hebben de afspraak gemaakt dat de betaalorganen van de 27 lidstaten, zoals de Dienst Regelingen voor Nederland, op hun halfjaarlijkse bijeenkomst met concrete vereenvoudigingsvoorstellen kunnen komen voor de uitvoering van een en ander. Dit geldt ook voor de naleving van de afspraak over administratievelastenverlichting. Vervolgens moet de Europese Commissie binnen een halfjaar met concrete voorstellen komen. Dat treedt nu in werking. Enkele landen zitten er zeker bovenop. Nederland hoort daarbij. Ik voel me zeer gemotiveerd om ervoor te zorgen dat boeren en andere mensen die te maken hebben met het gemeenschappelijk landbouwbeleid, geen boekhouders worden, maar de kans hebben en houden om hun agrarische deskundigheid en ondernemerschap voluit vorm te geven.

De heer Van der Vlies heeft ook gevraagd wanneer er knopen worden doorgehakt bij de vormgeving van het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013. De verwachting is dat er eind 2010 een Commissiemededeling komt. Daarover zal vervolgens worden overlegd en onderhandeld. Medio 2011 zullen er wetgevingsvoorstellen komen. In 2012 moet er dan een politiek akkoord worden gesloten. Ik wijs erop dat hierbij codecisierecht is, dus medebeslissingsrecht van het Europees Parlement. Dat traject zal voortvarend en zorgvuldig ter hand genomen moeten worden door de nog niet zo lang geleden aangetreden Commissaris Ciolos.

Mevrouw Snijder vraagt naar de ondersteuning door de Europese lidstaten. Zij verwees naar haar motie. Ik heb daarover geschreven en daarop geantwoord. Als zij nu aangeeft dat zij de niet-zichtbare kosten of voordelen in kaart wil brengen, dan zeg ik dat zij iets van mij vraagt wat mij onmogelijk is. Hoe kan ik nu niet-zichtbare kosten bij de 27 lidstaten in kaart brengen? Ik heb die expertise niet. Ik heb de menskracht niet. Ik heb de slagkracht niet. Ik heb het inzicht niet en het overzicht niet. Niet-zichtbare kosten zijn dus niet zichtbaar en kan ik niet boven tafel halen. Ik baseer mij op Europese gegevens die wel beschikbaar zijn. Ik wijs erop dat Nederland ook een heleboel regelingen heeft die zeer terecht worden ingezet voor de agrarische sector en de hele agrocluster. Het is dus niet eenvoudig een kwestie van optellen en aftrekken. Ik heb niet meer gegevens dan ik aan de Kamer heb toegezonden. Ik probeer daar altijd zo gewetensvol en zo volledig mogelijk in te zijn, maar waar niet is, daar verliest zelfs een parlement zijn recht.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Waarom sla ik hier toch op aan? Omdat in de motie wordt gevraagd om kosten, maar de minister ons een overzicht heeft gegeven van de regelingen waarvan lidstaten gebruikmaken en die worden goedgekeurd bij de staatssteuntoetsen. Dat heeft de minister laten zien, maar dat zijn allemaal gegevens die we desnoods zelf boven tafel hadden kunnen brengen. Dank dat zij dat heeft gedaan, maar zij weet ook dat wij regelmatig signalen krijgen dat andere lidstaten bijvoorbeeld de kosten van controles voor voedselveiligheid en van destructie niet doorberekenen. Dat zijn allemaal forse ingrepen. Ik noem er nu twee, maar er zijn er vele die ons regelmatig voor de voeten worden geworpen door de sector. Het hoeft niet voor alle lidstaten, maar het moet toch mogelijk zijn om voor de grote concurrenten zoals Duitsland en Frankrijk in beeld krijgen welke kosten zij doorberekenen aan hun agrocluster? Dat moet toch ergens te achterhalen zijn? Waarom spreekt anders de agrosector ons daar wel op aan? Waarom hebben zij gevoelens en signalen dat dit gebeurt? Dat moeten wij toch wel willen weten? Dat heeft alles te maken met concurrentiepositie.

Minister Verburg: Ik zeg nogmaals tegen mevrouw Snijder dat ik haar vraag heb beantwoord voor zover dat in mijn vermogen lag. Als zij meer vraagt, overvraagt zij mij. Dat kan ik niet leveren. Op het moment dat Nederland met bepaalde regelingen naar Europa moet voor een staatssteuntoets, en dat moeten we met tal van regelingen, dan zit ik er wel bovenop dat wij er ook voor zorgen dat de Europese Commissie streng maar rechtvaardig handhaaft bij andere Europese lidstaten. Dat mag van Europa gevraagd worden. Af en toe doet dat bij onszelf ook van «au», want dan worden wij op de vingers getikt omdat we dat niet helemaal goed doen, maar we willen ook graag dat de Europese Commissie Italië op de vingers tikt, Frankrijk in de gaten houdt en Bulgarije corrigeert, als dat nodig is. Met dat soort dingen hebben we dan te maken. Ik wijs erop dat Nederland een heleboel stimuleringsregelingen heeft, ook fiscaal, die van belang zijn voor innovatie en verduurzaming en die allemaal in Brussel zijn getoetst. Er zijn geen gegevens over hoe dat precies met een schaartje te knippen is. Ik zeg tegen mevrouw Snijder: ik heb niet meer dan wat ik haar nu heb toegezonden, en ik kan daar ook niet aankomen. Ik heb daar mijn uiterste best voor gedaan.

De heer Van der Vlies heeft gevraagd naar de voortgang bij de transportregelgeving op Europees niveau inzake hobbydieren. In de transportverordening wordt geen verschil gemaakt tussen hobbymatig en bedrijfsmatig transport van dieren. Onlangs heeft een Nederlandse rechter vastgesteld dat alleen het doel van het transport bepalend is. Ik heb hierover nogmaals overleg gevoerd met de hobbydierenorganisaties. Er wordt gezocht naar een oplossing. Vooral vogeltransport is lastig. Er komt een vervolgoverleg, waarbij partijen met voorstellen en criteria komen. Wij zullen er bij de herziening van de Europese transportverordening op toezien dat de onduidelijkheid wordt opgelost en wij zullen voorstellen doen om de problemen die er nog zijn op te lossen.

Mevrouw Snijder heeft gevraagd of er na 2013 ook nog een vangnet moet zijn. Het antwoord is voluit ja, maar het vangnet moet zo zijn dat het eerder werkt als een trampoline dan als een hangmat. Dat betekent dat er een interventiepakket moet zijn dat snel kan worden ingezet en dat zo lang als nodig en zo kort als mogelijk zijn werk doet. Ik denk dat daarbij niet alleen gekeken moet worden naar interventiemogelijkheden zoals wij nu hebben voor de zuivel, met name boter en melkpoeder, maar dat je ook moet kijken naar crises van klimatologische, veterinaire en fytosanitaire aard. In die zin moet je het instrumentarium na 2013 ook daadwerkelijk vernieuwen.

De heer Polderman heeft verwoord dat hij verbaasd is over het gemak waarmee de Amflora-aardappel is toegelaten. Dat kan toch niet tijdens een demissionaire periode? Dat is ook niet gebeurd tijdens een demissionaire periode. De behandeling in de Landbouw- en Visserijraad heeft plaatsgevonden voor de val van het kabinet, namelijk in februari 2008, dus ruim twee jaar geleden. Dat is toen conform de gebruikelijke procedure afgehandeld. Hij is veilig bevonden voor mens, plant en dier door de EFSA. Vervolgens heb ik de Kamer daarover geïnformeerd. Wij hebben het daarover gehad. De Commissie voert dat dan ook conform uit.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd of de health-checkgelden ook worden ingezet voor waterkwaliteit. Ik heb de Kamer vorig jaar rond deze tijd vrij gedetailleerd inzicht gegeven in het aangepaste plattelandsontwikkelingsprogramma. Daarbij is waterkwaliteit, zowel vernatting als verdroging, een belangrijk onderdeel. Het POP wordt zoals bekend uitgevoerd in samenwerking met provincies en waterschappen. De aanpak van problemen als verdroging en vernatting heeft hoge prioriteit. Ik zit zowel de provincies als de waterschappen achter de vodden om te leveren. Tegelijkertijd pleit ik ervoor om te bekijken hoe je er een win-winsituatie van kunt maken door de implementatie van de Kaderrichtlijn Water en activiteiten in het kader van Natura 2000 intelligent aan elkaar te koppelen. Daar valt altijd winst te behalen, als er creatief en oplossingsgericht naar wordt gekeken. Dat kan in sommige situaties nog wel wat beter.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De minister spreekt over Natura 2000. Mag ik ervan uitgaan dat dit geld niet wordt ingezet voor bijvoorbeeld luchtwassers?

Minister Verburg: Daar mag u van uitgaan, omdat die gelden specifiek hiervoor zijn toegekend. Zij zijn geoormerkt. Het is een vrij stevig bedrag dat wij daarvoor inzetten, omdat die oplossingen ook gewoon gevonden moeten worden. Het wordt dus niet ingezet voor luchtwassers. Daar hebben we weer andere regelingen voor, want dat is een vraagstuk dat ook om een oplossing vraagt.

Vele woordvoerders zijn in hun bijdrage ingegaan op de visserij en hebben gememoreerd dat wij de vorige keer hebben gesproken over de kabinetsvisie «Vis als duurzaam kapitaal». Dat is de Nederlandse visie op het nieuwe Europese visserijbeleid. Voor zover de opmerkingen van de Kamerleden op een meerderheid in de Kamer konden rekenen maar nog niet in het kabinetsstandpunt stonden, zijn zij verwerkt in de visie, alvorens we die naar Brussel hebben gestuurd. Daarover gaan we dus spreken. Bovendien weten we dat de Europese Commissie een aantal maatschappelijke organisaties die zij als stakeholders beschouwt, heeft uitgenodigd om te reageren. Wereldwijd zijn er zo'n 400 overheden, organisaties en personen die hebben gereageerd op het groenboek van de Europese Commissie. Daaruit blijkt wel dat de visserij zich in grote belangstelling mag verheugen, en ik denk dat dit ook zeer terecht is. We zullen in de raad spreken over die reacties op het groenboek, aan de hand van een overzicht dat is gemaakt door de Commissie, en dat lijkt mij wel handzamer. Dat betekent dat wij een synthese krijgen. Die synthese zal de Commissie op de website zetten, zodat de Kamer deze kan downloaden. Ik weet niet of dat al is gebeurd. Het zal natuurlijk gaan over het ecologisch kapitaal.

Mijn eerste indruk is dat er brede consensus is over het belang van het concept maximum sustainable yield. Op het gebied van marktwerking blijken velen een versterking van de rol van de producentenorganisaties en samenwerking in de keten zeer toe te juichen. Labeling en certificering worden eveneens toegejuicht. De Nederlandse visie is als een van eerste gepresenteerd in Europa en deze geeft toch een soort eerste indruk. Door andere lidstaten is daar ook naar gekeken bij het opschrijven van hun eigen visie. Zij leggen natuurlijk allemaal ook hun eigen accenten en dat is ook prima. De uitgangspunten zijn al genoemd: een duurzaam gebruik van onze natuurlijke hulpbronnen, perspectief voor een maatschappelijk geaccepteerde duurzame visserijsector en eenvoudige, doeltreffende, uitvoerbare en handhaafbare regelgeving.

De discussie over de hervorming zal nog de nodige tijd vergen. Eind 2012 moet een nieuw beleid vastgesteld zijn. We zullen in de komende raden regelmatig terugkomen op dit onderwerp, om de discussie verder te brengen. We discussiëren niet alleen over de inbreng van stakeholders, maar ook op basis van concrete voorstellen. Begin mei zal de informele visserijraad hierover gaan. Na de consultatie van de Europese visserijraad zal de Commissie eind 2010, begin 2011 met concrete voorstellen komen.

Er zijn opmerkingen gemaakt dat wij een motie-Ouwehand over discards niet zouden hebben overgenomen. Mag ik erop wijzen dat op blz. 27, in de eerste kolom, bovenaan, een hele paragraaf wordt gewijd aan het tegengaan van discards. Ik geloof dat wij toen een historisch moment hebben beleefd, omdat ik over een motie van mevrouw Ouwehand kon zeggen dat deze ondersteuning van beleid was. Dat zijn ook weer van die bijzondere momenten in het parlementaire bestaan van mevrouw Ouwehand. Ik zou zeggen dat zij op haar wenken wordt bediend. Ik verwijs echt naar pag. 27 van deze mooi vormgegeven visie, maar het gaat natuurlijk om de inhoud. Zo is het vaak in het leven. Daarin staat de ambitie, maar ook de noodzaak om discards in de komende jaren uit te bannen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het was een mooi moment, want ik denk dat ik de keren dat de minister een van mijn moties ondersteuning van beleid noemde, op de vingers van één hand kan tellen, hoewel het altijd juweeltjes zijn, dat geef ik meteen toe. Het ligt natuurlijk iets scherper. We hadden dat mooie boekje dat de minister daar voor zich heeft. Toen hebben we bij de gedachtewisseling gevraagd hoe de minister dat gaat doen met die discards. Wij hebben er als Kamer een concretere invulling aan gegeven en we zouden graag terughoren wat de minister daarmee heeft gedaan.

Minister Verburg: Dat is allemaal goed en wel, maar laten we de dingen in de goede volgorde doen. Ik heb verschillende woordvoerders horen zeggen dat een gelijk speelveld van belang is bij een nieuw gemeenschappelijk visserijbeleid. Ik onderstreep dat dit van groot belang is, niet alleen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar ook voor het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dat gelijke speelveld moet er zijn. Laten we er dan eerst op focussen om op Europees niveau een modern, duurzaam, innovatief visserijbeleid handen en voeten te geven. Daar zijn we nu voluit mee bezig en vervolgens komt de vertaalslag naar de Europese lidstaten. Als er in Brussel wordt gepraat over een gemeenschappelijk visserijbeleid en als je daar sterk maakt en vervolgens wordt gezegd: wat Brussel ook besluit, wij gaan het zo doen, dan betekent dit dat je in Brussel geen deuk in een pakje boter meer slaat. Dan zegt Brussel: weet u wat, Nederland, een heel goede vaart toegewenst, maar als u het niet erg vindt, gaan wij dan met 26 lidstaten dat gemeenschappelijk visserijbeleid vormgeven. Ik kan mij niet voorstellen dat mevrouw Ouwehand dat zou willen.

De heer Polderman (SP): Dit vind ik toch te gemakkelijk. De minister zegt terecht dat we het wel in de volgorde der dingen moeten doen. Dat klopt. Er komt een groenboek van Europa. Daarop komt een conceptreactie van het kabinet. Wij hebben gezegd dat het groenboek behoorlijk diep ingaat op de discards. In de kabinetsreactie wordt daar terecht ook op ingegaan. Vervolgens zegt de Kamer in het debat dat dit verder geconcretiseerd moet worden. De Kamer neemt daarover een motie aan. Vervolgens zegt de minister dan dat die motie ondersteuning van het beleid is. Dan had zij moeten zeggen: de motie is overbodig, want wat daarin wordt gevraagd, doen wij allemaal. Daarover verschilden wij in het debat van mening, want de Kamer vond dat het aangescherpt moest worden. Daarom hebben wij die motie aangenomen. Als de minister zo aan de volgorde der dingen hecht, wat ik erg met haar eens ben, moet zij in haar vervolgreactie wel zeggen wat zij met die motie heeft gedaan en niet dat zij dat van tevoren al had gezegd. Dan hadden wij die motie niet in hoeven dienen of had zij moeten zeggen dat deze overbodig is, omdat alles wat daarin wordt gevraagd, al wordt gedaan. Wij vonden dus van niet. Daarover was het conflict.

Minister Verburg: Ik had natuurlijk ook kunnen zeggen dat de motie overbodig was. Ik wilde een keer vriendelijk zijn voor de Kamer door te zeggen dat we er voluit op gaan inzetten, dus dat zal ik hier nog een keer zeggen. Dit is waarmee we aan de slag gaan. Wanneer dit in het Europees gemeenschappelijk visserijbeleid komt, moet dat natuurlijk zo concreet mogelijk. Dan is niet alleen de vraag wat we gaan doen, maar ook hoe we dat gaan doen. Dan zeg je A en dan zeg je B en dan zeg je ook hoe je dat gaat handhaven. Dat heeft vervolgens weer alles te maken met hoe je de regionalisering vormgeeft in de RAC's en hoe we afkomen van het alles vanuit Brussel willen aangeven. Dat zul je echt in onderlinge samenhang moeten doen. Daar is onze inzet geweldig op gericht. Wij zijn er niet alleen van om papier op te leveren, maar wij willen resultaten in de praktijk. Dat is de inzet. Dat is zoals we het willen. Als we de handen hiervoor in Europa op elkaar krijgen, is vervolgens aan de orde hoe we dat doen. De heer Polderman heeft gezegd dat we ook moeten kijken naar wat we van Noorwegen kunnen leren. Ik merkte daarbij op dat hij wel vond dat Noorwegen binnenkort moet toetreden tot Europa. Dat is een nieuw geluid van zijn zijde en dat doet mij deugd. In ieder geval ben ik graag bereid om te leren wat wij van anderen kunnen leren, als het een effectieve aanpak is, zodat we zelf niet het wiel hoeven uit te vinden. Als we onze nieuwe werkwijze kunnen baseren op onderzoek of ervaringen die al door andere landen zijn opgedaan, is dat alleen maar toe te juichen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): We hebben hier een prachtig voorstel voor de Landbouw- en Visserijraad. De minister geeft nu wel antwoord op de discussie over de discards, maar mogen we ervan uitgaan dat zij het verzoek dat wij in de motie hebben gedaan over het aanlanden van de discards opnieuw aan de orde zal stellen en daarvoor gaat in Brussel? Dat is wat de Kamer heeft gevraagd.

Minister Verburg: Ik heb nu twee keer geantwoord op die vraag. Het antwoord is twee keer ja geweest. Ik zeg nog een derde keer ja. Als u het nog twee keer wil horen, zeg ik nog twee keer ja. Ik ga er voluit voor. Ik doe niet anders, want het is mij ook een doorn in het oog. Ik vind het onethisch, maar je moet daar wel een oplossing voor hebben die ook kan werken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het wordt misschien een beetje vervelend, maar ik wil het toch heel graag precies weten. Zit de minister in die Landbouw- en Visserijraad met het concrete voorstel van Nederland zoals in de motie verwoord? Zegt de minister: wat ons betreft wordt dit het? Of zit de minister daar en zegt: laten we eens kijken hoe we die discards kunnen oplossen, ik heb er misschien wel wat ideeën over, maar iets anders is ook goed? Ik wil graag concreet weten of zij dat voorstel actief inbrengt als plan van Nederland of niet.

Minister Verburg: Ik vertel u van tevoren hoe ik daar zit en ik vertel u na afloop hoe ik daar zit. Nog even en dan vraagt u of ik een soort webcam op mijn hoofd zet, maar dat gaan we dus niet doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind dat helemaal geen slecht idee.

Minister Verburg: Ja, daar was ik al bang voor. Nog even en dan heb ik een chip in mijn oor. Dat gaan we dus niet doen. De verhouding tussen regering en parlement is gebaseerd op vertrouwen. Als ik u hier meldt dat ik dat ga doen en dat later terugmeld, kunnen we er dan nog een keer over spreken. Op het moment dat dit vertrouwen er niet meer is, hebben we een groot probleem.

De heer Cramer (ChristenUnie): Ik zat goed op te letten of het verhaal van de minister over de discards helemaal klaar was. Ik krijg de indruk van wel. Ik had nog een vraag gesteld over het voorstel van de ChristenUnie om de discards te voorkomen door een tonnageregeling af te spreken. Wordt dat in de discussie in Europa op een hoger plan gebracht?

Minister Verburg: Dat zijn allemaal suggesties en voorstellen die we graag willen wegen. Ik vind dat wij alles wat kan bijdragen aan een effectieve aanpak, heel serieus zullen moeten wegen. Er is niet één weg die daarnaartoe kan leiden, maar we zullen het wel moeten doen. Wat mij betreft moeten we het effectief en in een hoog tempo doen. Al die zaken kunnen zeker aan de orde zijn.

De heer Koppejan heeft een vraag gesteld over de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening van visserij- en aquacultuurproducten. Daarover zal inderdaad worden gesproken. Ik denk dat het goed is dat de Commissie die discussie over de hervorming parallel laat lopen met de discussie over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid als geheel. Dan hebben we ook de samenhang daartussen te pakken. Ik neem aan dat de heer Koppejan dat ook bedoelt.

Ik vind dat we de rol van de producentenorganisaties in de visserij moeten versterken. We zijn daar in Nederland ook al mee bezig, maar dat is wel een zaak van de producenten zelf. De producentenorganisaties zijn wel zelforganisaties. Ik heb gezien hoeveel beweging en positieve ontwikkelingen er zijn bij de producentenorganisaties, zoals de bereidheid om te gaan samenwerken in de keten, de groei van het vertrouwen, de behoefte om ondernemingsplannen op te stellen, de ongelofelijk grote deelname aan de kenniskringen en de initiatieven die worden ingediend bij het visserij-innovatieplatform. Dan zeg ik dat ik er goede hoop op heb, want krachten bundelen in de producentenorganisaties is wel van heel groot belang, wil je in de toekomst perspectief hebben.

Ben Daalder heeft nog niet zo lang geleden afscheid genomen als voorman met heel veel jaren ervaring in de hele visserijsector. Hij heeft er nog eens bij stilgestaan dat er in de afgelopen periode toch heel belangrijke stappen voorwaarts zijn gezet. Ik denk dat hij daar gelijk in heeft. Hij vond het bijna jammer om uit te stappen, dat heeft hij zelf benadrukt. Hij zegt dat het ongekend is wat wij nu meemaken aan bereidheid tot samenwerking, niet alleen met producentenorganisaties, maar ook met niet-gouvernementele organisaties, wetenschappers en natuurbeschermingsorganisaties, maar tegelijkertijd is dit ook heel verstandig, toekomstgericht en effectief, hopen we.

Mevrouw Jacobi vraagt wat de inzet is bij de onderhandelingen in verband met de demissionaire status. Dat vind ik een terechte vraag. We hebben deze visie vastgesteld toen het kabinet nog missionair was. Dat is in december vorig jaar gebeurd. Ik ga op basis hiervan Nederland vertegenwoordigen en deelnemen aan het overleg, maar er is nog geen sprake van onderhandelingen, want we krijgen eerst een gespreks- en discussieronde. Op basis daarvan komt de Commissie met voorstellen. Voor mij is daarbij de leidraad deze visie van Nederland, met de uitwerkingssuggesties die vanmorgen zijn genoemd. Laten we hopen dat er eind dit jaar, begin volgend jaar, wanneer de concrete voorstellen worden behandeld, weer een missionair kabinet is dat ook met een missionair mandaat kan onderhandelen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De vorige keer heeft de minister de motie afgewezen om dierenwelzijn op te nemen in het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dat vond de minister voorbarig. Kan zij de Kamer een tip geven wanneer zoiets wel aan de orde zou zijn? Het is genoemd. Ik zie de minister al bladeren in haar boekje. Er is een motie ingediend en zij heeft niet voor niets gezegd dat deze voorbarig is. Als deze volledig zou aansluiten bij wat er in het boekje staat, had zij kunnen zeggen dat de motie ondersteuning van beleid of overbodig is, maar dat was het oordeel niet. Ik wil gewoon weten wanneer we concreet met dit soort zaken kunnen komen. Wil zij de Kamer hierbij helpen?

Minister Verburg: U kunt daar natuurlijk op elk moment mee komen. Dierenwelzijn staat er overigens wel in. Dat hebben we de vorige keer ook gewisseld. Ik geef alleen wel aan dat dit de inzet is. Hier gaat het over wat we willen in het gemeenschappelijk visserijbeleid. Vervolgens is de vraag hoe we dat doen. Dit is de visie van Nederland, die we gaan delen met 26 andere lidstaten en de Europese Commissie. De Europese Commissie komt op basis van de Nederlandse inbreng, maar ook op basis van 26 andere inbrengen met concrete voorstellen hierover. Dan is de vraag wat erin staat, of wij het daarmee eens zijn en hoe wij die doelen gaan realiseren. Op het moment dat er concrete voorstellen liggen van de Europese Commissie, zal ik met de Kamer van gedachten wisselen over hoe deze precies worden ingevuld, welke maatregelen daarbij passen, wie dat gaat doen, wat dat mag kosten, hoe het wordt gehandhaafd. Kortom, dan is de hoe- en wat-vraag aan de orde. U kunt altijd met voorstellen komen, maar ik geef de fasering aan. Daar zijn we op dit moment niet aan toe in de gedachtewisseling in Europa.

De voorzitter: Ik stel voor dat de minister haar betoog vervolgt. Zij was bezig met haar reactie op de inzet van mevrouw Jacobi. Voorlopig sta ik even geen nadere interrupties toe, want er liggen nog veel vragen.

Minister Verburg: Voorzitter. Mevrouw Jacobi heeft gevraagd of er ook innovatieve ideeën worden ontwikkeld over het teruggooien van de discards. Het antwoord is ja. Daarbij kijken we natuurlijk steeds om ons heen of we ook van andere landen in of buiten Europa iets kunnen leren. Zij heeft gevraagd naar het instellen van beschermde gebieden. Daar zijn we voluit mee bezig. Binnen de 12 mijlszone lopen we voor. Er is zelfs al een beheerplan voor één gebied, namelijk de Voordelta. Voor de kustzone loopt nu het proces onder leiding van Jan Heijkoop, die voorzitter is van de organisatie die daarmee bezig is. In de Europese Economische Zone is het proces gestart, met steun van de internationale biologen van ICES. Daarbij werken wij samen met Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en België, zoals mevrouw Jacobi ook vroeg.

Mevrouw Jacobi vroeg net als enkele andere woordvoerders naar de illegale visserij. Per 1 januari van dit jaar zijn de nieuwe regels in werking. Het is een hele operatie om dat te doen, en dat heeft ook weer een heleboel papierwerk opgeleverd. Alle importvis heeft een certificaat, zeg ik ook tegen de heer Koppejan. De bewijslast hierbij ligt bij de vissers en de importlanden. Ik denk dat het verstandig is om het systeem eerst goed op orde te krijgen. Na vier maanden al evalueren of bijstellen is wel heel erg snel. Ik kan mij niet voorstellen dat dit de bedoeling is. De evaluatie moet later, maar laten we er nu voor zorgen dat de implementatie effect gaat opleveren.

Ik ben het eens met de opmerking dat de kennis van vissers beter tot haar recht moet komen. In de visie staat ook dat wij er voorstander van zijn om veel meer te gaan werken met regionale adviescommissies (RAC’s), die tripartiete zijn samengesteld en die komen met meerjarenbeheerplannen. We zien dat de bestaande RAC's voor het Noordzeegebied al hun vruchten afwerpen en dat het bestand van tong, maar ook van haring, zich heel voorzichtig aan het verbeteren is. Dat zijn goede berichten. Het mooie is dat er dan gebruik wordt gemaakt van alle deskundigheid die aanwezig is; van de wetenschap, de niet-gouvernementele organisaties en de vissers. Wanneer zo'n RAC met een unaniem advies komt, vinden wij dat dit vastgesteld moet worden door de Europese Visserijraad en dat dit zo goed als altijd gevolgd moet worden. Dan heb je de partijen aan tafel, overeenstemming over wat er zou moeten en een meerjarig duurzaamheidsperspectief. Zo zou dat kunnen werken. Ik ben er een groot voorstander van. Laten we hopen dat dit ook gerealiseerd kan worden.

Mevrouw Jacobi heeft ook gevraagd of de zeesportvisserij hierbij betrokken zal worden. Ik heb in mijn reactie richting de Commissie aangegeven dat er bij de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid ook specifiek aandacht zou moeten zijn voor de zeesportvisserij.

Mevrouw Jacobi en de heer Koppejan hebben vragen gesteld over het grootschalig afvissen voor helder water. Zij zullen zich realiseren dat dit nodig is omdat het fosfaatgehalte met veel bodemberoerende vissen niet voldoende kan worden teruggedrongen om het water weer helder te krijgen. Daarnaast worden er ook andere maatregelen uitgevoerd, zoals actief biologisch beheer. De bedoeling is dat die afvissing eenmalig plaatsvindt, zodat het bestand wordt uitgedund. Dat moet wel gebeuren overeenkomstig de eisen die de Visserijwet stelt. Dat betekent dat de visrechthebbende voor het schubvisrecht toestemming moet verlenen. De visrechthebbende is meestal een sportvisserijvereniging. Dat is wat geclasht; dat gaat niet goed op alle punten. Ik heb begrepen dat sportvisserijverenigingen hun medewerking aan proeven met biologisch beheer hebben stopgezet. Dat is niet goed, want zij moeten juist samenwerken. Dat heeft ertoe geleid dat de waterbeheerders voor overleg om de tafel gaan zitten met Sportvisserij Nederland, om te kijken of en zo ja op welke wijze men elkaar kan vinden. Laten we dat proces even een kans geven. Ik blijf er dichtbij, omdat ik het van groot belang vind om dat te doen en omdat dit eigenlijk een vingeroefening is voor de visstandbeheercommissies en het ontwikkelen van een visplan.

Afgelopen zaterdag heb ik een buitengewoon inspirerende bijeenkomst meegemaakt, waarbij sport- en beroepsvissers en andere betrokkenen zoals waterbeheerders en overheden elkaar probeerden te vinden in het ontwikkelen van een visplan. Hiervan zijn al boeiende resultaten te melden, maar er zijn ook regio's waar het nog helemaal van de grond moet komen. Degenen die afgelopen zaterdag nog moesten starten, kunnen hopelijk hun voordeel doen met de ervaringen van commissies waar het al wel goed werkt en vruchten afwerpt. Biologisch beheer is dus een aanvullende maatregel.

De heer Koppejan vroeg of wij producerende organisaties willen faciliteren. Ja, voor zover dat een rol is voor de overheid, want het zijn producentenorganisaties. Ik heb al aangegeven dat wij met innovatiesubsidies ook de samenwerking in de keten of met andere partijen stimuleren. We doen ook het een en ander met de kenniskringen. We gaan niet de regie van de producentenorganisatie overnemen, maar dat heeft de heer Koppejan ook niet gevraagd of bedoeld.

De heer Koppejan heeft ook gevraagd hoe het zit met de merknamen schol en tong, die internationaal worden gevist. Die namen zijn op zichzelf beschermd, in de zin dat schol schol moet zijn en dat er geen etiketje tong opgeplakt mag worden. Daarmee is wel eens fraude geweest, maar die moeten we zeer stevig aanpakken. De merknaam is een zaak van de markt. Sommige bedrijven hebben ook eigen merknamen. Wij stimuleren ook de certificering door de Marine Stewardship Council.

De heer Cramer vraagt waar de PO-erkenning voor de gefuseerde producentenorganisatie Garnaal op vastzit. Deze is ter goedkeuring voorgelegd aan de Europese Commissie. Het zit vast op iets financieel-technisch, wat te maken heeft met fondsvorming. Zo gauw er antwoord is van de Europese Commissie, weten ook de producentenorganisaties dat. Dan zou de fusie kunnen worden afgerond.

De heer Koppejan vroeg naar de eisen aan de import van vis. Hierover hebben wij het al eerder gehad. We opereren allemaal wereldwijd binnen de WTO-kaders, die onze vrijheid tot handelen bepalen. Ik geef daarbij aan dat nog niet zo lang geleden met de toenmalige missionaire staatssecretaris van Economische Zaken een overleg heeft plaatsgevonden over de WTO en het belang van de non-tradeconcerns. Bij de non-tradeconcerns zou je aan die eisen inzake duurzaamheid bij vis kunnen denken.

De heer Koppejan heeft ook gevraagd naar de definities. Deze komen terug bij de stand van zaken die zoals toegezegd binnenkort naar de Kamer komt. Hij heeft ook gevraagd naar technische maatregelen en financiële instrumenten. De Commissie doet een voorstel voor een groot pakket, met een basisverordening voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, nieuwe marktordening, nieuwe technische maatregelen en een nieuw financieel instrument. Het wordt dus nog wat om daar uit te komen.

De heer Cramer en anderen vragen om aandacht te besteden aan de handhaving van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid en daar ben ik het zeer mee eens. Een essentieel onderdeel van dit voorstel is om ervoor te zorgen dat er niet allerlei ingewikkelde controleregelingen, met regel op regel en controle op controle, op elkaar worden gestapeld. Een onderdeel van zijn inbreng in december was dat dit moet worden gekanteld, zodat tegen vissers wordt gezegd dat zij een license to operate hebben. Zij krijgen het vertrouwen, maar ook een grote verantwoordelijkheid die zij waar moeten maken. Als zij die verantwoordelijkheid niet waarmaken en de regels overtreden, moeten de sancties zodanig stevig zijn dat zij zeer sterk ontmoedigen. Dat willen wij graag in Nederland, maar dat zal dan ook in andere lidstaten uitgevoerd moeten worden.

Ik zie het punt van de opmerking van de heer Cramer over de garnalenboete van de NMa, maar ik zeg eerlijk dat ik de kans daarop niet groot acht. Een boete is echt een boete. Het is een creatief idee om deze terug te sluizen in de vorm van innovatiesubsidie, maar ik denk dat de heer Cramer er ook niet enthousiast over zou zijn als we dat in Europa zouden inbrengen voor zuidelijke lidstaten, zoals in Frankrijk wat betreft aal, om een voorbeeld te noemen.

De heer Cramer vraagt naar steun voor een opleidingsschip. Ik ken die specifieke situatie niet. Ik weet wel dat er een opleidingsschip is waaraan ik zelf een MSC-certificaat heb uitgereikt. Dat was het schip van Louwe de Boer. Ik weet niet of wij het over hetzelfde hebben, maar ik ben zeer onder de indruk van de wijze waarop de familie De Boer, want dat is echt een familiebedrijf, vormgeeft aan hun innovatie- en verduurzamingsopgave. Zij kennen de uitdagingen van de toekomst, zijn gewetensvol bezig en laten weten dat zij ook graag een rol spelen bij het opleiden van jonge mensen in de visserijsector.

Verschillende leden hebben gevraagd naar de recreatieve staandwantvisserij. Ik heb geprobeerd om hiervoor een mooie oplossing te vinden. De Kamer heeft erop aangedrongen om bij de aanpak een onderscheid te maken tussen de Noordzeekust en de Waddenkust. Daarvan heb ik gezegd: laat ik dat nu eens niet vanuit Den Haag doen, want dat gaat niet goed, maar bekijken of er een regionale oplossing gevonden kan worden die past binnen de geldende Europese en nationale wetgeving. Ik heb die vraag voorgelegd aan de gedeputeerde Hollenga van Groningen, die de trekker is voor de drie noordelijke provincies. Zoals bekend zal het verbod begin volgend jaar ingaan, maar als hij komt met voorstellen die passen binnen de Europese en de nationale wetgeving, om deze zaken langs de Waddenkust op een recreatieve manier voort te zetten, ben ik daar zeer welwillend in. Daartoe heb ik hem uitgenodigd en hij en zijn mensen zien dat als een uitdaging. Zij komen zeer waarschijnlijk met concrete voorstellen.

De heer Polderman vraagt nog naar het Noordzeebestemmingsplan, waarover wij het al eerder hebben gehad. Dat wordt gevormd door het Nationaal Waterplan, dat is te lezen als een structuurvisie voor de Noordzee. Daarmee zijn de ruimtelijke kaders voor de Noordzee duidelijk.

De heer Polderman en mevrouw Snijder vroegen naar de visserijpartnerschappen tussen de EU en derde landen. Hierover zijn in de afgelopen periode verschillende vragen gesteld. Ik heb in de visie aangegeven dat ik mij hard wil maken voor verduurzaming van alle visserij, dus niet alleen in de Europese, maar ook in de niet-Europese wateren, zeker als Europese schepen daar vissen. De EU-partnerschappen zijn een belangrijk instrument om bij te dragen aan verduurzaming in derde landen. Daarnaast kunnen zij bijdragen aan voedselzekerheid en zelfredzaamheid. Dat is een ander beleid dan het Europees gemeenschappelijk visserijbeleid, maar bij de hervorming van dat beleid moet meegenomen worden dat Europa zich ook voor die elementen moet gaan inzetten.

De heer Polderman heeft ook gevraagd naar samenwerking met Noorwegen, maar daar heb ik al antwoord op gegeven. We zullen samen met Noorwegen het bestandsbeheer evalueren, dus we zitten nog wel eens om de tafel met de Noren.

Verschillende Kamerleden hebben gevraagd naar de bruinvissen, waar veel onderzoek naar wordt gedaan. De resultaten daarvan laten nog even op zich wachten. De samenwerking tussen de vissers, de wetenschap en de ngo's is sterk verbeterd. Er is ook een rapid alert system opgezet, zodat we meer inzicht krijgen in het biologisch gedrag van deze dieren. Meer inzicht is ook nodig om de strandingen te kunnen analyseren. Daarbij zou je ook kunnen denken aan een vrij stevige verbetering van het aantal bruinvissen, maar laten we het resultaat van het onderzoek maar afwachten.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd naar Cites en de blauwvintonijn. We hebben niet het voorstel van Malta gevolgd, maar Malta heeft aangegeven teleurgesteld te zijn dat enkele lidstaten, waaronder Nederland, tijdens de Citesconferentie afwijkend van het EU-standpunt heeft gestemd. Ik heb aangegeven dat ik zeer hecht aan een Europees optreden. Europa heeft ook zelf het boetekleed aangetrokken, zoals mevrouw Ouwehand al heeft gezegd. Het mandaat is te laat en te krap vastgesteld. Wellicht moet er iets meer coördinatie tijdens de conferentie zelf zijn. Tijdens de afgelopen Landbouw- en Visserijraad heb ik hierover gesproken met de Maltese collega. Hij was teleurgesteld in het Nederlandse standpunt, maar hij waardeerde het dat Nederland er openlijk voor uitkwam, want hij zei dat meerdere collega's stilletjes tegen Malta hadden gestemd, want zo voelde hij dat.

Dan heeft mevrouw Ouwehand nog iets over de procedure. We hebben hier al bij stilgestaan, maar ik zal er nog één ding over zeggen. Mevrouw Ouwehand is er even niet, maar ze zal het verslag lezen. Ik maak een beetje bezwaar tegen wat zij zegt. Zij zegt dat zij meer zicht wil hebben op de ambtelijke colonne. Wij hebben de goede omgangsvorm dat de Kamer mij kan bevragen. Ik ben verantwoordelijk voor elke ambtenaar die bij en namens mij werkt. Als men ergens iets over heeft, spreekt men mij daarover aan en dan geef ik daar antwoord op. Ik ben daar hoe dan ook voor verantwoordelijk. Ik werp de suggestie van mevrouw Ouwehand dat ambtenaren op eigen houtje opereren en maar wat doen, verre van mij. Dat gebeurt niet. Er wordt ordentelijk gewerkt. De verantwoordelijke minister, al dan niet in kabinetsverband, stelt de instructie op, waaraan een delegatie zich heeft te houden. Daarover kan de Kamer te allen tijde met mij overleggen en dat doet zij ook vrij regelmatig.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik heb nog een paar punten. Over de staandwantvisserij heb ik samen met de heer Polderman een motie ingediend. De bedoeling was dat er juist wel centraal gestuurd gaat worden op het Noordzeedeel. Ik ben daar nog steeds niet tevreden over. Wij hebben er steeds bij gezegd dat er sprake is van een onvergelijkbare situatie bij de kleinschalige beroepsvissers en de recreatievissers op de Waddenzee. Ik zou heel graag aan de heer Hollenga de gedachte van een contract mee willen geven, zoals bestaat voor de Wadvaarders over de natuurgebieden die zij mogen betreden. Ik wil ook graag weten wat voor tijdpad erop zit. Wanneer komt de heer Hollenga met een voorstel?

Mijn tweede punt is het actief biologisch beheer. Het lijkt erop of het antwoord van de minister inhoudt dat het eenmalig drastisch uitdunnen de norm is, maar ik denk dat dit bij heel grote uitzondering en heel terughoudend moet worden toegepast. Dat signaal komt er bij de sector niet uit. Ik wil dan ook graag dat er harde voorwaarden worden gedefinieerd op grond waarvan in de regio kan worden gestuurd. Men zou eerst eens moeten afwachten wat de effecten zijn van dat eenmalig drastisch uitdunnen van de visstand, want dat heeft nog nooit geleid tot meer helder water. Misschien zou je stabilisatieperiodes moeten inlassen. Ik wil dus eigenlijk dat de minister wel zelf het voortouw gaat nemen. Verder wil ik weten wanneer het resultaat van het onderzoek naar bruinvissen komt.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Dank voor de antwoorden van de minister. Mijn eerste vraag is waarom Europa niet dezelfde eisen op het gebied van duurzaamheid zou mogen stellen aan importvis en voedselveiligheid als aan de eigen vissers worden gesteld. Kan de minister uitleggen waarom Europa dan in conflict zou komen met de WTO?

De minister is niet ingegaan op de Noordzee-RAC en de problematiek van de Doggersbank. Daar ontstaat nu een heel onduidelijke situatie, omdat allerlei landen zelf initiatief nemen en er nauwelijks coördinatie is. Mijn vraag is of Nederland het initiatief wil nemen om dat aan de orde te stellen, bijvoorbeeld bij het Belgisch EU-voorzitterschap.

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de minister voor de vrij uitgebreide beantwoording, waar ik eigenlijk wel goed mee uit de voeten kan. Ik denk dat het in lijn is met wat wij eerder hebben besproken. Het is een beleid in ontwikkeling waarover wij nog vaak zullen spreken. Ik mis nog het antwoord op mijn vraag of er eerst haalbaarheidsonderzoek gedaan kan worden naar verduurzaming van het vlotenplan van de sector. Ik denk dat het belangrijk is om dat toch van de grond te tillen in het kader van de verduurzaming.

Ik snap het bezwaar van de minister bij de boete van de NMa, maar het is een enorm bedrag voor de sector, die volop inzet op verduurzaming. Door die boete wordt de sector weer teruggezet. Ik snap haar bezwaar en dat deel ik ook wel, maar toch vraag ik de minister of zij bereid is om er werk van te maken om deze boete, als deze niet wordt kwijtgescholden, in te zetten voor innovatie.

Ik vond die informatie over dat opleidingsschip buitengewoon interessant, maar het is mij niet bekend of dat van Louwe de Boer is. Dit moet gesteund worden en worden gebruikt voor de opleiding van nieuwe mensen in het kader van duurzaamheid. Als ik hierover meer informatie heb, zal ik mij weer bij de minister melden.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Ik dank de minister voor de antwoorden. Ik blijf een probleem hebben met de focus van de minister als het gaat om de rol van marktwerking in het Europese landbouwbeleid. Hierover is wel enige discussie in Europa, maar ik zie dat de minister heel erg gericht blijft op de zegeningen van de concurrentie. De mededingingswetgeving en de NMa zijn gericht op bescherming van de consument, terwijl de producent daardoor in de problemen komt. Ik vind dat wij toch een groot vraagteken moeten zetten bij het vrijemarktprincipe als het gaat om de voedselvoorziening. Over de instrumenten die de Europese Unie heeft om regulerend op te treden, zegt de minister dat het vangnet geen hangmat moet zijn maar een trampoline. Dat betekent dat er toch al heel vlug weer wordt gedacht aan de zegeningen van de vrije markt. Ik denk dat de crisis die wij nu meemaken, beter zou moeten leren.

De voorzitter: Laatste punt.

De heer Polderman (SP): Ik ben ontevreden met de antwoorden die de minister geeft op mijn vragen over de Amflora-aardappel van BASF. De minister zegt dat dit al een tijd gaande is. Het punt is dat COGEM niet heeft geadviseerd over de commerciële toepassing op grote schaal van deze aardappel, als het gaat om resistentie tegen antibiotica. De risico's dat dit op een gegeven moment in de voedselketen komt, zijn niet voldoende onderzocht. Ik vind het jammer dat de minister zegt dat dit traject is gelopen. Zij weet ook dat het heel lang duurt voordat dit is goedgekeurd. Het is pas onlangs goedgekeurd in Europa. Daarin zit nog een gat. Ik hoop dat de minister hierop nog antwoord gaat geven.

De voorzitter: Dank u wel. Het woord is aan de heer Van der Vlies.

De heer Polderman (SP): Ik weet niet waarom u zo zit te jakkeren en te jagen, want we hebben tot half een.

De voorzitter: Oké, dan mag u uw laatste zin afmaken.

De heer Polderman (SP): Mijn laatste zin gaat over twee dingen. De minister zegt dat het biologisch beheer inderdaad wat vooruit is geschoven. Is de minister het met mij eens dat we moeten oppassen dat het niet in de zomer valt? Als de temperatuur te hoog wordt, is het te laat om vis uit te vissen en ergens anders uit te zetten. Misschien moet je dan zeggen dat het helaas een jaar moet worden uitgesteld, want anders krijg je ongelukken.

Over de staandwantvisserij ben ik het met mevrouw Jacobi eens. Ik heb ook samen met haar vragen gesteld en een motie ingediend. Het Rijk moet gewoon de kaders stellen. Ik vind het prima dat de minister de ruimte geeft aan de gedeputeerde, maar zij moet wel uitleggen wat de ruimte volgens het Rijk is, want anders stuurt zij iemand gewoon het bos in en dan is het maar de vraag of hij er ooit nog uitkomt.

De voorzitter: Excuus, ik dacht dat we tot twaalf uur hadden, maar dat komt ongetwijfeld doordat de Landbouwraad als zodanig een andere plek heeft gekregen dan gebruikelijk is.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar reactie. Kortheidshalve sluit ik mij aan bij twee punten die al genoemd zijn. Ik voeg mij bij de opmerking van collega Koppejan over de certificaten op importvis, vergeleken met de normstelling waaraan wij moeten voldoen. Dat doe ik ook wat betreft de problematiek van de Doggersbank.

Op één punt wil ik wat scherper weten hoe het precies zit. In de transportverordening, die eind 2008 is ingegaan, is geen onderscheid gemaakt tussen het transport van bedrijfsmatig gehouden dieren en hobbydieren, en dat knelt. De minister zegt dat de sector erover na gaat denken en met voorstellen komt die kunnen leiden tot aanpassingen als de verordening weer ter discussie staat. Hoe steekt dat tijdpad nu in elkaar? Ik krijg toch wel vervelende signalen uit de sector. Dit zou snel opgelost moeten worden. Ik weet niet precies wat de marges zijn, vandaar mijn nadere vraag.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Dank voor de beantwoording in eerste termijn van de minister. Ook dank voor het heldere signaal van de minister dat een vangnet en interventie ook na 2013 nodig zijn. Een trampoline en geen vangnet, dat is een heel mooie, heldere uitspraak, waarvoor dank.

Dan kom ik op de uitvoering van die motie. Ik blijf erbij dat het allemaal prachtig is. De minister noemt al onze fiscale regelingen en de regelingen van andere lidstaten, maar dat zijn allemaal zaken die gewoon worden getoetst in Europa, dus die worden betrokken bij de afweging of de concurrentiepositie is aangetast. Het gaat juist om kosten of andere zaken die niet getoetst worden, maar die wel gebeuren. Ik blijf erbij dat het ontzettend jammer is dat dit deel van de motie niet wordt uitgevoerd. Als de minister zich niet in staat acht om dat te doen, denk ik dat de VVD-fractie zelf die handschoen maar moet oppakken, want ik ben er echt van overtuigd dat dit boven tafel te halen moet zijn. We moeten helder in beeld hebben welke kosten andere lidstaten aan de sector doorberekenen en hoe dat zich verhoudt tot de Nederlandse agrocluster.

Wat betreft de visserij sluit ik mij helemaal aan bij de opmerking van de heer Koppejan over de Doggersbank. Daarover maak ik mij ook zorgen, ook in relatie met de discussie over Natura 2000 en de aanwijzing van de gebieden in de Noordzee. Ik sluit mij ook aan bij de opmerking van mevrouw Jacobi dat de kaders en het tijdpad bij de staandwantvisserij helder moeten zijn, want anders zie ik het zwerk drijven dat er helemaal niets uitkomt.

Verder vind ik dat Europa wat scherper zou moeten inzetten wat betreft de visserij bij Mauritanië. De minister schrijft dat er een risico is dat de aanwezigheid van grootschalige buitenlandse visserij schadelijk is voor de lokale economie. We weten dat door Europa 76 mln. aan Mauritanië wordt overgemaakt en dat daarnaast ook nog 13,5 mln. wordt gegeven om visrechten te kopen. Het gaat om geweldige bedragen. Dat zou allemaal prachtig zijn, als het ook echt ontwikkelingssamenwerking was, maar de minister schrijft zelf ook dat er risico’s zijn voor de ontwikkeling van de lokale economie. Dan denk ik toch dat Europa op dit onderwerp scherper moet laveren en handelen. Ik hoop dat de minister dat in de Europese discussie wil meenemen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Allereerst de verwarring over Monaco of Malta als het gaat om de blauwvintonijn. Ik wil graag weten of de minister ook haar teleurstelling heeft uitgesproken dat de EU niet als geheel dat voorstel ...

De voorzitter: De minister is daar uitgebreid op ingegaan toen u weg was.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Oké, excuus daarvoor, ik moest echt even de handen wassen. Voor de zekerheid vraag ik nog even of de minister heeft toegezegd te willen pleiten voor een handels- en invoerverbod in de EU voor blauwvintonijn.

Mijn collega van de VVD heeft het antwoord over de ambtelijke afstemming doorgegeven, waarvoor dank, maar het probleem is breder. Er is zelfs promotieonderzoek verschenen waaruit blijkt dat er een fundamenteel hiaat zit, om het voorzichtig te formuleren, tussen de grip die nationale parlementen, maar ook vakministers zelf hebben op wat er uiteindelijk in de delegaties besproken wordt. Dat gaat lang niet altijd goed. Ik kan mij niet voorstellen dat de Nederlandse regering zo'n signaal naast zich neerlegt. Bij Cites hebben wij als illustratie concreet aan den lijve mogen ervaren dat er hier en daar wat misgaat. Ik vraag niet alleen deze minister, maar de hele regering, om hiervoor voorstellen te doen. Ik hoop eigenlijk op een meer bereidwillige houding wat dit betreft.

De voorzitter: Ik kijk even of de collega's Jacobi en Koppejan nog dingen hadden willen noemen die zij niet hebben genoemd vanwege de door mij veronderstelde tijdsdruk.

De heer Koppejan (CDA): Bij de waterkwaliteit vraag ik mij werkelijk af of het leegvissen in verhouding staat tot het doel van schoner water.

Minister Verburg: Voorzitter. Dank voor de inbreng in tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik loop de punten langs. Mevrouw Jacobi, de heer Polderman en mevrouw Snijder hebben gesproken over de staandwantvisserij. Voor de helderheid, ik heb in eerste termijn aangegeven, en ik herhaal dat graag, dat de noordelijke provincies ruimte krijgen binnen de landelijke en de Europese kaders. Zij kunnen dus komen met voorstellen en deze worden in de herfst van dit jaar verwacht. Door deze voorstellen kan bij de start van het verbod per 1 januari 2011 een maatwerkoplossing worden gevonden. Als ik tegen de noordelijke provincies zeg dat zij binnen deze kaders kunnen komen met voorstellen, ga ik niet precies voorschrijven of dat met een contract moet of niet, maar het moet zo zijn dat de afspraken helder zijn voor iedereen, dat zij zorgvuldig zijn gemaakt en dat zij handhaafbaar zijn. Naleving en handhaving zijn natuurlijk van groot belang, want anders komen we van de regen in de drup. Daar wordt onder leiding van de heer Hollenga aan gewerkt. Ik kan mij voorstellen dat de Kamer het op prijs stelt om in het najaar, als de voorstellen er zijn, op de hoogte gebracht te worden. Dat wil ik graag doen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Is dat in september?

Minister Verburg: Dat weet ik niet, maar willen we voorkomen dat het verbod op 1 januari 2011 ingaat, dan voelen de noordelijke provincies ook wel dat we voor die tijd met maatregelen moeten komen. Ik kan mij voorstellen dat er de komende tijd wat verloven zijn ingetrokken.

Verschillende woordvoerders hebben gesproken over de uitdunning. Ik begrijp dat zij kritiek hebben, maar ik wijs erop dat we nu een stap verder zijn. We hebben gezien dat het niet werkt zoals de waterbeheerders hebben gemeend dat het zou moeten werken. De sportvisserij heeft de medewerking daaraan opgezegd. Dat betekent dat ernaar gekeken moet worden. Het is niet de bedoeling dat er sprake is van leegvissing. Daar is helemaal geen sprake van, maar het is een probleem dat opgelost moet worden. De mensen zitten nu aan tafel. Ik blijf erbij in de buurt, maar de spelers hebben zelf de verantwoordelijkheid om deze zaak op te lossen. Ik vind de opmerking van de heer Polderman relevant; dat je moet oppassen dat je deze activiteiten niet doet in een periode van het jaar waarin dat schadelijk kan zijn voor vissen. Sowieso zal daar rekening mee moeten worden gehouden, want ik vind dat er zo weinig mogelijk destructie moet plaatsvinden. Als je vissen op de ene plek opvist en elders wilt uitzetten, want die mogelijkheden zijn er, zul je moeten bezien of zij in die wateren passen en of er geen risico’s zijn in verband met ziekte, besmettingen en al dat soort dingen. Dat luistert nauw. Het gaat om een eenmalige aanpak. De verantwoordelijken moeten er uitkomen. Ik blijf zelf op de hoogte en ik zeg toe dat ik de Kamer op de hoogte zal houden. Ik denk dat we moeten oppassen dat dit soort dingen in het ministerie of in de Kamer uitgevochten moeten worden. Dit is een opdracht die de partners gezamenlijk aan de tafel moeten oplossen. Als partijen zich niet realiseren dat zij er met elkaar uit moeten komen, gaat dit nodeloos lang duren en dan lijdt de visstand eronder. Dan hebben we meer verliezers dan we zouden moeten willen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik geloof dat de norm is om eenmalig drastisch uit te dunnen tot soms wel 95% van de visstand. In mijn beleving moet deze maatregel heel terughoudend worden toegepast. Je moet er onder heel veel strikte voorwaarden aan beginnen, en mogelijk ook veel later dan nu. Je zou bijvoorbeeld eerst bij een veel geringere mate van uitdunning moeten afwachten of er na een periode van drie tot vijf jaar helder water komt. Tot op heden heeft het geen enkel effect gehad.

De heer Koppejan (CDA): Ik sluit mij graag aan bij de opmerking van mevrouw Jacobi. Deze maatregel wordt uitgevoerd binnen de Kaderrichtlijn Water. Dat is nadrukkelijk een overheidstaak, dus de minister is daarvoor wel degelijk verantwoordelijk, met haar collega. Ik vraag mij af of de waterkwaliteit in de gebieden waar deze maatregel wordt toegepast, werkelijk zo verschrikkelijk slecht is dat dit soort maatregelen worden gevergd. Staat deze maatregel wel in verhouding tot het beoogde doel?

Minister Verburg: Nu komen we in wat gevaarlijk vaarwater. Deze maatregel is bedacht omdat de doelstelling van de Kaderrichtlijn Water is dat het water helderder moet worden. Dit is niet iets wat op grote schaal plaatsvindt, maar dit is een experiment. Er wordt verwacht dat de verhouding tussen de prijs en het te verwachten effect bij deze maatregel is dat deze ook kosten kan besparen. Ik kan het niet anders zien dan dat we de komende jaren met elkaar doelen willen bereiken, maar dat er nergens wat extra miljarden aan een boom groeien. We zullen het met minder moeten doen om toch dat effect te bereiken. Natuurlijk ligt de eindverantwoordelijkheid bij de rijksoverheid. Natuurlijk zullen mijn collega van Verkeer en Waterstaat en ik erbij blijven. Als er praktische oplossingen worden gevonden, en ik sluit niet uit dat deze worden gevonden, zou dat een win-winsituatie kunnen betekenen. Dat zou een investering zijn in vertrouwen in de visstandbeheercommissies. Het zou een goede stap zijn in de richting van een visplan. Het is goed dat spelers die te maken hebben met dit soort ontwikkelingen, met elkaar aan tafel zitten om te bekijken hoe dat op een heel zorgvuldige wijze kan plaatsvinden. Mijn indringend verzoek aan de Kamer is om verstandig te zijn en de spelers even de gelegenheid te geven om eruit te komen. Ik heb gezegd dat ik op de hoogte zal blijven en dat ik de Kamer op de hoogte zal houden. Het gaat hier om experimenten die heel zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Laat deze dan ook even een kans krijgen.

De heer Koppejan heeft gevraagd waarom wij niet dezelfde duurzaamheidseisen stellen aan invoer als aan eigen productie. Dat heeft te maken met de WTO-regels. Deze staan niet toe om onderscheid te maken naar productiemethode. Dat geldt voor duurzaamheid, maar ook voor dierenwelzijn. Om die reden zet het kabinet in op het internationaal agenderen van de zogenaamde non-tradeconcerns. De Europese Commissie heeft dit in de lopende onderhandelingen ingebracht, dus er wordt aan gewerkt, maar het kan nu nog niet.

De heer Koppejan heeft ook gevraagd naar de Doggersbank. Wij nemen het initiatief voor de beschermde gebieden. Bij het beheer moeten we samen met andere landen optrekken en dat doen we ook. De vraag is of we dat dan weer bij de Europese voorzitterschap van België moeten leggen. We coördineren dat als er een gezamenlijk belang is en die samenwerking tussen de Europese lidstaten gaat goed.

De heer Polderman heeft nog een vraag gesteld over de Amflora-aardappel. Ik wijs hem erop dat de COGEM in 2007 tot de beoordeling is gekomen dat deze geen onaanvaardbare risico’s met zich brengt, dus die beoordeling is er wel degelijk geweest. Hij heeft hierover ook schriftelijke vragen gesteld. Ik zeg toe dat deze volgens de regels worden behandeld.

De heer Cramer heeft gevraagd naar de verduurzamingsslag bij het vlootplan van de sector. Hij vraagt naar een haalbaarheidsonderzoek. Dat loopt op dit moment. We steunen de sector daarin. Wij steken er zelf wat geld in en het Innovatieplatform doet dat ook. De haalbaarheidsstudie zal zeer waarschijnlijk voor de zomer worden afgeleverd.

De heer Van der Vlies heeft nog een vraag gesteld over onderscheid tussen hobbydieren en bedrijfsmatige houderij bij transport. Dat moet echt bij de herziening van de Transportverordening. Tot die tijd zullen we een praktische oplossing moeten zoeken. Hij vraagt wanneer die herziening zal plaatsvinden. Ik heb het tijdstraject even niet scherp, maar ik zal dit de volgende keer op de agenda van de Landbouwraad zetten, zodat de Europese Commissie nog even scherp op het netvlies heeft dat het er moet komen, en we ook een tijdsindicatie hebben.

De heer Van der Vlies (SGP): Dit loopt al twee jaar.

De voorzitter: De minister zegt toe dat zij dit op de eerstvolgende bijeenkomst van de Landbouw- en Visserijraad op de agenda zal zetten en die is al in mei.

Minister Verburg: Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat ik mij al enige tijd sterk maak voor een handel- en invoerverbod in Europa. Er is geen meerderheid voor een dergelijk maatregelenpakket, maar ik blijf me daarvoor inzetten.

Over de ambtelijke werkwijze heb ik in eerste termijn gezegd dat zij mij verantwoordelijk kan houden. Ik wil daar op elk moment met haar over spreken. Ik ben verantwoordelijk voor de ambtelijke werkwijze. Ik heb ook aangegeven hoe instructies tot stand komen. Als zij daar iets over heeft, kan zij mij daarop aanspreken, maar zij moet niet zomaar zulke oordelen hebben over ambtelijk op eigen houtje werken. Dan ben ik daarop aanspreekbaar en daarvoor verantwoordelijk. Dat is eigenlijk een korte samenvatting van wat ik in eerste termijn al heb gezegd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik maak wel bezwaar tegen die suggestie. Ik heb de vorige keer duidelijk aangegeven welke signalen wij hadden gekregen en gevraagd hoe het zit, dus ik heb dat vragend gesteld. Ik verwijs naar het promotieonderzoek dat onlangs is verschenen, waarin is vastgesteld dat de ambtelijke colonne in veel gevallen niet in de touwen te krijgen is. Dat lijken me objectieve gegevens, dus ik zou de suggestie van de minister dat ik dit zomaar even zou beweren wel van tafel willen hebben.

Minister Verburg: Ik ken dat promotieonderzoek niet, maar gesteld dat dit de conclusie ervan is, dan nog is de minister verantwoordelijk en aanspreekbaar.

De voorzitter: Ik concludeer dat de minister heeft toegezegd dat dit najaar de rapportage van de gedeputeerde Hollenga over de staandwantvisserij naar de Kamer zal komen, zodra de noordelijke provincies eruit zijn.

Over het experiment met uitdunning voor helder water heeft de minister toegezegd dat zij wordt geïnformeerd zodra de ketenpartijen afspraken hebben gemaakt en dat zij de Kamer hierover zal informeren.

Minister Verburg: De partijen zitten om de tafel. Het zijn geen ketenpartijen, maar het zijn de beheerpartijen die bij de visstandbeheercommissies betrokken zijn. Zodra er nieuws is, meld ik dat aan de Kamer.

De voorzitter: Ten slotte heeft de minister aan de heer Van der Vlies toegezegd de transportproblematiek op de agenda te zetten van een van de eerstvolgende Landbouwraden, en dat komt dan uiteraard op papier te staan.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik overweeg een motie over actief biologisch beheer, omdat ik mij daarover heel ernstige zorgen maak.

Minister Verburg: Ik wil mijn hand niet overspelen, maar ik begrijp dat mevrouw Jacobi vraagt op welke termijn dat komt. Laat ik u toezeggen dat ik u daarover in de loop van mei zal informeren.

De heer Koppejan (CDA): Tot die tijd vinden er geen acties plaats met betrekking tot het ontvissen?

Minister Verburg: Dat is de vraag. Zo gauw er nieuws is, hoort u natuurlijk eerder van mij. Wanneer de spelers het met elkaar eens zijn over een zorgvuldige aanpak, zie ik geen aanleiding om dat te verbieden, maar voorwaarde is natuurlijk wel dat zij het met elkaar eens worden.

De voorzitter: Het is nu april. Ze zijn het nog niet eens. De minister zegt toe dat een en ander in mei naar de Kamer komt, zodra er duidelijkheid is.