Kamerstuk 21501-309

Verslag van een algemeen overleg

De Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 28 februari 2013

Gepubliceerd: 4 april 2013
Indiener(s): Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen: europese zaken internationaal organisatie en beleid sociale zekerheid werk zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-31-309.html
ID: 21501-309

Nr. 309 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 4 april 2013

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 27 februari 2013 overleg gevoerd met minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:

  • de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 22 februari 2013 met geannoteerde agenda Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 28 februari 2013 (21 501-31, nr. 305).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken, Van der Burg

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Post

Voorzitter: Mei Li Vos

Griffier: Lips

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Mei Li Vos, Kerstens, Van Nieuwenhuizen-Wijbenga, Van Weyenberg en Ulenbelt

en minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 10.00 uur

De voorzitter: Goedemorgen allemaal in deze goed gevulde zaal. Ik heet de geachte afgevaardigden van harte welkom bij dit algemeen overleg over de Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, evenals de minister, zijn medewerkers en de mensen in de zaal. Ik stel een spreektijd voor van ongeveer vijf minuten per woordvoerder, al zal ik daaraan niet al te strak vasthouden.

Ik geef de heer Kerstens het woord.

De heer Kerstens (PvdA): Voorzitter. Op de agenda van dit algemeen overleg staat een aantal stukken dat betrekking heeft op de Informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid die onlangs in Dublin heeft plaatsgevonden. Verder staat er een aantal stukken op de agenda dat betrekking heeft op de Formele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid die overmorgen in Brussel plaatsvindt. Daar de meeste onderwerpen op 7 februari in Dublin aan de orde zijn geweest als een soort voorbereiding op de Raad van vrijdag, focus ik mij daarop. Ik volg daarbij de ons toegezonden geannoteerde agenda, wat wel zo handig is. Op die agenda staat opnieuw de zogenaamde jeugdgarantie. Dat is misschien een enigszins misleidende term omdat natuurlijk niemand eeuwig jong blijft, ook niet met een garantie. Die garantie ziet er wel op dat alle jongeren tot de leeftijd van 25 jaar een baan, een vervolgopleiding of bijvoorbeeld een stageplek aangeboden krijgen binnen vier maanden nadat ze het formele onderwijs hebben verlaten of ze werkloos zijn geworden. Althans, ik lees het zo dat de lidstaten zich inspannen om zo'n aanbod aan jongeren te doen. Het gaat immers om een aanbeveling, om een aansporing.

In de geannoteerde agenda lees ik dat het kabinet vindt dat het probleem van jeugdwerkloosheid in een aantal lidstaten zodanig groot is dat het gerechtvaardigd is dat Europese aandacht voor de bestrijding daarvan tot prioriteit wordt verheven. Doelt het kabinet met «een aantal lidstaten» alleen op landen als Griekenland en Spanje of bedoelt het aan te geven dat ook Nederland daartoe inmiddels behoort met het onlangs opgelopen percentage werkloze jongeren tot 15%?

Ik pak er bij wijze van spreken het verslagje van de Informele Raad uit Dublin bij. Daarin las ik dat sommige lidstaten een langere termijn wensten dan de eerder genoemde termijn van vier maanden. Behoorde Nederland ook tot die landen? Zo ja, waarom?

Uit de stukken blijkt dat de Commissie van mening is dat maatregelen, als die er komen, door lidstaten snel zouden moeten worden ingevoerd. Tijdens de begrotingsbehandeling heeft de PvdA een motie ingediend die is aangenomen. Daarin wordt het kabinet verzocht, aangespoord of, zo u wilt, opgeroepen om actie te ondernemen met als doel, de jeugdwerkloosheid in Nederland aan te pakken. Ik heb gezien dat de minister vervolgens als de wiedeweerga, namelijk al in die week, overleg heeft gevoerd met de sociale partners – het was het zogenaamde «midwinteroverleg» – en dat hij in de kabinetsbrief van 19 december melding maakte van het beschikbaar komen van een bedrag van ongeveer 100 miljoen euro voor plannen van sociale partners die bijvoorbeeld betrekking hebben op jongeren. Loopt het inmiddels storm met aanvragen van de sociale partners met goede ideeën om een deel van het geld te benutten voor het aan het werk krijgen of houden van jongeren? Heeft de minister het idee dat hij met die brief invulling heeft gegeven aan de motie die wij tijdens de begrotingsbehandeling hebben ingediend? Of zit er meer in het vat zodat, als de aanbeveling van de raad wordt overgenomen, Nederland inderdaad snel tot invoering van maatregelen kan overgaan, wat de Commissie wenst?

Ik kom op het zogenaamde Europees semester. Ik vraag mij af of inmiddels, twee dagen voor de raad, wel duidelijk is met welke vragen het Iers voorzitterschap het debat dat vrijdag wordt voorzien, wenst te structureren of daaraan een richting wenst te geven. Mocht dat inmiddels duidelijk zijn, dan hoor ik graag van de minister wat de standpunten van Nederland daarover zijn. Ik heb overigens goede nota genomen van de punten die Nederland desnoods uit eigen beweging wil inbrengen. Mijn fractie onderschrijft die punten. Het doel van het Europees semester is het economische beleid en het begrotingsbeleid van de lidstaten beter op elkaar afstemmen en daaraan wat meer sturing geven aan de hand van «lande specifieke aanbevelingen». De PvdA-fractie vindt het van belang dat het ook van Nederland gevraagde nationale hervormingsprogramma tijdig naar de Kamer wordt gestuurd, zodat we daarover goed met elkaar van gedachten kunnen wisselen voordat de post naar Brussel gaat. Ik wijs hierbij overigens op de brief van de drie vakcentrales te weten FNV, CNV en MHP van 25 februari. Ook naar de mening van de PvdA kan het niet zo zijn dat Brussel de sociale partners buitenspel zet, om het zo maar te zeggen, als het zaken betreft ten aanzien waarvan zij een rol en een verantwoordelijkheid hebben, bijvoorbeeld hervormingen op de arbeidsmarkt of de loonontwikkelingen. Ik weet dat de minister daarover dezelfde gedachte heeft, maar het zou wellicht goed zijn als hij dat hier nog eens klip-en-klaar bevestigde. Ik ga er overigens wel van uit dat sociale partners hun rol pakken en hun verantwoordelijkheid nemen.

Mijn laatste punt betreft de sociale dimensie. Ik ben het eens met de kabinetsinzet zoals die is omschreven in de geannoteerde agenda. Tijdens het overleg dat we onlangs hadden ter voorbereiding van de Informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid heeft de minister aangegeven dat het kabinet bij de bestrijding van uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing van de inzet van buitenlandse arbeidskrachten inzet op een nationale, bilaterale en supranationale, een Europese, aanpak. Kan de minister kort melden of er voortgang geboekt is op het terrein van die bilaterale en Europese aanpak en zo ja, welke dat is?

De heer Ulenbelt (SP): De heer Kerstens wees terecht op de brief van gisteren of eergisteren van de vakcentrales. Trekt hij daaruit ook de conclusie dat we moeten stoppen met die hervormingscontracten met Europa? Sommigen spreken al van wurgcontracten. Als je die contracten niet afwijst, loop je immers in een fuik en komt de vakbeweging in een bepaalde positie terecht. Dat wil de heer Kerstens toch ook niet?

De heer Kerstens (PvdA): Of het laatste automatisch het geval is, weet ik niet. Volgens mij gebruikt men niet steeds het woord «contracten». Ik weet dus niet of het is zoals de heer Ulenbelt stelt, maar ik hoor wel graag van de minister of hij met mij van mening is dat Brussel niet dwars door zaken heen moet fietsen die tot het domein van de sociale partners behoren. Ik heb er overigens bij gezegd dat ik ervan uitga dat de sociale partners die rol oppakken en dat zij die verantwoordelijkheid ook nemen. Denk bijvoorbeeld aan de uitnodiging die er ligt voor de sociale agenda.

De heer Ulenbelt (SP): Het is altijd interessant om de mening van de minister te horen. Het gaat er echter om wat de positie van Nederland wordt. Dat wat de Partij van de Arbeid daarover zegt, is in de gegeven omstandigheden nogal belangrijk. Betekent dit dat, als het er ook maar enigszins op lijkt dat Merkel iets te zeggen krijgt over het indexeren van lonen in België – ik noem maar wat – dat de Partij van de Arbeid in Nederland zegt: no way, dan kappen wij ermee? Is dat een politieke conclusie die de heer Kerstens nu al zou kunnen trekken?

De heer Kerstens (PvdA): Als mevrouw Merkel zich verwaardigt om iets te zeggen over de situatie in België, is het in eerste instantie aan onze Belgische partners om daar iets van te zeggen. Ik zeg nogmaals dat de Partij van de Arbeid er niet voor is, sociale partners buitenspel te zetten. Als het voorbeeldje dat de heer Ulenbelt noemt onder het kopje «buitenspel zetten» valt, zijn wij daar niet voor.

De heer Van Weyenberg (D66): Een van de gedachtes achter die strakke Europese coördinatie is natuurlijk dat je sneller op Europees niveau in actie kunt komen ten aanzien van landen waar onevenwichtigheden dreigen waarvan ook de andere landen in de Europese Monetaire Unie (EMU) last hebben. Als in een land de loonontwikkeling explodeert of er grote luchtbellen op de huizenmarkt ontstaan, is de heer Kerstens het toch wel met mij eens dat de les van de afgelopen crisis is dat we in Europa sneller moeten handelen en dat die economische coördinatie nu te vrijblijvend is?

De heer Kerstens (PvdA): De heer Van Weyenberg noemt in zijn voorbeeld twee totaal verschillende dingen, namelijk een luchtbel op de huizenmarkt en een loonontwikkeling. Ik heb het in dit verband over onderdelen die hier – dat zal toch niemand weerspreken – in eerste instantie ook erg van belang zijn voor sociale partners. Het is dus ook erg van belang dat zij zich daarover kunnen uitspreken. Het is natuurlijk geen vrijbrief om helemaal niets te doen. Ik heb immers ook gezegd dat ik er dan wel van uitga dat sociale partners die rol oppakken en dat zij die verantwoordelijkheid nemen. We zijn natuurlijk wel allemaal gebaat bij huishoudboekjes die kloppen.

De heer Van Weyenberg (D66): Ook mijn fractie is totaal niet van zins om sociale partners buitenspel te zetten. Hoorde ik de heer Kerstens zeggen dat, als het erg aan sociale partners raakt, hij heel terughoudend zal zijn met de Europese aanbevelingen?

De heer Kerstens (PvdA): Ik weet niet of ik de woorden «terughoudend» of «erg terughoudend» zou gebruiken. Ik ben mij er in ieder geval terdege van bewust dat dit terreinen zijn waarvoor geldt dat in ieder geval wij er heel veel belang aan hechten dat sociale partners zich daar ook over kunnen uitspreken.

De heer Van Weyenberg (D66): Voorzitter. Ik heb vijf punten die ik kort wil aanstippen. Nu de bel gaat en het lot dus op mij is gevallen, vraag ik mij wel af of ik een koelkast of een wasmachine heb gewonnen, maar dat terzijde.

De voorzitter: Een koelkast!

De heer Van Weyenberg (D66): Zoals ik al zei, heb ik vijf punten.

Evenals de heer Kerstens ben ik nieuwsgierig naar de stand van zaken met betrekking tot de aanpak van schijnconstructies en het verbeteren van de Europese samenwerking. Daarover is ook een motie aangenomen van onder meer D66 met als doel, ervoor te zorgen dat een en ander in Europa strakker wordt georganiseerd en dat er een meer sluitend systeem komt om het ontduiken van premiebetaling te voorkomen. Dit naar aanleiding van onder andere het voorbeeld in Delft.

Nederland is voor het Hof gedaagd over de koopkrachtondersteuning voor oudere belastingplichtigen, ofwel de Mogelijkheid koopkrachtondersteuning oudere belastingplichtigen (MKOB). Het laatstgenoemde is naar alle waarschijnlijkheid namelijk strijdig met het Europese recht. Tot voor kort kregen alle AOW'ers die koopkrachttegemoetkoming van ongeveer € 400 per jaar en in 2010 is besloten dat dit alleen nog geldt als je in Nederland belasting betaalt. Dit is naar de stellige overtuiging van mijn fractie strijdig met het Europese recht. Pensioenuitkeringen moeten toch gewoon meegenomen kunnen worden naar een andere lidstaat? De Raad van State waarschuwde hier al voor en in het debat hierover is dat ook uitdrukkelijk onder de aandacht gebracht. Toch heeft het toenmalige kabinet doorgepakt en is er zelfs niet voor gekozen om geld te reserveren voor dit risico, waarop toen door mijn fractie is aangedrongen. Wanneer doet het Hof uitspraak en hoe denkt de minister dat die zal luiden? In Het Financieele Dagblad lees ik dat de Nederlandse regering bereid is om AOW'ers die in het buitenland wonen alsnog in aanmerking te laten komen voor een koopkrachttegemoetkoming. Klopt dit? Betekent dit dat de regering die MKOB ook geeft aan andere gepensioneerden die in Europa verblijven? Hoe groot zal de budgettaire tegenvaller zijn indien het kabinet op de schreden van het vorige kabinet moet terugkeren?

Ik kom op de jeugdwerkgarantie. «Inderdaad een beter woord», geef ik de heer Kerstens graag mee. Ik heb eerder voorgesteld om voor werkloze jongeren na zes maanden met een soort leer-/werkaanbod te komen. Die jeugdgarantie die de Commissie voorstelt, lijkt daar volgens mij erg op. Het is natuurlijk niet een juridisch bindende aanbeveling, maar na het lezen van de kabinetsreactie vraag ik mij af wat de minister er echt van vindt. Aan de ene kant schrijft hij dat hij het idee steunt. Aan de andere kant mag het geen geld kosten en mag het niet juridisch bindend zijn. Bovendien moeten de lidstaten de volledige vrijheid behouden. Wat blijft er dan nog van over? Waar heeft het kabinet dus exact op ingezet? Vindt het de periode van vier maanden te kort en wil het bijvoorbeeld liever naar zes maanden? Is de minister nog steeds voornemens om met dat idee van de jeugdgarantie of een leer-/werkaanbod voor deze jongeren iets te doen om zodoende de jeugdwerkloosheid aan te pakken?

In de Kamerbrief staat dat Nederland geen voorstander is van meer geharmoniseerd beleid. Ik vind dat nogal een boude uitspraak. Ik kan me in die uitspraak ten aanzien van diverse dossiers vast en zeker vinden, maar soms ben ik het daarmee misschien helemaal niet eens. Denk aan het geval dat er onduidelijkheid is over de positie van grenswerkers, om maar iets te noemen. Bedoelt de minister dit in algemene zin – ik hoop dat dit niet het geval is – of denkt hij hierbij aan een specifiek beleidsvoorstel? In algemene zin gesteld, vind ik het een opvallend boude constatering.

Tot slot kom ik op de ontbijtsessie met de heer Van Rompuy. Wat zal de Nederlandse inzet daar zijn en is al bekend waarover die ontbijtsessie gaat? Nadat ik jarenlang aan dit soort ontbijtsessies mocht deelnemen, weet ik dat, naarmate de setting informeler wordt, de afspraken grootser zijn. Wat zal de opstelling zijn en hoe ziet de minister een steviger coördinatie van het economisch beleid voor zich om daarmee te voorkomen dat andere lidstaten in een later stadium met te negatieve effecten worden geconfronteerd van landen die hun economie onvoldoende hervormen?

De voorzitter: Dank u wel. Nu is het woord aan de heer Ulenbelt.

De heer Ulenbelt (SP): Voorzitter. Er is heel grote onrust ontstaan onder de Nederlandse beroepsgoederenschauffeurs. Binnen een paar dagen had chauffeur Frank Vos uit Rijssen 12.000 steunbetuigingen op zijn Facebookpagina ontvangen Dat gebeurde naar aanleiding van het bericht dat er inmiddels via Letland 100 Filipijnen op trucks rondrijden. Er is een uitzendbureau op de Filipijnen dat voor Europa werft. Internationaal heeft dit ook opzien gebaard. Op 14 mei zullen beroepsgoederenchauffeurs een grote demonstratie in Brussel houden. Heeft de Duitse of de Letse regering werkvergunningen uitgegeven voor dat Filipijnse uitzendbureau? Ik denk dat dat bureau in Letland zit, namelijk bij het bedrijf Dinotrans. Dat is een grote Europese vervoerder. Wil de minister onderzoeken wat daar precies aan de hand is? Ik denk dat hij de betreffende minister daar morgen tegenkomt. Als hij hem nu een briefje stuurt, heeft die minister morgen misschien dat antwoord bij zich. Daarmee zou hij wel heel veel kunnen ophelderen in Nederland.

Wat is de reactie van de Nederlandse regering op de rechtszaak die wordt aangespannen tegen Nederland over de koopkracht tegemoetkoming voor ouderen? Ook wij waren er toen niet voor om die regeling alleen toe te passen voor mensen die in Nederland belasting betalen. Zou de minister nu de conclusie willen trekken dat hij het gewoon netjes gaat doen door die KOB op de AOW-uitkering te betalen omdat hij het toch niet redt bij het Hof?

Ik ben heel benieuwd naar de reactie van de minister op de brief van de vakcentrales. We kennen de Nederlandse vakcentrales als organisaties die in Europa absoluut meewerken aan van alles en nog wat. Nu komen zij tot de conclusie dat als gevolg van de hervormingscontracten, de onafhankelijke positie van en onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers op het spel zouden kunnen staan. Bij interruptie vroeg ik de heer Kerstens er al naar. Gaat de minister daarvan morgen, wanneer hij Van Rompuy toch ziet, heel ferm afstand nemen? Gaat hij aangeven dat Merkel zich niet mag bemoeien met indexatie in België? Dat wordt als één van de voorbeelden in de brief aangehaald en er wordt aangegeven dat landen daarnaar moeten kijken. Zodra er een contract is, zal dat gevolgen hebben. Ik roep de discussie over die 3% in herinnering. De SP wil absoluut geen discussies voeren met Europa over indexatiemechanismen, loonsystemen, arbeidsmarktbeleid en dat soort aangelegenheden.

In Europa wordt gesproken over de jeugdwerkloosheid, wat naar mijn idee hard nodig is. Wat gaat Nederland nu doen? 25% is niet mis. Voor sommige groepen is het 30%. Het percentage loopt alleen maar op. Ik sluit niet uit dat we het hoogste werkloosheidspercentage krijgen sinds ongeveer 1980. Wat is het plan van de regering op dit punt? De heer Kerstens vroeg er ook naar.

Ik ben wel heel positief – ja, dat kan best hoor; wij kunnen ook positief zijn – over het feit dat de minister aandacht wil geven aan de sociale gevolgen van arbeidsmigratie. Tot mijn verrassing zag ik dat staan, maar een en ander wordt niet uitgewerkt. Er staat wel dat daarbij moet worden gedacht aan het principe gelijk loon, gelijk werk. Wat heeft de minister nog meer in zijn achterzak wat hij aan andere ministers en Van Rompuy kan vertellen? Gaat het bijvoorbeeld zo ver dat de minister het systeem van de E101-verklaringen ter discussie zou willen stellen? We zien op de Nederlandse arbeidsmarkt dat Portugese bouwbedrijven en andere bedrijven in Nederland grote projecten doen. Die mensen beschikken over een verklaring waarin staat dat zij in Nederland geen belasting hoeven te betalen omdat zij dat in Portugal doen. De belastingpremies zijn daar lager. Bij Europese aanbestedingen maakt dit soort bedrijven dus lagere kosten dan Nederlandse bedrijven. Zodoende halen die bedrijven veel Europese aanbestedingsopdrachten binnen en daarmee ondermijnen ze werkgelegenheid voor Nederland. Dat is slechts één voorbeeld. Wat heeft de minister in gedachten om die negatieve sociale gevolgen tegen te gaan?

De voorzitter: Dank u wel. Nu is het woord aan mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): Voorzitter. Het gebeurt niet vaak dat ik met mijn volledige naam word aangesproken.

We hebben over dit onderwerp ook al gesproken ter voorbereiding op de Informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid. Laat ik beginnen met datgene waarover een aantal collega's ook heeft gesproken, namelijk de invloed van Europa. Ik pak de huidige geannoteerde agenda er maar even bij, waarin staat dat het kabinet benadrukt dat arbeidsmarktbeleid en de vormgeving van het stelsel van sociale zekerheid een nationale aangelegenheid zijn. Ik ga ervan uit dat dit een stabiel standpunt is. De minister zal daarop zo meteen vast en zeker reageren.

Ik ga in op het jeugdgarantieplan. De vorige keer was ik redelijk gerustgesteld toen de minister aangaf dat het een aanbeveling is, dat het kabinet het als een inspanningsverplichting ziet om de jeugdwerkloosheid actief te bestrijden, maar dat het er zelf over gaat hoe het dat doet. Nu lees ik in de geannoteerde agenda dat er nog discussie plaatsvindt over de vraag in hoeverre benadrukt moet worden dat lidstaten daaraan zelf invulling zullen geven, alsmede over de periode waarbinnen dat gaat gebeuren. Ik hoop echt dat wij jongeren niet een garantie gaan geven. De overheid kan immers nooit een garantie op werk geven. Waarom moet er dan gesproken worden over de lengte van die termijn? Zoals ik al zei, neem ik aan dat we het toch niet gaan doen, dus waarom zou het interessant zijn om te weten of het vier of zes maanden duurt? Dat blijft toch een beetje een kwestie van hinken op twee gedachten.

Ik kom terug op een motie die ik een tijdje geleden heb ingediend met collega Azmani over de bijeffecten van het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. Op pagina 6 van de geannoteerde agenda staat dat voorkomen moet worden dat het vrij verkeer van personen in de EU nadelige sociale gevolgen heeft, bijvoorbeeld door zorg te dragen voor eerlijke EU-lidstaatlonen: gelijke lonen voor gelijk werken op dezelfde locatie. De heer Ulenbelt gaf net al een voorbeeld waaruit blijkt hoe daarmee in andere landen op een verkeerde manier creatief lijkt te worden omgegaan. Ik stel dezelfde vraag aan de minister. Hoe is er vervolg gegeven aan die motie om al die effecten in kaart te brengen? Wat gaat de minister eraan doen om ervoor te zorgen dat een en ander op een eerlijke manier wordt opgepakt?

In het verslag van de Informele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid in Dublin staat op bladzijde 9 over Nederlandse bijstandsgerechtigden die aan het werk moeten, dat het de bedoeling is dat met ingang van 1 januari 2014 uitkeringsgerechtigden een op maat gemaakt activeringsplan krijgen. Dat lees ik voor het eerst en dat verbaast mij en mijn fractie zeer. Ik verzoek de minister om goed uit te leggen wat dat precies gaat worden en wat hij daarmee van plan is.

Ik heb de vorige keer zelf gevraagd om terugkoppeling over participatie van oudere vrouwen, maar ik vind die wel wat mager. Daarin staat niet veel meer dan dat vrouwen bewust gemaakt moeten worden van het feit dat zij ook andere carrièrekansen hebben dan in de zorg. Wat concrete maatregelen betreft, wordt er alleen verwezen naar het opnemen van ouderschapsverlof. Ik weet niet wat het kabinet verstaat onder «een oudere vrouw». Zolang vrouwen zwanger kunnen zijn, vind ik ze in ieder geval niet heel erg oud. Als dat voor de oudere vrouwen de enige concrete maatregel is, vind ik dat het er niet erg positief uitziet. Ik hoop dat er iets beters besproken is in Dublin. Zo ja, dan hoor ik daarover graag meer, al hoeft dat niet nu als dat niet kan.

De vergadering wordt van 10.25 uur tot 10.35 uur geschorst.

De voorzitter: Ik heropen het algemeen overleg en geef het woord aan de minister.

Minister Asscher: Voorzitter. Het is de eerste Formele Raad voor de Werkgelegenheid en Sociaal Beleid onder het Iers voorzitterschap. Die vindt vrij vroeg onder dat voorzitterschap plaats, dus de agenda is redelijk beperkt. Die heeft uitsluitend betrekking op de jeugdwerkgelegenheidsgarantie of, liever gezegd, de inspanningsverplichting om de jeugdwerkloosheid te bestrijden. Ik begrijp echter waarom ze dat een minder pakkende titel vonden. Verder staat het Europees semester op de agenda.

Je voelt en proeft dat de sociale dimensie van Europa de komende tijd een belangrijk punt van discussie zal zijn. In juni zal Van Rompuy met plannen komen om het sociale gezicht van Europa te verbeteren. Hoe die plannen eruit gaan zien, weten we nog niet. Wij beschouwen die ontbijtsessie als een goede gelegenheid om ons geluid te laten horen. Ik denk dat die bepaald niet uit de lucht komt vallen. In Nederland hebben we flink te lijden onder de crisis, maar de cijfers van sommige Zuid-Europese landen zijn werkelijk zeer extreem. De jeugdwerkloosheid in Griekenland bedraagt 61.7%. Dergelijke percentages hebben zo'n grote maatschappelijke impact dat het natuurlijk heel logisch en goed is dat er op Europees niveau aandacht komt voor die sociale dimensie. Het is ook goed om te kijken welke bijdrage Europa kan leveren aan het bestrijden van die negatieve ontwikkelingen. We moeten daarover echter wel reëel zijn; dat is niet zo eenvoudig. Het ligt toch vooral op het bord van de landen zelf om effectief iets te doen aan wat er op de lokale arbeidsmarkt misgaat. Sociaal beleid kent allerlei aspecten, waaronder acute gevolgen van de crisis. Het kent aspecten als bescherming van mensen die deze nodig hebben, het duurzaam verbeteren van de economie en ervoor zorgen dat mensen daarin kunnen participeren. Zowel de maatregelen op nationaal niveau als die op Europees niveau moeten aan beide doelen bijdragen. Dat vergt dus een balans, ook in onze reactie. Het is dus goed dat er in Europa nagedacht wordt over en gestreefd wordt naar een meer gedeeld begrip van de noodzaak van goed sociaal beleid in de lidstaten, maar wel heel duidelijk met inachtneming van de specifieke nationale en regionale omstandigheden. Nationale sociale partners moeten daar – ik zeg dat heel expliciet – nadrukkelijk bij betrokken worden. Zonder die nationale sociale partners zal het namelijk veel minder goed mogelijk zijn om de benodigde economische groei, versterking van de concurrentiekracht, stabiliteit en draagvlak te bereiken. Ik zal later in mijn betoog de vragen beantwoorden over de specifieke gedachtenvorming over contracten.

Gevraagd is wat wij in Europa willen op sociaal gebied. We willen twee dingen tegelijk. In de eerste plaats moet het arbeidsmarktbeleid een nationale aangelegenheid blijven, want we denken dat dit specifieke kenmerken heeft en Nederland heeft daarover ook een heel eigen opvatting. Het heeft een eigen traditie op het punt van de wijze waarop je dat moet organiseren. In de tweede plaats vinden wij dat je op Europees niveau van elkaar moet willen leren. Je moet elkaar kunnen helpen, informatie kunnen uitwisselen en met elkaar kunnen vergelijken op bijvoorbeeld het punt van het bestrijden van jeugdwerkloosheid. Ook ten behoeve van op Europees niveau genomen beslissingen over bezuinigingen en hervormingen moet worden meegewogen wat daarvan op sociaal gebied de gevolgen zijn in de lidstaten. We denken dat het goed is om ook in Europees verband te streven naar een grotere arbeidsmarktparticipatie van zowel jongeren als ouderen en naar het aan het werk helpen van mensen die arbeidsongeschikt zijn. Dat zijn allemaal nationale thema's en het is goed dat daarvoor ook op Europees niveau aandacht is. Hetzelfde geldt voor duurzame inzetbaarheid, investeringen in sociaal beleid enzovoorts.

Verschillende sprekers vroegen terecht of een jeugdgarantie in de vorm van een niet bindende aanbeveling niet een contradictio in terminis is. Dat is natuurlijk zo. Deze is niet bindend en er wordt gesproken over een garantie en een maandentermijn. Onze inzet daarbij is, die positieve kanten van Europees sociaal beleid die ik net noemde – ik noem nogmaals benchmarking, elkaar aansporen, inspanningsverplichtingen – te benadrukken in plaats van een garantie die niet waargemaakt en niet afgedwongen kan worden en die als een dode mus zou kunnen worden ervaren door bijvoorbeeld jongeren in Europa. Die aspecten willen wij wat minder scherp aanzetten. Er zijn echter meer landen die lid zijn van de Europese Unie. Dat is dus een proces waarin Nederland één van de partijen is en waarin het zijn inbreng heeft.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): Ik mag dus aannemen dat de minister de discussie over vier, vijf of zes maanden keurig aan zich voorbij zal laten gaan?

Minister Asscher: Dat vind ik een heel goede discussie op nationaal niveau. De heer Van Weyenberg heeft daarover concrete vragen gesteld en voorstellen voor gedaan. Ik zal daarop zo meteen ingaan, want begrijpelijkerwijs hebben velen van u gevraagd hoe het daar nu mee staat. In mijn ogen moet je dat niet op Europees niveau willen afspreken. De verschillen tussen lidstaten kunnen immers groot zijn en het kan ook heel effectief zijn om de lange termijn te handhaven. Het hangt vooral af van wat er in die periode daartussen gebeurt en wat voor prikkels er in zo'n lidstaat zijn. Ik wil de discussie dus niet aan me voorbij laten gaan, maar ik wil de Nederlandse inbreng daar tegenoverstellen.

De heer Kerstens vraagt namens de Partij van de Arbeid of de zinsnede dat het probleem nu zo groot is dat daarvoor Europese aandacht nodig is, ook op Nederland van toepassing is. Ik noemde het Griekse percentage net niet voor niets. Dat is zo'n extreem hoog percentage. U weet dat het percentage van Spanje ook extreem hoog is. Terecht leidt dat dan tot aandacht, ook op Europees niveau. Een Nederlandse jongere die werkloos is, heeft er niets aan als er in Griekenland nog meer jongeren werkloos worden. Evenals de heer Ulenbelt heb ik de zorg dat we recordhoogtes bereiken wat de jeugdwerkloosheid in Nederland betreft, in ieder geval sinds de jaren tachtig. Dat vraagt onze aandacht. Op zichzelf heb ik niet de indruk dat wij Europa nodig hebben om daarvoor aandacht te hebben. Het kabinet heeft daar aandacht voor, sociale partners hebben daar aandacht voor, de Kamer heeft daarover al twee keer gedebatteerd en zij heeft daarvoor in de begroting aandacht gevraagd. Vandaar die zinsnede. Die is niet primair op Nederland gericht, maar Nederland kan ook altijd leren van andere landen door te kijken naar wat ze daar goed doen. Oostenrijk heeft een geweldig track record wat het bestrijden van de jeugdwerkloosheid betreft. Ik ben natuurlijk zeer geïnteresseerd in alles wat men elders goed doet en wat we hier kunnen gebruiken. Gevraagd is hoe het staat met onze eigen jeugdwerkloosheid. Ik heb de leden beloofd dat ik ze een tussenstand stuur over de aanpak van de jeugdwerkloosheid. Daaraan werk ik heel hard en ik ben daarover in overleg met de sociale partners. We gaan daarmee niet wachten tot aan het eind van het sociaal overleg, want dat is pas eind maart te verwachten. Ik wil proberen om dat deze maand te doen, maar het is mogelijk dat ik dat net niet red omdat deze maand iets te kort is. Mocht dat dus niet lukken, dan zal ik dat begin maart doen. Dan probeer ik antwoord te geven op de concrete vragen betreffende de verdeling van het budget – dat was onderdeel van het debat dat we in januari hadden – voor samenwerking met de regio's ten behoeve van de aanpak van de jeugdwerkloosheid. Ik ben net als de leden zeer gemotiveerd om met een enorm gevoel van urgentie datgene te doen wat ik kan doen om de jeugdwerkloosheid te bestrijden. De heer Kerstens vroeg of dit het is. Op die vraag antwoord ik met nee. Daar komt een vervolg op. Gevraagd is of het storm loopt. Er wordt in ieder geval heel intensief over gepraat. Je ziet dat sociale partners aan zet zijn om op het gebied van participatie van ouderen voorstellen te doen. Daar komen ook wel wat dingen uit. Het bestrijden van jeugdwerkloosheid is iets wat in de regio's effectief kan worden gedaan. Het moet wel een plek krijgen in de sectorale plannen, zodat er ook weer stageplaatsen en werk voor jongeren gecreëerd worden. In die context probeer ik aan de verzoeken van de Kamer te voldoen. Die motie is wat mij betreft dus in uitvoering. Die is dus nog niet volledig uitgevoerd. Ik kom daarop zeer binnenkort terug.

Het Nationaal Hervormingsprogramma zal door collega Kamp in april naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Dat zal eerst uitgebreid met de Kamer worden besproken. Pas daarna wordt het opgestuurd naar de Europese Commissie.

Ik kom op de brief van de sociale partners en de contracten. In december is tijdens de Europese Raad afgesproken dat mogelijkheden en modaliteiten worden onderzocht om afspraken te maken met landen over de hervormingsprogramma's. Afgesproken is dat dit punt moet terugkomen in de Europese Raad van juni, in de Raad voor regeringsleiders. Dat soort contracten zou moeten worden gemaakt op basis van wederzijdse overeenstemming. Lidstaten moeten er dus zelf voor kiezen en het dient gedifferentieerd naar lidstaat te gebeuren. Het contract hoeft dus ook niet voor iedereen hetzelfde te zijn. Het hoeft ook niet hetzelfde soort contract te zijn. Nederland heeft zich wat dat betreft nog nergens op vastgelegd. De plannen zijn nog niet verder uitgewerkt. Inhoudelijk vinden we dat het mogelijkerwijs een nuttig instrument is om meer aandacht te krijgen voor het hervormingselement in een aantal kwetsbare landen. We hebben er namelijk met elkaar enorm veel belang bij dat de Europese economie herstelt. Daarvan zijn hervormingen een onderdeel. Het kan van belang zijn om te kijken of dit een aanvullend instrument kan zijn om ervoor te zorgen dat afspraken die op allerlei niveaus al zijn gemaakt over in te zetten hervormingen, daadwerkelijk worden nagekomen. Het contract moet niet leiden tot het inperken van beleidsvrijheid van landen die zich aan hun afspraken houden. Je maakt een afspraak en daar houd je je aan. Dat is een heel gewoon en gezond principe. Het gaat puur over de helaas niet altijd hypothetische vraag hoe je omgaat met landen die zich niet aan hun afspraken houden.

Het spreekt voor zich dat het kabinet zijn inzet op dit belangrijke punt vooraf uitgebreid met de Kamer wil bespreken en dat er veel meer duidelijkheid moet zijn over wat die plannen behelzen voordat we weten wat we daarvan vinden. Het spreekt ook voor zich dat de sociale partners bij de opstelling ten opzichte van die modaliteit betrokken zullen worden. Wij hechten zeer aan het sociaal overleg, aan het gesprek met sociale partners. We zijn bezig met een poging om overeenstemming te bereiken over een aantal heikele kwesties in de Nederlandse context. Daarin zou het niet passen om te kiezen voor nieuwe instrumenten die mogelijkerwijs het terrein van sociale partners raken zonder daarover met ze te spreken. Ik hoop dat dit de leden gerust kan stellen.

De heer Ulenbelt (SP): Toch is dat merkwaardig. Afgelopen zondag zagen wij Van Rompuy in Buitenhof. Hij zei dat hij helemaal niet belangrijk is, dat hij er niet toe doet en dat men dus bij de regeringsleiders moet zijn. Nu moet echter wel met die man dat contract worden gesloten. Hij is dus belangrijk. Je sluit volgens mij namelijk niet met onbelangrijke mensen een contract. Dan is het contract in de Europese verhoudingen toch een heel vreemde vorm? Als je in Europa iets wilt regelen, kom je toch met richtlijnen, met wetten enzovoorts? Dan is zo'n contract toch een heel vreemde eend in de bijt? De minister hoeft toch geen cao-onderhandelingen te voeren met een contractpartner in Brussel? Dat past toch helemaal niet in het Europese systeem? Dat maakt mensen angstig. De minister houdt het een beetje in het midden. Aan de ene kant zegt hij dat het een nuttig instrument is. Aan de andere kant mag er geen sprake zijn van beleidsvrijheid. Het sluiten van een contract heeft echter tot gevolg dat de vrijheid wordt ingeperkt. Toch?

Minister Asscher: Ik zeg dat het mogelijk een nuttig instrument is. We weten er nu te weinig van. We hebben echter wel behoefte aan instrumenten die ertoe bijdragen dat gemaakte afspraken in Europa gestand worden gedaan. Dat is de les van de afgelopen jaren. Je kunt in vrijheid een afspraak maken maar vervolgens moet je je daaraan houden. Je kunt zeggen dat je vrijheid daarna beperkt is, maar dat is steeds het geval als je een afspraak maakt. Dat is ook nu al het geval. Als sociale partners een cao sluiten, zijn zij daaraan vervolgens gebonden. Je kunt dan zeggen: goh, wat een beperking van je vrijheid. Nee, daarvoor heb je zelf gekozen. Ik vind dus niet dat een contract, een afspraak, op zichzelf op gespannen voet staat met vrijheid, als je daar maar zelf in vrijheid voor kunt kiezen en als die afspraken maar passen bij het beleid van een lidstaat en de afspraken op Europees niveau. Ik denk dat toe te juichen is dat Europa blijft nadenken over de vraag welke instrumenten ons zouden kunnen helpen, zeker daar de bestaande instrumenten dat soms in onvoldoende mate doen. Ik denk dat het voor Nederland van het grootste belang is om heel goed te wegen welk effecten dat heeft, hoe dat bijdraagt aan de toekomst van Nederland en Europa, hoe we die afspraken vervolgens vorm moeten geven en waar we die kunnen plaatsen in het Europese stelsel. Volgens mij was de vraag van de heer Ulenbelt of er plotseling contracten worden gesloten die de vrijheid van Nederland c.q. die van de sociale partners in Nederland beperken en of ik hem wat dat betreft gerust kan stellen. Ik heb geantwoord dat we nog niet weten hoe die dingen gaan werken. Voordat we überhaupt aan kunnen geven of we akkoord zullen gaan met de introductie van zo'n nieuw instrument, moeten we er meer van weten en een en ander met de Kamer bespreken. En we zullen daarover vooraf met sociale partners praten. Meer kan ik de heer Ulenbelt niet geruststellen.

De heer Ulenbelt (SP): Is de minister het met mij eens dat, als we al tot het afsluiten van die contracten komen, die nooit langer mogen lopen dan de zittingstermijn van een kabinet, om maar eens iets te noemen?

Minister Asscher: Dat klinkt logisch, maar omdat ik nog niet weet hoe die voorstellen eruit zien, wil ik dat op geen enkele manier inkleuren. Ik wil daar heel serieus naar kijken, aangeven wat Nederland belangrijk vindt en wat wij willen bereiken. Als daarop meer zicht komt, wil ik dat netjes met de Kamer bespreken. Het klinkt logisch, maar de heer Ulenbelt begrijpt misschien waarom ik eerst de inhoud wil bekijken.

Gevraagd is hoe het staat met de Europese en bilaterale aanpak van fraude en schijnconstructies. De leden weten dat ik aan het werk ben om ze daarover te berichten en daarover een groter plan te maken. Ik kan nu dus niet veel meer doen dan een aantal voorbeelden geven waaruit hopelijk overtuigend blijkt dat ik daarmee bezig ben. Ik spreek morgen mijn Roemeense collega, ook in het kader van de grenzen die op 1 januari opengaan. De Bulgaarse collega is net afgetreden, dus die kan ik morgen niet zien. Er zijn nu heel goede, intensieve contacten met de Polen. Daar is een ambtelijke delegatie geweest en we zien tot welke afspraken dat kan leiden. We praten over dit onderwerp ook met de Belgen, want er is natuurlijk veel overlap. En op Europees niveau is die handhavingsrichtlijn heel belangrijk. De cabotageregels zijn belangrijk voor het vrachtvervoer. Hetzelfde geldt voor de A1-verklaring. De heer Ulenbelt vroeg daar net al naar. Ik zal daar zo meteen een zin meer aan wijden. In algemene zin is mijn inzet, ook te wijzen op de nadelige sociale gevolgen van het vrij verkeer van personen. Die regeling heeft allerlei prachtige effecten, maar er zijn ook heel duidelijke nadelige gevolgen. Ik denk dat we die op Europees niveau onder ogen moeten zien omdat er dan ook ruimte ontstaat om de problemen die er zijn binnen de Europese context op te lossen. Ik kom nu vaak tegen dat een oplossing stuit op het Europese recht. Dat is op zichzelf begrijpelijk. Als je het vrij verkeer van personen louter positief ziet, is alles wat een zweem zou kunnen hebben van een suggestie van een begin van een beperking daarvan een probleem. Als je zegt dat die regeling heel veel goeds heeft gebracht maar dat daaraan ook nadelen kleven, ontstaat er ook ruimte om realistisch te kijken naar wat die nadelen behelzen en hoe je daaraan iets kunt doen zonder dat je de regeling van het vrij verkeer van personen overboord gooit. Daarmee wil je voorkomen dat er een negatieve spiraal ontstaat als gevolg waarvan de concurrentie in Europa plaatsvindt op het niveau van de arbeidsvoorwaarden van het land dat daaraan de minste waarde hecht, dat de minste sociale zekerheid biedt, dat de minste premie geeft en dat het laagste minimumloon betaalt. Die druk voelen we op de Nederlandse arbeidsmarkt en die wordt niet alleen daar gevoeld. Om die reden plaats ik dat punt op de agenda.

Zoals beloofd, krijgt de Kamer binnenkort het overzicht van wat we gaan doen op nationaal, bilateraal en Europees niveau. Ik kan nu niet heel veel meer zeggen dan dat ik daarmee volop bezig ben en dat ik zo'n Europese Raad gebruik om daarover met collega 's gesprekken te voeren en de banden aan te halen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): De minister noemde niet zijn Duitse collega. Die zal hij ongetwijfeld ook aantreffen, want uit de antwoorden op de door mij gestelde schriftelijke vragen over dit onderwerp blijkt – andere partijen gaven voorbeelden – dat Duitsland dit beter op orde heeft. Ik verzoek de minister om ook dat mee te nemen, dus om niet alleen te spreken met de landen waar de goedkope arbeidskrachten vooral vandaan zouden komen maar ook met de landen die met dezelfde problemen worstelen als wij, zoals buurland Duitsland. Ik verzoek de minister om na te gaan hoe Duitsland dat probleem oplost, hoe het die schijnconstructies tegengaat. Ik denk namelijk dat we er ook voor moeten waken dat Nederland zijn eigen wiel daar gaat uitvinden terwijl dit misschien in andere landen al op een effectieve of een effectievere manier gebeurt.

Minister Asscher: Een van de mooie dingen van Europa is natuurlijk dat je de Europese wielen kunt zien en dat je bij de anderen in het wagenpark kunt kijken. De contacten met Duitsland zijn van oudsher goed. Daarmee vertel ik u niets nieuws. Ook op dit terrein zijn de contacten heel goed. Ik heb in december met Von der Leyen een goed gesprek gehad, ook met de Oostenrijkers. Zij zitten veel meer aan de grens en krijgen vaak als eerste te maken met de invlucht. We gaan op alle manieren op zoek naar de instrumenten die er zijn en de aanpakken die bewezen zijn om het zelf zo goed mogelijk te doen. Ik heb niet de intentie om alles zelf te verzinnen. Dit is tevens het antwoord op de vraag van D66 over die aanpak.

Er zijn vragen gesteld over de MKOB. Het is onze intentie om te voorkomen dat het tot een uitspraak van het Hof komt. Wij bedenken hiervoor dan ook een oplossing die de toets van het Europese recht wel kan doorstaan. Dat hebben we de Commissie ook laten weten. Zij heeft, om druk op de ketel te houden, het proces wel in werking gesteld. Dat begrijp ik vanuit het perspectief van de Commissie. Wij zijn dus op zoek naar een goede oplossing. We kunnen het doen op de door de heer Van Weyenberg geschetste wijze, maar dan is er een financieel probleem. We zullen in een brief aan de Kamer de precieze omvang van het financiële probleem duiden, alsmede de precieze oplossingsrichtingen aangeven. We gaan proberen om daarop snel een antwoord te formuleren.

De heer Van Weyenberg (D66): Wij wachten dat af. Heeft de minister enig idee wanneer we dat voorstel tegemoet kunnen zien?.

Minister Asscher: Dat zal echt in de maand maart moeten gebeuren. Wij willen namelijk niet een uitspraak van het Hof afwachten. Wij willen het probleem, dat er inderdaad is, oplossen. Ik begrijp heel goed dat er destijds partijen tegen waren en dat er partijen voor waren. Dit is de situatie zoals die is en wij zijn op zoek naar een oplossing waarmee we weer verder kunnen. Het brengt inderdaad eveneens een financieel probleem met zich mee, maar ook dat wil ik precies in beeld brengen en ik wil de Kamer daarover goed informeren: hoe groot dat financiële probleem is en wat de oplossingsrichtingen daarvoor zijn. Ik heb al het een en ander gezegd over de jeugdgarantie en aangegeven dat ik, zoals beloofd, zeer binnenkort terugkom op de aanpak van de jeugdwerkloosheid.

Er is gevraagd de opmerking te verduidelijken dat Nederland geen voorstander is van meer geharmoniseerd sociaal beleid. Dat is misschien nogal absoluut gesteld. Bedoeld is dat we nu geen behoefte hebben aan allerlei nieuwe instrumenten. We hebben geen behoefte aan verdergaande harmonisering van het beleid op arbeidsmarktniveau. Daar waar gisteren een Europese aanpak geboden was, zal dat wat ons betreft ook vandaag en morgen het geval zijn. Dus aan typische grensoverschrijdende aspecten verandert er wat mij betreft niets. Wat dit betreft kan het heel logisch zijn om te kiezen voor een vorm van harmonisatie. Maar juist in die discussie over de sociale dimensie is het wat mij betreft nu niet de tijd voor verdergaande harmonisatie van het sociaal beleid in lidstaten. Dat zei ik net al in antwoord op de vraag van mevrouw Van Nieuwenhuizen. We willen het juist van die andere Europese aspecten hebben. Ik hoop dat u met die toelichting deze zin in een context kunt plaatsen.

Ik heb al gezegd wat ik zal zeggen tijdens de ontbijtsessie met de heer Van Rompuy. Laat ik niet in herhaling vallen, want dan wordt het een beetje hinderlijk. Ik zal aangeven dat Nederland het heel goed vindt dat er meer aandacht komt voor die sociale dimensie in het licht van de gevolgen van de crisis en de specifieke gevolgen in een aantal lidstaten. Ik zal ook aangeven dat Nederland het belangrijk vindt dat dit in juni vorm ofwel gestalte krijgt, maar dat het feit dat het dat belangrijk vindt, niet betekent dat alles op Europees niveau geregeld moet worden. Ik zal zeggen dat we juist denken dat de kracht van lidstaten benut moet worden en dat de Europese samenwerking ook die kracht kan benutten door uitwisseling van informatie, zich met elkaar te vergelijken, aandacht te vragen voor een en ander in plaats van het per definitie op Europees niveau te tillen. Ik zal de heer Van Rompuy ook meegeven dat wij zeer hechten aan het overleg met sociale partners en dat we dus in de voorstellen willen terugzien dat dit ook op Europees niveau gevoeld wordt.

De heer Van Weyenberg (D66): Ik verzoek de minister om in die ontbijtsessie ook te benadrukken dat het doorvoeren van hervormingen om meer mensen aan de slag te laten gaan, altijd een cruciaal onderdeel moet zijn. We moeten er dus voor oppassen dat het debat over het sociaal domein louter een beschermingsdebat wordt. De ultieme oplossing is wat mijn fractie betreft altijd nog werk. Ik weet dat de minister en ik daarover niet van mening verschillen, maar in Europese debatten met sommige van zijn collega's is dat naar mijn idee een toevoeging die waardevol kan zijn.

Minister Asscher: Ja, daarin hebt u helemaal gelijk. Mensen aan het werk helpen, is de kern van iedere oplossing. Dat geldt voor jeugdigen maar ook voor ouderen op de arbeidsmarkt. Nederland is op Europees niveau nog altijd een vooraanstaand land op beide gebieden, maar in de nationale context zien we dat we heel veel werk te doen hebben gezien de stijging van de (jeugd)werkloosheid. Die hervormingskant daarvan, met name gericht op participatie, zal ik zeker blijven benadrukken.

De heer Ulenbelt vraagt mij om een en ander met betrekking tot de Filipijnse chauffeurs uit te zoeken. Ik denk niet dat ik morgen een antwoord op die vraag heb. Mocht dat wel het geval zijn, dan zal ik dat onmiddellijk laten weten. Ik moet opbiechten dat ik daarover nog niet had gehoord.

Ik heb net in algemene zin iets gezegd over de sociale gevolgen van arbeidsmigratie. De SP heeft daarover ook Kamervragen gesteld. Die ben ik aan het beantwoorden. Ik wil in ieder geval proberen het onderwerp zo concreet op de agenda te krijgen en te houden dat er ook balans zit in … Als we over de sociale dimensie van Europa praten, voelen mensen ook de niet-sociale effecten van Europa. Vrachtwagenchauffeurs en mensen in de tuinbouw merken ook dat er nadelen verbonden zijn aan het vrij verkeer van personen. Zolang daarvoor ook op Europees niveau te weinig oog is, vrees ik dat nooit de goede antwoorden worden geformuleerd en dat niet het gevoel zal worden verkregen wat juist heel positief is van Europa. We hebben er namelijk allemaal baat bij. Het principe van gelijk loon voor gelijk werk is ongelooflijk belangrijk. Dat moeten we dus ook op Europees niveau uitstralen. Gevraagd is hoe ver we daarin gaan. Ik heb begrepen dat het systeem met A1-verklaringen op zichzelf in beton gebeiteld is, maar ik wil daarover wel in gesprek gaan. Ik wil weten wat daarvan de gevolgen zijn, of we effectiever kunnen optreden tegen mensen die misbruik maken van dat soort regelingen. Ook wil ik weten of het op sommige punten niet leidt tot oneerlijke concurrentie tussen bedrijven die meedoen aan aanbestedingen, die te ver gaat. Zeker nu ik daarvoor een compliment van u heb gekregen voel ik mij gesterkt – ik voel mij daardoor dubbel gesterkt – om daarmee volop door te gaan.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen gaf aan dat ze graag het stabiele standpunt wil horen dat het een nationale aangelegenheid is. Volgens mij heb ik dat net ronduit bevestigd. Dat betekent ook dat ik mij op die manier, die welke ik net heb aangegeven, zal uitdrukken in de discussie over de jeugdgarantie.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen sprak ook over gelijk loon voor gelijk werk. Ik ben het helemaal met dat principe eens.

Gevraagd is naar het in het verslag genoemde punt van bijstandsgerechtigden; 1 januari 2014. Ik ga mevrouw Klijnsma vragen om in een paar zinnen uit te leggen wat daarmee precies bedoeld is. Mevrouw Van Nieuwenhuizen weet dat premier Rutte in het buitenland was, dat ik hier moest zijn en dat staatssecretaris Klijnsma mij in Dublin heeft vervangen. Ik vermoed dat het gaat over het al in het AO over armoede met de commissie gedeelde beeld om juist op het punt van de armoedebestrijding meer aandacht te geven aan activering, ook voor bijstandsgerechtigden, maar zij kan daarover vast en zeker opheldering geven. Ik vraag haar dus om dat deel van het verslag te expliciteren. Ik kan die vraag namelijk niet goed beantwoorden.

Gevraagd is hoe het zit met de participatie van oudere vrouwen. De Informele Raad bestond uit een aantal workshops. Onze afvaardiging, de bewindspersoon, kon aan één workshop deelnemen. Dat was niet die over oudere vrouwen. Mevrouw Van Nieuwenhuizen heeft toen al gezegd dat zij van die workshop graag een verslag wilde hebben. Dit is het verslag dat we daarvan hebben. Ik vrees dus dat daar niet heel veel meer gebeurd is dan dit of dat de verslaglegger heeft verzuimd, al die concrete maatregelen op te schrijven. Om die reden kunnen wij de commissie dus niet veel meer bieden dan dit. Mevrouw Van Nieuwenhuizen heeft natuurlijk helemaal gelijk als zij zegt dat daarover wel meer te zeggen is en dat er op dat terrein meer te doen is dan een goede zwangerschapsverlofregeling maken. Participatie gaat over meer dan dat.

De voorzitter: Ik zie dat er behoefte is aan een tweede termijn. De SP wil dat altijd.

De heer Kerstens (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn soms genuanceerde maar wel heldere antwoorden.

Ik zie uit naar de resultaten van het overleg over de aanpak van jeugdwerkloosheid. Ik zie overigens ook uit naar – dat weet de minister van mij – zijn plan van aanpak met als doel, uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt wat de inzet van buitenlandse collega's betreft tegen te gaan.

Ik doe de suggestie om, daar waar het gaat om de rol van Brussel met betrekking tot de verantwoordelijkheden van sociale partners, aan de sociale partners bij de eerstvolgende gelegenheid in het kader van de sociale agenda datgene te melden wat hij vanochtend heeft gezegd. Er is namelijk enige onrust ontstaan en die kunnen wij natuurlijk niet gebruiken in de aanloop naar die sociale agenda.

De heer Van Weyenberg (D66): Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik wacht de door hem aangekondigde informatie af. Ik doel op de informatie in maart over de besteding van 100 miljoen en de aanpak van de jeugdwerkloosheid, alsmede over de MKOB en de wijze waarop hij daarmee verder gaat. Ik ben blij dat de minister het niet op een uitspraak van het Hof wil laten aankomen en hoop in ieder geval dat er een oplossing komt die echt de toets der Europeesrechtelijke kritiek kan doorstaan. Dan komt er snel een eind aan deze zaak die naar mijn idee bij voorbaat kansloos was. Ik ben dus blij dat de minister dit probleem zo snel mogelijk uit de wereld wil helpen.

Ik begrijp dat de minister nog steeds bezig is – het vorige overleg vond enkele weken geleden plaats – met de kwestie van het vrij verkeer voor personen. Ik heb alle begrip daarvoor. Ik verzoek hem om, als hij het over de nadelen heeft, heel goed te blijven benadrukken dat het vrij verkeer van personen iets buitengewoon waardevols is. Wat mij betreft gaat het dus niet om de negatieve gevolgen daarvan, maar om het optreden tegen zwaktes in het systeem waardoor mensen nu de mazen van de wet kunnen opzoeken. Het gaat om ontduikconstructies en misbruik. Het zijn de uitwassen van het vrij verkeer die moeten worden aangepakt. Het gaat dus om ontduiking, om toezichtsystemen die niet goed functioneren waardoor het systeem van gelijk loon voor gelijk werk – dat is al de basis van de Europese regels – niet goed kan worden gehandhaafd. Het gaat erom dat we het systeem in de praktijk kunnen handhaven.

De heer Ulenbelt (SP): Voorzitter. In de stukken zag ik een rare zin staan, namelijk: er is meer aandacht nodig voor de sociale gevolgen van de crisis, ook om te voorkomen dat het draagvlak voor de EU afneemt. Dat vind ik raar. Ik neem aan dat veel mensen zich in Griekenland druk maken over het percentage van 61.7% aan jeugdwerkloosheid. Maar waarom moeten aan die zin de woorden worden toegevoegd «ook om te voorkomen dat het draagvlak voor de EU afneemt»? We zien overal dat het afneemt, namelijk in Italië en Engeland. En in Nederland krijgt een voorstel voor het houden van een referendum veel steun. Ik denk dat dit niet het argument zou moeten zijn.

Het is gevaarlijk om complimenten aan deze minister te geven, want dan denkt hij meteen dat hij op de goede weg is. Complimenten geven is een verantwoordelijke bezigheid. Daar moet je dus zuinig mee zijn,

Anders dan de heer Van Weyenberg denk ik dat het vrij verkeer op zichzelf ook negatieve gevolgen heeft. Als je de vrijheid namelijk niet reguleert, springt de vrijheid uit de band. Dat is in dit geval gebeurd, terwijl men daarvoor niet voldoende oog had. In deze crisis komt dat duidelijker naar voren. Engeland zegt dat het op dit punt een verdragsherziening wil. Daar kan de minister mooi bij aansluiten. Ik denk echter dat het niet alleen gaat om uitwassen, maar dat het een fundamenteel karakter heeft. Ik wil niet aan het vrij verkeer voor werknemers komen, maar daar waar die vrijheid ontspoort, is een aanpak nodig.

De minister spreekt van A1-verklaringen. Vroeger deed ik dat ook, maar het zijn E101-verklaringen. Waarom dat zo gekomen is, weet ik ook niet. De «E» zal wel voor Europa staan. Het betekent dus concreet dat een Portugees bouwbedrijf de aanbestedingen hier goedkoper kan krijgen dan een Nederlands bedrijf omdat het daar minder belasting hoeft te betalen. Dat lijkt mij een fundamenteel probleem. Die Europese aanbesteding is namelijk in het leven geroepen om in Europa te concurreren en arbeidsstromen op gang te krijgen. Ik zeg nogmaals dat het heel goed is – dat is minder dan het geven van een compliment – dat de minister dit onderwerp op de agenda zet. Ik hoop dat dit gaat lukken.

Als je een contract heb gesloten met Europa en je dat niet naleeft, gaat je dat geld kosten. Daarmee geef ik meteen aan wat een nadeel is van een dergelijk contract. In dit geval denk ik: hup, portemonnee trekken.

Ik dank de minister voor zijn toezegging dat hij gaat uitzoeken wat de Filipijnen deze richting opsturen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik ben wat zijn inzet vanuit Nederland betreft voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid wederom gerustgesteld Ik ben blij dat we daarover binnenkort een brief krijgen. Nadat we die hebben ontvangen, kunnen we hierover echt concreet met elkaar spreken.

Ik ben ook blij met de toezegging dat we van de staatssecretaris een verduidelijking krijgen van de zin over het op maat gemaakte activeringsplan voor uitkeringsgerechtigden dat per 1 januari 2014 zal ingaan. Eerlijk gezegd vind ik het een behoorlijk alarmerende zin. Daarmee wordt namelijk de gedachte opgeroepen dat er van alles opgetuigd gaat worden. Ik kijk dus zeer uit naar de schriftelijke reactie van de staatssecretaris daarop.

Het vrij verkeer van werknemers is voor de VVD eveneens een groot goed, maar zij wil ook de uitwassen bestrijden. We hoorden net een aantal aspecten voorbij komen. Ik verzoek de minister, ook niet uit het oog te verliezen dat er sprake is van een stapeling van problemen. Er wordt namelijk vaak gebruikgemaakt van de zogenaamde Europaroute. Het zijn dan ook niet alleen Portugezen, maar ook Kaapverdiaanse Portugezen. In het verleden hadden we te maken met de Hongaarse Roemenen et cetera. Op die manier kunnen er dus ook mensen buiten de EU bij betrokken zijn. Ik verzoek de minister dus om dat mee te nemen in het totaalplaatje.

Dat de staatssecretaris niet naar de workshop is gegaan over de positie op de arbeidsmarkt van oudere vrouwen, is achteraf gezien een goede keuze geweest. Ik vraag mij overigens nog steeds af wanneer iemand in Europa als een oudere vrouw wordt beschouwd, nu blijkt dat er niets anders uit die workshop kwam dan dat het handig is als ook vaders ouderschapsverlof kunnen opnemen. Het is treurig, maar het is dus goed dat Nederland daar niet naartoe is gegaan.

Minister Asscher: Voorzitter. De heer Kerstens deed de suggestie om de sociale partners snel op de hoogte te brengen van onze inzet. Dat zal ik zeker doen. Ik spreek de sociale partners regelmatig. Daarvoor zal op korte termijn dus zeker gelegenheid zijn.

Het principe van het vrij verkeer voor personen heeft zeker heel grote voordelen. Ik vind het mooi om te constateren dat de SP en D66 op dezelfde lijn zitten, namelijk dat het vrij verkeer als principe overeind moet blijven maar dat de negatieve kanten daarvan moeten worden aangepakt. Je hebt natuurlijk te maken met inkleuringsverschillen. Dat zegt wel iets over de Nederlandse steun voor zo'n Europees principe en over de Nederlandse realiteitszin om de negatieve gevolgen daarvan aan te pakken. Volgens mij word ik door alle Kamerleden in even grote mate opgejaagd om die fraude en schijnconstructies aan te pakken.

Het geven van complimenten mag gevaarlijk zijn, maar het incasseren daarvan is nog veel gevaarlijker. Maar ik verpest het meteen. Dat zal mij niet meer overkomen. De volgende keer zal ik het in stilte mee naar huis nemen, het op de ijskast plakken en ervan nagenieten, mits er een volgende keer komt. Dat is natuurlijk heel onwaarschijnlijk.

Ik wil bij het nadenken over die negatieve gevolgen van het vrij verkeer van personen kijken naar het door mevrouw Van Nieuwenhuizen gegeven voorbeeld van stapeling en ketens die tot gevolg hebben dat Filipijnen en andere mensen door Europa trekken, waar dat ook kan leiden tot uitholling van verworven rechten of van afspraken op nationaal niveau, bijvoorbeeld het principe van gelijk loon voor gelijk werk. Ik neem dat dus mee.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): Het voorbeeld van de Filipijnen is niet helemaal goed in dit verband. Het gaat mij om de wijze waarop de Europaroute gebruikt wordt. Er zijn Kaapverdianen die ook een Portugese nationaliteit hebben. Voor heel veel landen die oorspronkelijk een kolonie hebben gehad, geldt dat een en ander op die manier omzeild wordt. Ik doel op die aspecten. Wil de minister die erbij betrekken?

Minister Asscher: Ik begrijp het.

De voorzitter: Ik dank u wel. Er zijn drie toezeggingen gedaan.

  • De minister zal de Kamer in maart nader informeren over de modaliteiten om de MKOB te laten voldoen aan het Europese recht en de financiële consequenties daarvan.

  • De minister zal de Kamer nader informeren over de situatie over de Filipijnse chauffeurs.

  • De staatssecretaris zal de Kamer nader informeren over het activeringsplan voor uitkeringsgerechtigden.

Ik dank de minister en de geachte afgevaardigden voor hun inbreng en sluit het algemeen overleg.

Sluiting 11.15 uur.