Kamerstuk 21501-299

Verslag van een algemeen overleg

Landbouw- en Visserijraad; Verslag van een Algemeen Overleg


21 501-32
Landbouw- en Visserijraad

nr. 299
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 oktober 2008

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 en de vaste commissie voor Europese Zaken2 hebben op 25 september 2008 overleg gevoerd met minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 18 september 2008 over de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad op 29–30 september en de Informele Landbouwraad op 21–23 september 2008 (21 501-32, nr. 297);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 29 juli 2008 over de uitkomsten van de Landbouw- en Visserijraad van 15 juli 2008 te Brussel (21 501-32, nr. 294);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 16 juni 2008 met een overzicht van de openstaande moties en toezeggingen vanaf de begrotingsbehandeling LNV voor 2008 voor wat betreft voor dit AO relevante onderdelen (31 200 XIV, nr. 225);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 7 mei 2008 met de stand van zaken moties en toezeggingen begrotingsbehandeling LNV voor wat betreft relevante onderdelen (31 200 XIV, nr. 216);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 9 juni 2008 met het kabinetsstandpunt inzake de wetgevingsvoorstellen in het kader van de Health Check gemeenschappelijk landbouwbeleid (28 625, nr. 59);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 1 juli 2008 met het BNC-fiche Health Check (22 112, nr. 662);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 10 september 2008 over export van slachtvarkens vanuit Nederland naar de Russische Federatie (28 286, nr. 230);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 28 augustus 2008 met het BNC-fiche Verordening inzake dierlijke bijproducten (22 112, nr. 665, fiche 1);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 28 augustus 2008 met het BNC-fiche Verordening inzake steunregelingen voor landbouwers (22 112, nr. 665, fiche 5);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 2 juli 2008 over de brandstoffenproblematiek in de visserij (29 675, nr. 47);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 10 september 2008 over de aanpassing van visserijvloten aan gevolgen hoge brandstofprijzen (22 112, nr. 698);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 24 september 2008 over het storten van stenen in het Duitse deel van de Noordzee en de reactie van de Duitse overheid daarop (30 195, nr. 28).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Waalkens Griffier: Dortmans

A. Landbouwonderwerpen

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Het verheugt de CDA-fractie zeer dat schoolfruit prioriteit heeft binnen de EU, maar gelet op de kritiek van de Europese Commissie is er bij de CDA-fractie nog steeds zorg over de inpasbaarheid van bestaande initiatieven, zoals schoolfruit en smaaklessen, in het EU-initiatief. Een combinatie van een ludieke start met het tijdelijk gratis verstrekken van groente en fruit is een uitstekende basis om bij scholen binnen te komen en om aandacht voor gezonde voeding een «boost» te geven. Een EU-schoolfruitschema zou een heel belangrijke aanvulling en versterking van de in Nederland reeds bestaande activiteiten en programma’s kunnen zijn. Er is geen sprake van overlap, maar van synergie van nieuwe Europese en reeds bestaande nationale initiatieven. Heeft de minister dat in haar uitleg aan de EU meegenomen? Wat de bekostiging van de 50% nationale gelden betreft, zal Nederland zich ervoor inzetten dat gelden van brancheorganisaties daaronder vallen. Er wordt ook gedacht aan een eventuele financiering van decentrale overheden als zij met eigen lokale initiatieven deelnemen aan de schoolfruitregeling. Kan de minister meer inzicht geven in de mogelijke financieringsopties die, gelet op de eerdere kritiek op bestaande programma’s, EU-proof zijn? De CDA-fractie heeft veel vragen over de uitvoering, de haalbaarheid van de cofinanciering en de inbedding van bestaande initiatieven. Kan de minister aangeven wat haar inzet is ten aanzien van de concretisering van de uitvoeringsregelingen?

Het is logisch dat de minister nu niet veel meer kan zeggen over de Health Check, maar kan zij toch wat meer inzicht geven in de stand van zaken? De minister is van oordeel dat de Commissie een benadering kiest die goed aansluit bij mondiale ontwikkelingen en de Nederlandse uitgangspunten. De CDA-fractie vraagt zich af in hoeverre de minister erin is geslaagd om de Nederlandse inzet te realiseren. Welke inzet is nog nodig en wat is de haalbaarheid van de nog openstaande zaken van de Nederlandse inzet, met name op het gebied van melkquotumuitbreiding, de ontkoppeling van het aardappelzetmeel, slachtpremies voor kalveren en volwassen runderen conform het voorstel van de Commissie, geen modulatie in het kader van artikel 68 en het optioneel maken of wegstrepen van de vereiste bufferstroken?

De CDA-fractie onderschrijft de inzet van de minister ten aanzien van het plan om Nederlandse varkens naar Rusland te transporteren. De CDA-fractie is van mening dat dergelijke diertransporten niet passen inhet Nederlandse dierenwelzijnsbeleid. Ook op het gebied van diergezondheid betekent dit extra risico’s.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Wij zitten in een lastig parket, want wij hebben zelf in de procedurevergadering afgesproken dat wij het niet specifiek zouden hebben over de houtskoolschets en de Health Check, omdat wij eraan hechten om een apart AO te hebben over de houtskoolschets. Ik vind dat heel verstandig, maar dit betekent ook dat je hapsnap over de Health Check heen moet gaan. Die komt immers toch wel aan de orde. Bij voorbaat excuses als dat niet helemaal volledig is, want eigenlijk zouden wij daar wat langer over moeten spreken.

De voorzitter: Een overleg over de houtskoolschets is geagendeerd, maar de Health Check staat natuurlijk integraal op de agenda.

De heer Polderman (SP): Precies, maar het blijft daardoor een beetje hapsnap en misschien onvolledig.

Ik wil eerst een opmerking kwijt over de vorige Raad. Daarin was de afschaffing van de melkquota opnieuw aan de orde. De minister schrijft in het verslag dat veel lidstaten graag een stevig vangnet willen behouden. Dat is precies wat de SP-fractie steeds heeft bepleit. Harm Schelhaas, oud-voorzitter van het Productschap Zuivel, plaatst de ontwikkeling van het melkbedrijf in het Agrarisch Dagblad van 18 september in een historisch perspectief en waarschuwt terecht voor overschotten met lage prijzen als de overheid haar instrumenten voor marktregulering weggooit. Eerder pleitte hij al voor het leggen van een vloer in de markt om scherpe prijsdalingen te voorkomen en om reservevoorraden op te bouwen, handhaving van zekere invoerrechten om de Europese landbouw te beschermen tegen import uit landen waar geen rekening wordt gehouden met duurzaamheid, dierenwelzijn en mensenrechten, en handhaving van instrumenten om de productie zo nodig bij te sturen, bijvoorbeeld via premieregelingen. Wij sluiten ons daar graag bij aan. Ik krijg daarop graag een reactie van de minister en spoor haar ertoe aan om te leren van het verleden.

Een ander punt waarop wij het niet eens zijn met de door de minister gekozen insteek, betreft haar pleidooi in de Raad voor de inzet van de Commissie om het systeem van marktinterventie veel meer marktgeoriënteerd te maken. Waarom moet Nederland toch steeds het braafste meisje van de liberaliseringlobby zijn?

De Health Check gaat steeds verder op het heilloze neoliberale pad dat sinds 1992 is ingezet. Iedereen weet dat de huidige inkomenssteun is gegeven als compensatie voor prijsverlagingen. Wij hebben de hervormingen altijd afgewezen, juist omdat geld op die manier niet effectief werd ingezet en omdat zij niet tegemoetkwamen aan de maatschappelijke eisen, terwijl de inkomens van de boeren wel daalden. Familiebedrijven in de landbouw stoppen massaal en de landbouw zal niet duurzamer worden, dierenwelzijnseisen worden steeds moeilijker te realiseren en de afhankelijkheid van veevoer en biomassa uit verre landen wordt alleen maar groter. Uiteindelijk kan bij deze grote afhankelijkheid en voortgaande klimaatverandering zelfs de voedselzekerheid in Europa in gevaar komen. De Franse insteek om meer te doen aan de vorming van een voedselbuffer, zoals onlangs in het Financieele Dagblad werd beschreven, lijkt ons zo gek nog niet. De SP-fractie betreurt dus dat de minister daar juist radicaal tegenin is gegaan. Misschien hebben wij niet dezelfde argumenten als de Fransen, maar de uitkomst zou wel eens dezelfde kunnen zijn. Niet voor niets wijst ook het LEI in het Financieele Dagblad van 22 september op het belang van voorraden waarmee prijsschokken op de wereldmarkt kunnen worden opgelost. Ook de Fransen willen deze interventievoorraden behouden. Waarom legt de minister die adviezen allemaal naast zich neer?

De SP-fractie is ook onaangenaam verrast door de opstelling van de minister ten aanzien van de toelating van gemodificeerde producten. De SP-fractie is altijd tegen GM-soja – om precies te zijn: A2704-12 – en tegen GM-katoen – om precies te zijn: cotton 25 – geweest. In het verslag van de laatste Raad lees ik tot mijn schrik dat dankzij de stem van onze minister de stemmen in de ministerraad staakten. Met andere woorden: als de minister ertegen had gestemd, had Europa dit kunnen tegenhouden. Wij betreuren de instemming van de minister. Het lijkt er steeds meer op dat de EU kritische boeren en consumenten voor voldongen feiten wil plaatsen. De toelating van gemodificeerd soja en veevoer versterkt de toelating van genetisch gemodificeerde planten voor Europese teelt en omgekeerd, terwijl daarbij nog steeds geen milieuwinst of -opbrengst te bespeuren is.

Dit brengt mij bij de op dit punt niet uitgevoerde moties. Wij hebben als Kamer gepleit voor het opzetten van een genvrije keten. Als de minister op deze manier met haar stemgedrag in de Raad het tegenovergestelde nastreeft, krijgen wij dus een probleem. Daar krijgen wij graag uitleg over.

Op zich steunen wij het voornemen om het schoolfruitprogramma op te zetten. Wij zien dat als een middel om obesitas te voorkomen en om kinderen aan te zetten tot het nuttigen van gezonder voedsel. Wij pleiten er alleen wel voor om onnodig gesleep van fruit te voorkomen en om dus vooral in te zetten op Europees en Nederlands fruit. Dat lijkt mij ook gezond in het kader van het draagvlak en een gezonde wereld.

Wij zijn er niet gelukkig mee dat er Europees geld zou moeten naar de voedselhulp. Wij steunen de inzet dat dit eigenlijk bij de lidstaten moet liggen. Wij zijn er niet voor om daarvoor een Europees programma op te tuigen.

De situatie op het punt van de transporten naar Rusland moet niet gekker worden. Ik vind de opstelling van de minister toch wat mager. Zij gaat niet verder dan het afwachten van de evaluatie. Het is hoog tijd voor hardere en stevigere acties om dat soort gesleep met levende dieren naar het verre Rusland te voorkomen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ook ik zal mij op het punt van de Health Check beperken, want het is goed dat wij dat in het bredere overleg meenemen.

Allereerst het Raadsvoorstel over de levering van voedsel aan de minstbedeelden. Wij steunen het verzet van de minister tegen deze regeling. Het lijkt ons echt sociaal beleid en dat hoort thuis bij de lidstaten. Wij vinden de reactie van de minister dus correct.

Het schoolfruitprogramma is vergelijkbaar met de levering van voedsel aan de minstbedeelden. Het is een heel ander onderwerp, maar ook op dit punt vragen wij ons af of dit een zaak is voor de Europese Commissie. Wij zetten daar echt vraagtekens bij. Natuurlijk is een schoolfruitprogramma prima. Het gaat om gezondheid en voorlichting, maar de VVD-fractie vindt dat dit nationale aangelegenheden zijn. Dat zouden wij zelf moeten doen; daar hebben wij Europa niet voor nodig. Bovendien is er een link met marktontwikkeling. Wij vragen ons dus af hoe het zit met de marktontwikkeling van deze sectoren. Is hier een noodzaak voor? Daar wordt een link mee gelegd: waar kies je nu eigenlijk voor? Kies je voor de invalshoek «marktontwikkeling van de tuinbouw» of kies je sec voor de gezondheid? In dat laatste geval vindt mijn fractie dat wij dat gewoon zelf moeten oppakken. In die zin vinden wij het ook een beetje vreemd dat het kabinet enerzijds vindt dat het leveren van voedsel aan minderbedeelden thuishoort bij de lidstaten en anderzijds wél kiest voor Europa. Ik krijg daarover graag duidelijkheid van de minister: waarom kiest zij er de ene keer niet voor en de andere keer wel?

Het is absoluut nog niet duidelijk hoe deze regeling zal worden uitgevoerd. Waar ligt bij dit kabinet en deze minister de knip om akkoord te gaan met de uitvoering van de schoolfruitregeling? Op welke basis gaat de minister uiteindelijk daarmee instemmen?

Het BNC-fiche over de steunregelingen is nog niet aan de orde geweest. Wij hebben gelezen dat een wijziging plaatsvindt op het punt van het houden van dieren. De minister geeft zelf aan dat daar nog een heel moeilijke omschrijving in zit. Op dit moment is namelijk nog niet duidelijk wat met de omschrijving «aan het begin van de aanhoudperiode» wordt bedoeld. Wij hebben de regeling dat geboorte, verplaatsing et cetera van een dier binnen drie dagen moet worden aangegeven. Daar is onduidelijkheid over. Gaan wij nu als Nederland tornen aan die drie dagen? Welk effect heeft dat? Gaan wij dat op Europees niveau doen? Wij willen hier duidelijkheid over hebben, want het kan niet waar zijn dat wij daaraan gaan tornen. In het kader van de ziektebestrijding is het wezenlijk dat het I&R-systeem die termijn van drie dagen behoudt. Daar moeten wij niet mee gaan schuiven.

Ik heb ook een vraag over het BNC-fiche over dierlijke bijproducten. Ook op dat punt gaat een ingrijpende wijziging plaatsvinden. De minister geeft zelf aan dat de structuur van de verordening ingrijpend wordt veranderd. Wij weten nu dat Nederland heel veel invulling heeft gegeven aan de beheersing van de risico’s van dierlijke bijproducten. Hoe gaat de nieuwe verordening aansluiten op ons eigen GMP-verhaal? Wij hebben een heel goed werkend systeem. Gaan wij daar afscheid van nemen? Dat is voor ons onduidelijk. Daarover willen wij helderheid, ook omdat de minister zelf aangeeft dat er op dit punt grote risico’s zijn voor de regeldichtheid en een grote regelmacht bij de Commissie. De minister acht waakzaamheid geboden. Ik hoor graag van haar wat voor haar de grens is en waar wij naartoe gaan. Wij willen immers absoluut geen afscheid nemen van onze huidige voorwaarden, want wij hebben het systeem volgens ons goed op orde.

De voorzitter: Wilt u gaan afronden?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dan heb ik nog twee heel korte vragen. De minister heeft aangegeven dat zij de zuivelquotering graag per jaar wil bekijken, ook in relatie tot de omvang van de productie in de wereld en in Europa. Dat lijkt ons een heel goede invalshoek. De vraag is natuurlijk hoe andere lidstaten daarop reageren.

Ik heb een persbericht gelezen: «Verburg kweekt begrip voor probleem met bufferstroken». Ik ben heel benieuwd in welk perspectief wij dat moeten plaatsen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Transporten van levende varkens naar slachthuizen in Rusland zijn met de huidige Europese regelgeving niet te stoppen. De minister zegt dat zij zich zorgen maakt over het lot en de ontberingen van de duizenden varkens, maar is met handen gebonden omdat haar eigen partij in 2006 aanvullende regelgeving onmogelijk heeft gemaakt. Een verzoek van de minister aan de sector om vrijwillig af te zien van het vervoer van levende varkens naar Rusland voor de slacht, is aan dovemansoren gericht. Dat weten wij allemaal. Het is bekend dat de veetransportsector een kwartje winst prevaleert boven duurzaam en diervriendelijk bezig zijn. De sector heeft keer op keer laten zien geen verantwoordelijkheid te kunnen en willen nemen. Ik hoop dan ook dat de minister door deze onwil vanuit de sector eindelijk wakker is geschud uit haar wensdroom over het bedrijfsleven als bondgenoot bij het verbeteren van het dierenwelzijn. Toen ik dit twee weken geleden aankaartte, bevestigde de minister dat zij echt begaan is met het lot van de varkens op transport. Zij verzekerde mij dat zij daar zeker geen krokodillentranen over zou plengen. Zij wil zich in Europees verband, bij de bespreking van het herzieningsvoorstel van de Europese Transportrichtlijn, sterk maken voor een maximale transporttijd van acht uur, maar de verwachting is dat dit voorstel pas in 2009 wordt gepresenteerd. Ik vraag de minister, als zij geen krokodillentranen plengt, om actie. Kan het eerder op de Europese agenda en kunnen wij een proactieve houding van haar verwachten? Dat zou mij deugd doen.

Met betrekking tot Europa en het belang dat de minister altijd hecht aan één Europa met afspraken waar wij ons allemaal aan houden, heb ik een pijnlijk puntje. Er is een Europese overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren. Alle lidstaten op twee landen plus Nederland na – die twee landen zijn Azerbeidzjan en Italië – hebben deze overeenkomst in de afgelopen twintig jaar geratificeerd. Alleen Nederland en – ondiplomatiek uitgedrukt – die twee bananenstaten hebben dat nog niet gedaan. Hoe kan het nou dat al die landen dat voor elkaar krijgen terwijl dat ons niet lukt? Er is een motie aangenomen waarmee de Kamer heeft gezegd: ratificeren die handel, want het duurt nou al veel te lang. De minister zegt dat ratificatie pas kan plaatsvinden als het verdrag ook kan worden uitgevoerd. Dat lijkt mij zinnig, maar je spreekt met elkaar af wat je in Europees verband gelijk wil trekken en dan zegt de minister dat zij de voorschriften over de handel in en het fokken van kleine huisdieren in Nederland niet kan uitvoeren omdat haar beleid zich richt op de eigen verantwoordelijkheid van de sector. Hoe valt dat te rijmen? En met welk deel van de overeenkomst heeft de minister precies moeite? Ligt het aan de voorwaarde dat dieren voldoende beweging moeten krijgen of aan de voorwaarden die gesteld worden aan het gebruik van dieren voor amusementsdoeleinden? Ligt het aan het verbod op de verkoop van dieren aan jongeren onder de 16 jaar? Hoe kan de minister dit uitleggen als zij zo’n groot voorstander is van een level playing field en van afspraken die heel Europa over dezelfde kam scheren?

Dan het schoolfruit. De PvdD is natuurlijk voor het stimuleren van gezonde voeding; dat is geen geheim. Het verstrekken van fruit op scholen kan een bijdrage leveren aan een gezond voedingspatroon. De minister schaart zich niet meteen achter het Europese voorstel omdat in Nederland al lopende schoolfruitprogramma’s wat haar betreft geïntegreerd moeten worden. Ik vraag mij af op welke succesvolle nationale programma’s de minister doelt en waarom zij geïntegreerd moeten worden. Is bijvoorbeeld de pilot van Campina om naast schoolmelk ook fruit te leveren, een van de initiatieven waarop de minister doelt? Ik weet niet of er al concrete plannen liggen voor de verdere invulling van het schoolfruitprogramma in Nederland, maar ik wil graag weten – ik heb hier een paar scrabblewoorden – of het schoolfruitprogramma wordt gekoppeld aan de schoolmelkinfrastructuur. Wij vinden namelijk dat koppelverkoop voorkomen moet worden. Het moet niet zo zijn dat je als school bij deelname aan het schoolfruitprogramma gedwongen bent om ook mee te doen aan het schoolmelkprogramma. Daarin wordt nu weliswaar meer gelet op voedingskundige aspecten, maar het gaat nog steeds om onverzadigde vetten en er worden suikers toegevoegd in drinkyoghurt en chocomel. De positieve effecten van schoolfruit kunnen, als wij niet oppassen, dus met één slok melk teniet worden gedaan. Dat moeten wij willen voorkomen. Ik wijs daarbij ook op het rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie, die recent heeft geconstateerd dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid met het jarenlang stimuleren van productie van onder meer zuivel tot meer hart- en vaatziekten heeft geleid.

Voorzitter, heb ik nog even tijd of moet ik afronden?

De voorzitter: Nog dertig seconden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wij hebben de minister gevraagd om een brief over dierwaardig vervoer. Daar wacht ik nog even op, maar zij heeft ook toegezegd dat zij dit systeem zou voorleggen aan de Europese Commissie. Heeft zij dat intussen gedaan?

Wat wij van de Health Check vinden, is genoeg bekend.

Voorzitter: Snijder-Hazelhoff

De heer Waalkens (PvdA): Voorzitter. Het is goed dat wij nu ook van de minister horen welke wensen geprioriteerd ingezet worden bij de Health Check. Wij zitten in de afronding van alle consultaties. Wij hebben er in de Kamer ook al meerdere keren over gesproken. Het zou goed zijn als de minister in volgorde van prioriteit nog eens stipuleert wat nu de inzet van Nederland is. Wij hebben de brief gezien met de kabinetsinzet, maar ook als Kamer willen wij zo langzamerhand graag weten wat de Nederlandse inzet is, even los van de onderhandelingsmarges. Voor ons is van belang dat vastgehouden wordt aan een aantal toch wel drastische stappen om van het landbouwbeleid meer naar een plattelandsbeleid te gaan, zodat naast de boeren de rurale ondernemers de kans krijgen om een eerlijke beloning te krijgen voor de diensten die zij leveren om de publieke doelen te halen. De modulatie in dit opzicht heeft de steun van de PvdA-fractie: 8% extra om over te schuiven van de eerste pijler naar de tweede pijler.

Wij zijn het ook eens met de inzet van het kabinet om grote marktschommelingen op te vangen via interventiemaatregelen, maar dat mag alleen bij grote schommelingen en moet tijdelijk zijn. Wij zijn benieuwd naar de mogelijkheden van de verzekeringsmodellen die op dit moment bestaan.

Dan de ontkoppeling. De argumentatie voor het niet willen stoppen van de koppeling, met name bij de zoogkoeien en de schapen, deugt volgens mij niet. In gebieden waar een leegloop dreigt van het platteland, zou je voor het beheer van die gebieden een beloningssysteem moeten opzetten. Dan moet er niet gekoppeld blijven worden aan zoogkoeien en schapen. Dat is een verkeerde argumentatie. Je moet veel meer kijken naar een eerlijke beloning voor het beheren van kwetsbare gebieden. Dat past ook in Nederland, maar daar komen wij nog over te spreken.

De braaklegregeling is op nul gezet, maar wij hebben telkens ingebracht dat er met de akkerranden en het beheer daarvan een streep is gezet. De akkerranden zijn geploegd en alles is weer in productie genomen. Wij hadden met elkaar afgesproken dat wij die akkerranden van belang vinden, niet alleen voor de bescherming van de kwaliteit van het water maar ook voor de biodiversiteit. Ik krijg dus graag een reactie van de minister op het monitoren van de effecten van het op nul zetten van de braaklegregeling.

Wij zijn voor een gefaseerde aanpak en uitbreiding van de melkquota, maar de milieueffecten moeten heel nadrukkelijk gemonitord worden. Wij weten allemaal dat er een enorme opdracht bij de veehouderij ligt om de methaanuitstoot te volgen en niet te laten toenemen, want wij hebben een aantal doelstellingen.

Het punt ten aanzien van Rusland is natuurlijk sterk gekoppeld aan de langeafstandstransporten. Ik kan mij niet voorstellen dat er op dit moment nog exportsubsidies zijn op het exporteren van vee buiten Europa. Ik vind ook dat wij dat aan een heel kritische blik moeten onderwerpen, maar het kan niet zo zijn dat wij levende dieren dagen op transport zetten naar Rusland. Ik ben blij dat de VWA strenger gaat controleren op de transporttijden van levend vee.

Tot slot verneem ik graag de stand van zaken met betrekking tot de WTO.

Voorzitter: Waalkens

Antwoord van de minister

Minister Verburg: Voorzitter. Ik bedank de Kamer voor de inbreng in eerste termijn. Wij hebben net afgelopen weekend een informele Landbouwraad gehad, in Annecy. Wij hebben daar vooral gekeken naar de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. «Informeel» betekent ook echt «informeel». Dat betekent dat daar de afgelopen paar dagen geen besluiten over zijn genomen, maar ik ben er wel blij mee dat er in Europa brede steun voor bestaat om, vooruitkijkend naar wat nodig is, voedselproductie enzekerheid hoog op de agenda te zetten. Daarvoor is ook nodig dat je na 2013 een gezamenlijk Europees beleid voert, waarbij gebruik wordt gemaakt van de sterke punten die wij in de loop van de jaren hebben ontwikkeld. Het landbouwbeleid is een van de pijlers van de samenwerking binnen Europa en van de eenwording in Europa. Dat is herkend en dat wordt onderkend. Daarom heeft het overgrote deel van de lidstaten gezegd dat er na 2013 opnieuw een gemeenschappelijk landbouwbeleid moet zijn. Daarin moet worden afgesproken hoe je boeren in staat kunt stellen om de wereldmarkt in de ogen te kunnen zien, hoe je de samenleving kunt bedienen door boeren een taak en een rol te geven bij het onderhoud van het landschap en bij het «boeren» in waardevol landschap of in een landschap met een handicap of wat dan ook. Je moet er ook voor zorgen dat daar een goede, reële beloning voor is en niet, zoals nu wel eens het geval is, een tegemoetkoming, schadeloosstelling of compensatie.

Wij hebben de dagen natuurlijk ook benut om af te tasten hoe de verschillende landen staan op het punt van de Health Check, maar ik zeg daar nadrukkelijk bij dat de onderhandelingen en het overleg over de uitkomsten van de Health Check nog moeten beginnen. Daar maken wij komende maandag en dinsdag een begin mee. Het is dus geen gelopen race. Er zijn weliswaar voorstellen gepresenteerd door de Europese Commissaris en weliswaar heeft het voorzitterschap bij monde van mijn collega Michel Barnier er al een aantal beschouwingen aan gewijd en er ook al enkele Franse opvattingen over gegeven, maar de onderhandelingen moeten nog plaatsvinden.

Aan de agenda zijn drie punten toegevoegd. Het eerste punt betreft de enting tegen blauwtong. Op dat punt stellen wij vast dat het ontwikkelen van het vaccin en de vaccinatiecampagne in Nederland goed hebben uitgepakt. Dat geldt ook voor andere lidstaten. Vorig jaar rond deze tijd zagen wij dat steeds meer bedrijven en dieren slachtoffer werden van het blauwtongvirus, met alle ellende van dien. Nu hebben wij het beperkt weten te houden tot op dit moment minder dan 30 bedrijven. Het is een ongelooflijk succes dat wij onze dieren en boerenfamilies daarvoor kunnen behoeden. Wij staan even stil bij dat succes, maar kijken ook vooruit, want het is nu bijna oktober. Als je volgend jaar iets wilt en als je die campagne wilt doorzetten, zul je daar nu aandacht aan moeten besteden. Dat gaan wij ook doen. Tegelijkertijd ga ik ook vragen om nog eens goed door de deskundigen in Pirbright te laten onderzoeken of het toch niet mogelijk is om in te zetten op het uitroeien van blauwtong. Wij hebben in Nederland te maken met het blauwtongtype 8. Er is nu een ander type dat ook in Noord-Europa steeds actiever wordt; dat is type 1. Wij dachten dat dit type zich concentreerde in de zuidelijke landen. Daar is het ook al meerdere jaren aanwezig, maar ook dat rukt nu op naar het noorden. Je zult daar dus heel goed naar moeten kijken: is er een campagne of strategie te ontwikkelen waardoor je blauwtong echt definitief kunt uitroeien? Ook dat vraagt de nodige aandacht.

Het tweede punt is dat Polen en Hongarije aandacht vragen voor de zeer lage prijzen die boeren in die landen krijgen voor industrieappels. De prijzen zijn ondanks het slechte weer laag. Daarnaast is er sprake van de import van appelpulp uit China.

Tot slot hebben wij gisteravond een overleg gehad over hout en het flegtdossier. Ik heb de Kamer gisteravond toegezegd dat ik er volgende week bij de Commissie op zal aandringen om in oktober te komen met een analyse, een pakket van maatregelen en de inzet van de Europese Unie in internationale handelsfora en bossenoverlegstructuren om daar druk op te houden en om de ook door de Kamer aangegeven urgentie nadrukkelijk onder de aandacht te brengen.

Alle woordvoerders hebben gesproken over het schoolfruit en vinden het goed om overgewicht bij kinderen tegen te gaan. Daar kun je niet jong genoeg mee beginnen. Op school is daar natuurlijk een goede gelegenheid voor. Als kinderen al jong in aanraking komen met groente en fruit, is bovendien sprake van een gewenningspatroon. Het is natuurlijk niet gezegd dat kinderen dat niet al van huis uit leren, maar uit onderzoek blijkt dat er soms nog maar schrikbarend weinig groente bij kinderen bekend is of dat kinderen groente al heel snel niet lekker vinden en het dan ook niet hoeven te eten. Investeren in je gezondheid begint heel jong. Daar kan dit schoolfruitprogramma een bijdrage aan leveren. Daarnaast is er sprake van begeleidende programma’s, ook op het punt van voorlichting en bewustwording. Ook dat is heel belangrijk. Enerzijds heeft het dus te maken met het tegengaan van het te dik worden van met name jonge kinderen; anderzijds heeft het te maken met de afzetmogelijkheden van fruit. Om die reden wordt het programma in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gepresenteerd. Dat betekent dat wij in beginsel positief staan ten opzichte van dit Europese schoolfruitinitiatief, maar wij hebben nog wel een aantal aarzelingen, ook over het uitvoeringsprogramma. Essentieel is dat bestaande programma’s kunnen profiteren van dit programma en daar dus ingeschoven kunnen worden. Dan hebben wij het inderdaad over de door de heer Koppejan genoemde smaaklessen en over SchoolGruiten. Het laatstgenoemde programma loopt via VWS, maar wij zijn voornemens om dat in 2009 in elkaar te schuiven. Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat het initiatief van Campina daar niet bij hoort. Dat is een privaat initiatief, een bedrijfsinitiatief, en dat hoort hier niet bij. Wij vinden echter wel dat de smaaklessen en SchoolGruiten hier gewoon in geschoven moeten worden.

Op het punt van de cofinanciering zetten wij in op een zogenaamde parafiscale heffing. Zo zou via de productschappen kunnen worden voorzien in cofinanciering. Het derde punt is: als de regeling er komt, vinden wij dat zij gepaard moet gaan met een minimum aan administratieve lasten, zowel voor het bedrijfsleven als voor de scholen. Het vierde punt is dat er een vrije keuze moet blijven: maken wij gebruik van dit programma of maken wij daar geen gebruik van? Deze opmerkingen gaan wij maken om de regeling zo effectief en strak mogelijk en zo weinig mogelijk administratief belastend te maken.

Mevrouw Snijder is het eens met het standpunt van de regering over de Europese voedselbanken, maar vroeg waarom de regering geen Europese rol ziet bij de voedselbanken en wel bij het schoolfruit. Dat is een zeer terechte vraag. Wij zijn geen voorstander van die voedselbanken, omdat het daarbij gaat om sociaal beleid en om specifieke zaken waarop ingezoomd moet worden om te voorkomen dat mensen in een armoedesituatie komen en naar een voedselbank moeten gaan, maar ook omdat er maatwerk geleverd moet worden op het moment dat mensen wel in die situatie zitten. Ook bij de bestaande initiatieven in Nederland van de voedselbanken is een koppeling met de Sociale Dienst nodig, zodat de gemeente weet waarom mensen naar voedselbanken gaan en of de oorzaken weggenomen kunnen worden. Dat is immers de essentie: in landen in de EU moet het gewoon niet nodig zijn dat mensen naar een voedselbank gaan om aan hun dagelijkse eten en drinken te komen. Ik heb zojuist uitgelegd dat het bij het schoolfruit gaat om het zo vroeg mogelijk bekend maken van jonge kinderen met fruit en om hen daaraan te laten wennen. Dat heeft te maken met een gezondheidscampagne, gezond eten, lekker eten enzovoort.

De heren Koppejan en Waalkens hebben gevraagd wat, in volgorde, de «Health Check»-prioriteiten voor Nederland zijn. Het is een pakket. Als je aan een steen gaat trekken, haal je dingen los, maar het pakket dat wij gewoon willen, is: de verruiming van de melkquotering en een zachte landing in 2015. Dat hebben wij afgesproken: in 2015 moeten de Europese boeren voor een wereldmarktprijs kunnen produceren. Handhaving van prijsondersteuning, waarvan wij trouwens al een poosje geleden in hoge mate afscheid hebben genomen, zou ten koste gaan van die afgesproken gewenning aan de productie voor de wereldmarkt. Ons voorstel is om af te spreken dat het quotum per jaar met 2% à 3% wordt verruimd. Daar kun je namelijk naartoe werken. Dat gaat binnen de randvoorwaarden die het milieu kan hebben. Wij weten dat er op het punt van de nitraatactieprogramma’s, mest enzovoort nog een hele opgave ligt. Boeren die gebruik willen maken van de mogelijkheid om hun quotum uit te breiden, moeten rekening houden met die randvoorwaarden. De milieurandvoorwaarden vormen dus het kader waarbinnen de uitbreiding van het melkquotum kan plaatsvinden. Dat weten de boeren ook. Ook bij de eenmalige quotumuitbreiding per 1 april van dit jaar van 2,5% is dat nadrukkelijk gecommuniceerd.

De heer Polderman (SP): Ik snap dat die milieuvoorwaarden de randvoorwaarden zijn, maar is het mogelijk dat die milieuvoorwaarden, met name op het punt van nitraat, zo streng worden dat van die vrijlating van de quotering eigenlijk niets terecht kan komen?

Minister Verburg: Dat weet ik niet. Er zijn nu in de praktijk boeren die nog wel iets meer zouden kunnen melken zonder een grote uitbreiding van het aantal koeien. Tegelijkertijd zijn er veel initiatieven op het gebied van voer en management, die de nitraatuitstoot verminderen. De opgave blijft. Dat is ook een uitdaging, een randvoorwaarde waarvan veel boeren zeggen: kan dat niet een beetje ruimer? Wij zeggen echter dat dit bij de spelregels hoort. Randvoorwaarden zijn er niet voor niets, maar het is niet zo dat er dan helemaal niets meer kan.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik ga ervan uit dat min of meer vastligt dat die 1% uitbreiding er komt. Dat wordt steeds gesuggereerd, ook in uw eigen berichtgeving. U en ook wij met z’n allen zijn er voorstander van om die verruiming richting 2% tot 3% te geven, maar u zegt nu in een kop «Verburg wil zuivelquotering per jaar bekijken». Ik ben heel benieuwd wat andere landen daarvan vinden. Ik denk ook dat u dat in het overleg hebt afgetast.

Minister Verburg: Ook op dat punt heb ik geprobeerd om begrip te kweken. In zo’n informele Landbouwraad bekijk je natuurlijk waar wij uit kunnen komen. Wij weten – dat wisten wij natuurlijk al bij de verruiming in april – dat grote lidstaten zoals Duitsland en Frankrijk daar absoluut niet bij staan te juichen. Toch hebben wij dat gerealiseerd en dat vraagt iets. Ik heb gezegd dat je boeren de zekerheid zou moeten geven dat er een verruiming komt van 2% à 3% per jaar. Wij moeten nog onderhandelen over wat dat precies wordt. U weet natuurlijk dat niets vaststaat totdat alles vaststaat. Die ene procent is er dus ook nog niet. Er is nog niets anders dan voorstellen. Je moet altijd blijven kijken naar wat de markt doet. Ik heb dus gezegd: geef nou die zekerheid van 2% à 3% uitbreiding per jaar na 2015. Anders kun je niet spreken van een zachte landing en krijg je in 2015 een enorme plof op de wereldmarkt. Die uitbreiding is dus goed, maar bekijk dan wel per jaar hoe het ervoor staat. Alleen in uitzonderlijke gevallen zou je kunnen overwegen om het maar even niet te doen of om het een tandje meer of minder te doen. Dat is iets anders dan een benadering die ik van collega’s heb gehoord: laten wij ons daar nu niet op vastleggen en laten wij dat gewoon per jaar bekijken. Dan geef je geen kader.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U moet in uw gesprekken hebben gevoeld wat de reactie daarop is. Of kunt of wilt u dat niet aangeven?

Minister Verburg: Ik heb u nu aangegeven wat de inzet is. Het mooie van onderhandelen is dat je tussentijds niet elke stap die je zet, bekend maakt omdat je denkt: wat valt er te halen en wat niet? Je probeert aan het eind met een zo goed mogelijk resultaat thuis te komen. Bovendien is het van belang om aan het eind van de «Health Check»-discussie, bij het nemen van een besluit, zoveel mogelijk winnaars te hebben. Eigenlijk moeten dus alle 27 lidstaten het gevoel hebben dat zij met onze Europese landbouw een beetje hebben gewonnen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): U hebt het over duidelijkheid en kaders voor de boeren, zodat iedereen weet waaraan hij toe is. De vraag is natuurlijk wanneer u meer duidelijkheid kunt geven over de manier waarop de randvoorwaarden worden ingevuld. Er zitten immers nog tal van onzekerheden in dit hele traject, zoals de ammoniakdoelstellingen en de milieu- en klimaateffecten van een mogelijke uitbreiding van de veestapel. Je kunt dat niet onbesproken laten en geen kaders stellen, want wat gebeurt er als u straks ongelijk hebt en als het binnen die randvoorwaarden helemaal niet lukt? Dan hebt u de boeren wel voorgeschoteld dat er een aantal procenten bij kon.

Minister Verburg: Boeren zijn heel verstandige ondernemers. Zij realiseren zich dat de inzet van onderhandelingen niet altijd de uitkomst is. Boeren lezen ook heel goed de diverse bladen: het Agrarisch Dagblad, De Boerderij, Nieuwe Oogst en alles wat er verschijnt. Zij hebben heel scherp in de gaten dat wij nu pas gaan onderhandelen in plaats van dat er al een uitkomst is. Zij zijn dus net zo benieuwd als u en ik naar die uitkomst, maar zij weten dat zij zich nu nog niet rijk moeten rekenen. Wat de andere zaken betreft: ik heb de randvoorwaarden al aangegeven. U weet dat er een nieuw nitraatactieprogramma gerealiseerd moet worden om weer voor een nieuwe periode een derogatie te kunnen aanvragen. De Europese Commissie heeft een assessment gemaakt met betrekking tot de uitbreiding van het quotum en de effecten daarvan voor de ammoniakdoelstelling en voor het milieu en het klimaat in de volle breedte. Daaruit blijkt dat daar heel goede mogelijkheden voor zijn binnen de huidige klimaat- en milieuruimte. Volgens mij heb ik u dat al eerder gemeld. Ik weet ook nog op welke bladzijde dat was: bladzijde 93.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wij verschillen van mening over de zekerheid die de minister hier neerlegt.

Minister Verburg: U denkt misschien dat ik hier zekerheden neerleg, maar ik denk dat in ieder geval niet. Ik geef alleen de Nederlandse inzet in de onderhandelingen. Ik spreek dus niet van «zekerheden». Ik heb het over randvoorwaarden en de inzet bij onderhandelingen.

Het tweede punt is de volledige ontkoppeling van een aantal zaken. Het derde punt is: geen verplichte bufferstroken in heel Nederland. Ik heb in de informele Landbouwraad geprobeerd om daar begrip voor te kweken. Ik heb goede hoop dat er begrip is, maar ook dit is nog niet van tafel. Het laatste punt is natuurlijk het optimaal benutten van de eerste pijler in het kader van artikel 68 om te voorkomen dat wij naar extra modulatie gaan. Via artikel 68 zouden boeren beloond moeten worden voor hun bijdrage aan landschap, water, milieu, dierenwelzijn enzovoort. Dat is ook in de houtskoolschets van belang.

Over de ontkoppeling hebben de heren Koppejan en Waalkens iets gevraagd, namelijk ten aanzien van aardappelzetmeel, slachtpremies en vlas. De heer Waalkens denkt dat de ontkoppeling met betrekking tot de zoogkoeien en de schapen gewoon kan. Ik ben dat op zich met hem eens, maar wij moeten zorgvuldig een moment kiezen. De inzet van het kabinet om die ontkoppeling te realiseren, is bekend. Wij kijken in dit hele traject namelijk ook naar een level playing field in Europa, zodat wij niet tussen nu en 2013 ook nog een ongelijk speelveld creëren doordat wij al zouden ontkoppelen en andere lidstaten nog niet.

De heer Koppejan vroeg specifiek naar de ontkoppeling van vlas. Ook op dat punt is het standpunt van de regering bekend. Bovendien is het afgelopen jaar minder vlas geteeld, omdat de productie van graan profijtelijker is voor de akkerbouwers.

Bij de voedselprijzen gaat het om het voorstel dat namens de Europese Commissie is gedaan door de heer Barroso. Dat betreft het bedrag van 1 mld. De Nederlandse regering vindt dat er iets moet gebeuren, maar vindt het voorstel van Barroso om het budget dat overblijft in de land- bouwpijler, in de tweede categorie van de begroting, zomaar over te hevelen naar een andere categorie en om daar ergens anders nog wat extra geld bij te doen, geen goed plan. Dat is tegen de spelregels die wij hebben gemaakt. Bovendien: hoe wil men dat doen vanuit Europa? De Nederlandse regering heeft gezegd: het is beter dat het geld teruggaat naar de lidstaten, overeenkomstig de spelregels die wij daarvoor hebben vastgesteld. Zoals bekend hebben wij in Nederland al besloten om structureel per jaar 50 mln. meer te investeren in de landbouwproductie in Afrika. Dat staat in een nota die collega Koenders voor Ontwikkelingssamenwerking en ik hebben uitgebracht. Wij gaan langs vijf sporen structureel investeren in de landbouw, want via het adagium «Geef mensen een vis en zij zullen morgen weer honger hebben; geef hun een hengel, leer hen zo nodig vissen en zij zullen zichzelf kunnen redden» is het voor de langere termijn van cruciaal belang dat investeringen in de landbouw in Afrika weer handen en voeten krijgen en dat dit langs verschillende sporen gaat. Daarbij gaat het om beter uitgangsmateriaal, verhoging van de productie, werken aan de infrastructuur en ervoor zorgen dat er ketenontwikkeling komt. Ook duurzaamheid is een belangrijk element en er moet ook voor worden gezorgd dat productverrijking kan plaatsvinden. Zo hebben wij een aantal sporen uitgezet. Als Afrikaanse overheden daar ook in gaan investeren zodat zij een landbouwklimaat creëren in hun land, is op termijn veel meer mogelijk en zijn er veel betere mogelijkheden dan met eenmalig 1 mld. Volgend jaar is dat geld er dan namelijk weer niet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wellicht liggen die uitgangspunten er wel en heb ik ze niet gezien, maar heeft het kabinet de zojuist genoemde voorwaarden voor investeringen in Afrikaanse landen op papier of zou ik die bij dezen kunnen vragen?

Minister Verburg: U hebt ze in principe al. U kunt ze volgens mij ook downloaden. Het is een nota van Koenders en mij. Die nota heet: Investeren in landbouw en rurale ontwikkeling.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vergis me. Er is laatst zelfs een AO over geweest.

Minister Verburg: Daar zetten wij voluit op in. Ik durf te stellen dat wij op dat punt in Nederland een unieke samenwerking hebben tussen LNV en Ontwikkelingssamenwerking. Dat is in het verleden wel eens anders geweest, net zoals er in het verleden een schromelijke verwaarlozing is geweest van investeringen in de landbouw, zowel door Westelijke donorlanden als door Afrikaanse landen zelf. Dat is ook door rapporten bevestigd.

De voorzitter: Wat is nu de status van het voorstel van Barroso? Over welke bedragen hebben wij het en waar komt dat geld vandaan? Is het een scherp omlijnd voorstel of is dit een ballon die wat heen en weer waait?

Minister Verburg: De voorzitter van de Europese Commissie Barroso heeft dit voorstel gedaan tijdens een G7- of G8-top. Dat kwam in ieder geval voor de lidstaten, ook voor Nederland, als een volslagen verrassing. Iedereen weet wel dat er in sommige pijlers of in sommige begrotingscategorieën wat geld over is, maar daar spreek je dan eerst even ordentelijk over. Als je zo’n voorstel gaat doen, zorg je er ook voor dat de lidstaten daarachter kunnen gaan staan. Barroso heeft er om hem moverende redenen voor gekozen om daar niet op te wachten en om het voorstel te doen. Hij is nu dringend uitgenodigd om het voorstel dan maar eens handen en voeten te geven, zodat de lidstaten het kunnen beoordelen. Nederland is niet enthousiast over de door Barroso voorgestelde aanpak. Een groot aantal Europese lidstaten en ook een groot aantal landbouwministers lopen er niet warm voor. Ik geef het voorstel van Barroso, ook in zijn financieringsvorm, eerlijk gezegd dus niet veel kans.

Mevrouw Snijder heeft iets gevraagd over de verordening inzake de steunregeling voor landbouwers. Zij heeft het daarbij zeer waarschijnlijk over het arrest-Schoonewille-Prins en dus over de termijnoverschrijdingen van I&R. Ik verwijs naar dat arrest, want het Europese Hof heeft zich hiermee bemoeid.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Nee, het gaat over een fiche, Verordening inzake steunregelingen voor landbouwers.

Minister Verburg: Ja, maar dat is naar aanleiding van het arrest-Schoonewille-Prins. Ik zal heel kort en duidelijk zijn: wij gaan niet tornen aan die drie dagen voor I&R.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dan is de vervolgvraag: hoe landt dit bij de rest?

Minister Verburg: Dat gaan wij zien. Ik geef u mijn inzet en u bent er altijd weer bij om te vragen wat daarvan gerealiseerd is.

U hebt ook iets gevraagd over de Verordening dierlijke bijproducten. Ook dat betreft een BNC-fiche. U hebt gezegd dat wij dat in Nederland nu goed op orde hebben en dat wij dat niet zomaar moeten weggeven voor Europese regels. Dat is op zich een boeiend standpunt: wij hebben het in Nederland goed op orde; laat Europa het dus maar even bekijken. Wij zijn hierover aan het praten. Het moet helder zijn dat er geen risico’s meer aanwezig zijn voor de diergezondheid en de volksgezondheid als wij een voorstel van de Europese Commissie willen kunnen volgen. Het is natuurlijk wel beter om Europese afspraken te maken, maar dan moet echt gegarandeerd zijn dat er geen risico’s meer zijn voor dieren en mensen. Dat is volgens mij ook wat u bedoelde. Pas dan zullen wij akkoord gaan met eventuele Europese verordeningen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dat is het belangrijkste punt, maar het tweede belangrijke punt is dat uzelf waarschuwt voor de suggestie dat de regelgeving zou verminderen. U schrijft zelf in uw stukken dat waakzaamheid op dat punt echt geboden is. Dan gaan bij mij de alarmbellen rinkelen, want als dat wordt aangegeven, is daar echt zorg over. U schrijft ook dat Nederland eigenlijk alleen maar wil dat wij dan naar een doel- in plaats van een middelvoorschrift gaan. Dan is de vraag waar de grenzen liggen. Ik begrijp dat ook dit onderwerp is van discussie, maar ik hoop wel dat u daar strak in wilt zitten. Wij hebben er natuurlijk geen belang bij dat wij er toch extra regelgeving bij krijgen.

Minister Verburg: Dat is natuurlijk het punt. In mijn brieven schrijf ik dat wij waakzaam moeten zijn, omdat wij in het verleden harde lessen hebben geleerd. Wij hebben het al eerder gehad over het gebruik van diermeel. Ik heb gezegd dat wij op dit punt absoluut geen risico moeten nemen, want die lessen liggen nog heel vers in ons geheugen. Dat bepaalt ook de inzet in Europa: die lessen uit het verleden moeten vertaald worden in een lijn naar de toekomst. Ik verwacht niet dat wij het voor het eind van het jaar al helemaal eens worden over deze verordening. Als wij akkoord willen gaan met een dergelijke verordening, moeten wij de zekerheid hebben dat er volstrekte helderheid is over de mogelijke risico’s. De administratieve lasten zijn natuurlijk een van de punten: regelen wij alles weer dicht, gaan wij weer heel ingewikkelde extra nieuwe systemen opzetten, wat kan er dan nog wel en wat kan er dan niet meer? Ook daarvan zeggen wij: als er Europese regelgeving komt – die is ook wel te prefereren vanwege het gelijke speelveld – dan moet zij uitvoerbaar zijn en dan moet zij niet leiden tot hoog opgetaste eisen, administratieve lasten enzovoort. Voorlopig zeggen wij echter: wij hebben in Nederland een stelsel dat werkt, met de behoedzaamheid die absoluut noodzakelijk is. Onze waakzame houding ten opzichte van Europa geldt voor die risico’s. Daarnaast is er altijd alertheid voor eventuele administratieve gevolgen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Nederland heeft natuurlijk zijn lessen geleerd. Wij hebben een heel strak systeem met veel controles. Dat is een goede positie. Wij hebben ook gezegd dat Nederland met die positie eigenlijk in staat moet zijn om het hele verhaal van diermeel eventueel terug te brengen in de veevoeders. Zo’n strak systeem hebben wij. Natuurlijk willen wij een gelijk speelveld, maar het moet niet zo zijn dat er straks een heel strakke verordening is die onze regels op de een of andere manier nog verder aanscherpt en dat wij straks aan de leiband gaan lopen van de nieuw toegetreden landen. Die zijn immers nog lang niet zover. Dan zetten wij onszelf op achterstand.

Minister Verburg: Ik geloof dat ik hier al drie dingen over heb gezegd. Ik denk dat mevrouw Snijder en ik niet zoveel van mening verschillen. Wij hebben een goed systeem. Dat ruilen wij niet zomaar in voor iets wat uit Europa komt, maar wij gaan wel bouwen aan een Europese verordening die voldoet aan alle criteria: diergezondheid en humane gezondheid. De administratieve regels waren het tweede punt. Het derde punt was dat wij geen haast hebben. Ik heb al aangegeven dat ik niet verwacht dat wij het hierover voor het eind van dit jaar eens worden.

Dan de export van slachtvarkens naar Rusland. Dank voor de steun op dat punt. Ik heb aangegeven dat ik absoluut niet sta te juichen en dat ik dit ook geen goede zaak vind. Daarom heb ik het bedrijfsleven deze zomer uitgenodigd om bij mij aan tafel te schuiven. Ik heb toen gezegd: «Moeten wij dit nu wel willen? Wilt u echt slachtvarkens transporteren naar Rusland? U gaat de EU uit. Buiten de EU geldt een ander regime voor dierenwelzijn en diertransporten dan binnen de EU. Bent u bereid om zich ook buiten de EU daaraan te houden? Is Rusland bereid om dat ook te garanderen?» Ik heb op dit moment geen juridische mogelijkheden om dit tegen te houden. Mevrouw Ouwehand vroeg of ik krokodillentranen zou huilen. Dat doe ik niet. Mijn inzet is buitengewoon serieus en dat weet het bedrijfsleven ook: ik heb het liever niet. Het is goed dat de Kamer onderstreept dat wij dit niet moeten willen. Wij kunnen slachtvlees transporteren naar Rusland. Er zijn heel goede contacten om Rusland ook van goed uitgangsmateriaal te voorzien, zodat Rusland op enig moment zelfvoorzienend kan worden. Dat zijn allemaal mogelijkheden, maar met betrekking tot het transport van slachtvarkens zijn wij uitermate terughoudend. Ik zeg echter eerlijk dat ik, als puntje bij paaltje komt, op dit moment geen juridische mogelijkheden heb om dit tegen te houden. Daarom heb ik er al eerder bij de EU op aangedrongen om de evaluatie van de Transportrichtlijn naar voren te halen – dat gaat volgend jaar gebeuren – om dit soort zaken Europees dicht te schroeien. Als Nederland dit niet doet, doen andere lidstaten dit immers wellicht wel. Dan is er ook sprake van een markt. Ik heb gezegd dat ik extra voorwaarden aan die transporten ga stellen. Dat zal uitgevoerd worden door de Voedsel en Waren Autoriteit. Ik ga ervan uit dat de ondernemers in de sector op enig moment hun knopen kunnen tellen, want de transportsector en de hele varkensbranche werken aan herstel van vertrouwen en imagoherstel. Een goed imago en vertrouwen komen te voet en gaan te paard. Als het met een of meerdere transporten niet goed gaat, ben je onmiddellijk weer een heel stuk teruggeworpen. Daarom heb ik tegen de sector gezegd: kom aan tafel en geef aan wat je precies wilt en waarom je dat wilt en bedenk wat je kunt bereiken en wat je daarmee in de waagschaal stelt.

De heer Polderman (SP): Het vertrouwen is niet heel groot en daar is ook alle reden voor. Het is dus absoluut noodzakelijk om daar heel kritisch naar te kijken. Het verbaast mij dat de minister zegt dat wij moeten afwachten wat de evaluatie op Europese schaal brengt en dat zij hier juridisch niets aan kan doen, omdat dit in het kader van de handel ergens anders aan de orde is als zij hier op nationaal niveau iets doet. Dat vind ik een zwakke redenering. De minister springt toch ook niet in de sloot als haar buurvrouw in de sloot springt? Wij hebben hier onze verantwoordelijkheid. Als het in Europa te lang duurt – naar mijn idee is dat zo – moet de minister op nationaal niveau zeggen dat wij dit transport vanuit Nederland niet toelaten. De minister heeft gewoon regels te stellen aan de Nederlandse transporteurs.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind dit echt te gemakkelijk van de minister. Zij zegt dat zij gebonden is aan wet- en regelgeving en niets kan doen, maar wij weten dat haar partij – toen was zij Kamerlid – met een amendement heeft geregeld dat wij hier in Nederland geen aanvullende regelgeving kunnen opstellen. Het lijkt mij dus niet meer dan chic als de minister de pers en de samenleving laat weten dat zij dit best wel erg vindt en dat wij dit niet moeten willen. Wat is het oordeel van de minister over het stemgedrag van toen en over dat initiatief van het CDA? Ik vind dat de minister op dat punt kleur moet bekennen. Vindt zij dit echt erg of vindt zij het wel makkelijk dat zij zich daarachter kan verschuilen?

Minister Verburg: Ik heb aangegeven wat ik ervan vind. Dat mag helder zijn. Ik vind dat dit niet zou moeten.

De heer Polderman zegt dat ik aanvullende regelgeving moet maken als ik vind dat dit niet moet. Binnen de huidige verordening kan dat niet. Wij hebben in Europa afgesproken dat de Europese richtlijn is zoals die is. Dit betekent dat ik inzet op die vervroegde evaluatie, die in 2009 komt. Dan moeten wij over de maximale transporttijden en over dit soort zaken afspraken maken, want niet alleen Nederland loopt hier tegenaan. Ook Duitsland en andere lidstaten hebben hiermee te maken. Ik geef ook maar even aan dat dit minder eenvoudig is dan de heer Polderman denkt. Hij had het over «in de sloot springen». Dat doe ik niet graag; hij doet dat waarschijnlijk ook niet graag, maar het is niet zo simpel als hij het voorstelt. Ik wijs op de mogelijkheid om varkens naar Polen te transporteren en vervolgens naar Rusland. Dat is ook een mogelijkheid die ik liever niet zie. Daarom wil ik dat deze hele zaak zorgvuldig wordt bekeken en stel ik aanvullende criteria bij het verlenen van een certificaat voor dit soort transporten als daar een verzoek voor komt.

Mevrouw Ouwehand stelde een vraag over de ratificatie van het verdrag over de bescherming van kleine huisdieren. Nederland en «twee bananenrepublieken» zouden dat verdrag niet ondertekenen. Ik heb nooit de neiging gehad om Italië «een bananenrepubliek» te noemen. Dat geldt trouwens ook voor Azerbeidzjan. Wij hebben het verdrag echter wel ondertekend maar nog niet geratificeerd. Dat heeft te maken met de rechtsbasis. Die hebben wij alleen voor honden en katten, maar nog niet voor alle kleine huisdieren. Dat heeft ook te maken met de hoge uitvoeringslasten van het een en ander. De overeenkomst richt zich immers op alle huisdieren. Dat kan tot heel veel administratieve lasten en veel bureaucratie leiden. Tegen die achtergrond zijn wij nog bezig met een verdere inhoudelijke beoordeling en een kosten- en batenanalyse.

De voorzitter: Ik denk dat u ook nog opmerkingen zou kunnen maken over de WTO.

Minister Verburg: Daar hebt u helemaal gelijk in. Laat ik eerst zeggen dat ik het jammer vind dat in juli de WTO-onderhandelingen niet tot een resultaat hebben geleid, want de verschillen waren niet echt heel groot meer. Het is echt ontzettend jammer, omdat die onderhandelingen voor de agrarische sector en voor de ontwikkelingsdimensie heel goede elementen in zich droegen. Dat gezegd hebbend, ben ik trots op de manier waarop Europa zich hiervoor heeft ingezet. Tijdens de informele Raad heb ik Commissaris Fischer Boel, die wij eerder wel eens achter de vodden hebben gezeten om zich er meer mee te bemoeien en het niet allemaal over te laten aan de andere Europese onderhandelaar Peter Mandelson, gecomplimenteerd. Dat mocht ik doen namens de andere ministers van de lidstaten. Zij heeft op een goede manier leiding gegeven aan de onderhandelingsdelegatie vanuit de agrarische sector. Europa heeft een voorhoedepositie ingenomen om tot een overeenkomst te kunnen komen. Het is voor het eerst dat Europa een bemiddelende rol heeft gespeeld. Daarom is het des te spijtiger dat dit niet is gerealiseerd in het kader van de wereldhandel en de ontwikkelingsdimensie daarvan. Vervolgens heeft Pascal Lamy gezegd dat hij zich hier niet bij neerlegt en dat hij zou nagaan of er toch niet nog een poging gedaan kan worden in september. Er waren in dit spel namelijk twee hoofdrolspelers die enorm met elkaar in botsing zijn gekomen, namelijk de VS en India. Achter India stonden ook China en een aantal andere zich ontwikkelende landen. Inmiddels is die reis gemaakt. Lamy is tot nu toe nog erg optimistisch. Laat ik maar zeggen dat ik zeer hoop dat hij gelijk heeft, maar ik houd er eerlijk gezegd rekening mee dat het er niet in zit om nog op korte termijn tot een akkoord te komen. Ik hoop dat ik nu te somber ben en dat hij gelijk heeft, maar ik schat in dat de kansen niet groot zijn. Ik hoop dat volgend jaar op basis van wat tot nu toe is bereikt, verder gebouwd kan worden, zodat wij op de nu gestorte vloer in de loop van volgend jaar wel een akkoord kunnen bereiken.

De voorzitter: Er is nog ruimte voor een korte tweede termijn. Ik zou zeggen: twee zinnen per spreker.

Nadere gedachtewisseling

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik heb verder geen vragen of opmerkingen.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Ik dank de minister voor de antwoorden. Zij is vrij optimistisch over de informele en de daarop volgende echte onderhandelingen over de Health Check. Het zal duidelijk zijn dat ik met haar van mening verschil over de inzet daarbij. Ik vraag mij af of dat allemaal gaat zoals wij eigenlijk zouden moeten willen. Ik noem één punt. Laatst stond in mijn krant een artikel over de broodprijs, die enorm stijgt. Daarnaast stond het verhaal van de akkerbouwverenigingen, die niet helemaal gelukkig zijn met de prijs die zij krijgen. Die driehoeksverhoudingen van de prijzen die de bakker moet verdienen, de prijzen die de consument voor het brood moet betalen en de prijzen die voor het graan betaald moeten worden, geven aan dat regulering veel meer op haar plaats is dan steeds maar inzetten op de handel voor de wereldmarkt. Wat dat betreft, zou de minister nog eens terug moeten kijken naar Mansholt om te zien wat nou eigenlijk de bedoeling was van het Europese landbouwbeleid. Natuurlijk is het waar dat Europa door het landbouwbeleid één is geworden, maar wij zouden wat dat betreft terug moeten naar die basis. Daar komen wij echter nog op terug.

Nog even een punt over het schoolfruit. Ik ben het met de minister eens dat wij op dat punt meer insteek van de lidstaten moeten hebben. Wil zij dat koppelen aan haar eigen inzet om meer te doen aan de bewustwording? Ik refereer daarbij aan onze discussie over natuureducatie. In dat kader heb ik gepleit voor schooltuintjes. Je zou dat aan elkaar kunnen koppelen, want kinderen moeten leren waar appels groeien en moeten daarmee aan de slag gaan. Ik vraag de minister om daar wat meer op in te steken.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Wat was het toch een grote man, die Mansholt! Dat hebben wij twee weken geleden ook ervaren in het Oldambt.

Voorzitter. De minister heeft terecht aangegeven dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid de belangrijkste pijler was waarmee wij met de EU zijn begonnen. Zij doelt ook heel nadrukkelijk op de voedselzekerheid, die natuurlijk ook bij de VVD hoog in het vaandel blijft staan. Dat is immers een wezenlijk onderdeel van het welbevinden waar wij hier met elkaar voor staan. Ook na 2013 blijft voedselzekerheid een belangrijke pijler in de EU.

De minister zei dat het blauwtongprogramma goed heeft uitgepakt. Zij heeft in de EU voorgesteld om dat eventueel weer op te pakken voor het volgend jaar. Ik ben benieuwd hoe dat landt bij andere landen. Krijgt zij op dat punt haar zin en krijgen wij onze zin om daarmee door te gaan?

Over het schoolfruitprogramma worden wij het niet eens. Ik vind dat de minister daar een heel rare onderbouwing van geeft. Voedselbanken vallen onder het sociale beleid en horen dus bij de lidstaten, maar over schoolfruit zegt de minister: wij kunnen kinderen dat allemaal leren. De VVD-fractie vindt dat tussen die twee onderwerpen geen wezenlijk verschil zit.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Regeren is vooruitzien. Ik kan niet anders dan constateren dat de CDA-fractie in 2006 met die gedachte een amendement door de Kamer heeft geloodst ...

De voorzitter: Dat punt hebt u eerder gemaakt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil hier echt een punt van maken, want ik vind het echt bedroevend jegens het volk, waarvan wij weten dat het zich grote zorgen maakt over de transporten van slachtdieren. Dat is een van de belangrijkste prioriteiten. De minister geeft niet eerlijk aan hoe het nou precies komt dat zij met handen en voeten gebonden is en durft niet aan te geven of zij dit nou echt jammer vindt. Ik vind dat bedroevend en ik vind dat het kabinet zichzelf moet aantrekken dat ...

De voorzitter: U hebt uw punt gemaakt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil hierover nog één zin afmaken. Ik vind werkelijk dat het kabinet zich dit moet aantrekken als het naar de burgers wijst en mort dat zij hun ontevredenheid allemaal in hun eigen hoofd hebben omdat het kabinet het goed doet. Ik vind het belangrijk om dat punt te maken.

Ook het niet uitvoeren van een motie en het uitblijven van de ratificatie dragen natuurlijk niet bij aan het vertrouwen van burgers in de politiek. Dat verdrag is 20 jaar oud. Schiet nou eens op! De Kamer heeft gezegd dat het verdrag binnen twee maanden geratificeerd zou moeten worden, maar de minister voert weer een dierenwelzijnsmotie niet uit.

De voorzitter: U hebt dat punt in eerste termijn ingebracht. De minister is daarop ingegaan. Ik begrijp dat u het niet eens wordt, maar hiermee hebt u in de tweede ronde de gelegenheid gekregen om dat punt nogmaals naar voren te brengen.

Voorzitter: Snijder-Hazelhoff

De heer Waalkens (PvdA): Voorzitter. Ik was geïntrigeerd door de opmerking van de minister dat zij een strategie zou gaan uitzetten en zou pleiten voor uitroeiing van blauwtong. Dat gaat in tegen het opheffen van het non-vaccinatiebeleid. Wij hebben hier heel goede vaccins. Wij kunnen het systeem van vaccinatie goed gebruiken. Wij moeten niet naar uitroeiing van blauwtong, want wat doen wij dan met al die muggen? Ik zie dat allemaal niet zitten.

Ik had ook een vraag over de financiering van het schoolfruit en de voedselbanken: waar komt dat geld nou vandaan? Iedereen zit naar dat te verwachten overschot te kijken. Dat begrijp ik niet helemaal. Voor de voedselbanken is ineens 300 mln. opgevoerd. De financiering van schoolfruit zou moeten worden opgehoogd, maar waar komt dat geld dan vandaan? Iedereen zit nu te kijken naar de onderbesteding. Men zit al naar de marge en naar de Financiële Perspectieven te kijken om te zien welke mogelijke budgetten beschikbaar zijn.

De voorzitter: Dat is Europees geld. Daar komt natuurlijk ook nog de cofinanciering vanuit Nederland bij, als wij daartoe gedwongen worden.

Voorzitter: Waalkens

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng in tweede termijn. De heer Koppejan heeft geen nadere vragen meer en heeft bedankt voor de beantwoording.

De heer Polderman heeft gesproken over de regulering van de prijzen. Hij heeft dat punt al eerder gemaakt, maar ik moet er niet aan denken dat de overheid zich gaat bemoeien met de prijsvorming. Als hij zegt dat akkerbouwers soms niet tevreden zijn over hun prijs, herken ik dat wel. Ik heb onlangs gesprekken gevoerd met mensen uit de tuinbouwsector. Ik heb tegen hen gezegd dat ik begrijp dat zij nu een probleem hebben met de energieprijzen, maar dat zij zich moeten afvragen of zij het andere probleem hebben opgelost wanneer de energieprijzen weer omlaag gaan of wanneer zij daarvoor een alternatief hebben, bijvoorbeeld een netto-energieleverancier; de prijzen zijn immers inmiddels wel een beetje gedaald, maar zullen nooit meer heel ver dalen. Dat andere probleem is de afzetkracht: hoe zit het met de afzetmogelijkheden? Dat is iets waarover in een aantal sectoren van de Nederlandse land- en tuinbouw eens goed nagedacht moet worden. Dat is geen zaak van de overheid. Als u zegt dat de overheid dit moet regelen, droomt u, want dat kan niet en mag niet. Je moet dat ook niet willen, want dan grijpt de overheid in in de economie. Dat zou desastreus zijn.

De heer Polderman (SP): De minister verwijt mij dat ik zit te dromen, maar het wordt een nachtmerrie. Als wij uit Europa voorstellen krijgen over voedselbanken omdat de prijzen zodanig zijn gestegen dat sommige mensen in Europa die niet meer kunnen betalen, terwijl wij in Europa weigeren om fundamenteel na te denken over regulering, wordt dat inderdaad geen droom maar een nachtmerrie.

Minister Verburg: Wij hebben in Europa natuurlijk een marktwerking die zich verder ontwikkelt, maar waaraan wij ook een aantal maatschappelijke randvoorwaarden stellen. Ik zie met veel belangstelling de gedachtewisseling over de houtskoolschets tegemoet, omdat wij daarin ook voor de toekomst die randvoorwaarden heel helder schetsen. Ik heb deze week nog gezegd dat de overheid nooit met de rug naar de boeren en de voedselproductie toe zal gaan staan, omdat het een van de cruciale verantwoordelijkheden van overheden is om te zorgen voor een goede voedselvoorziening in elke uithoek van het land. Dat geldt niet alleen voor Nederland; dat zou voor alle landen en regeringen moeten gelden.

De heer Polderman heeft ook een opmerking gemaakt over Mansholt. Ik ben bang dat de heer Polderman ergens halverwege is opgehouden met het volgen van Mansholt, want toen Mansholt ouder was, zei hij dat het eigenlijk anders moest. Als Mansholt zou zien wat wij nu hebben opgeschreven in de houtskoolschets, zou hij volgens mij zeggen: «Goed gedaan, opvolgster!»

De heer Polderman (SP): Het is jammer dat wij hem dat niet kunnen vragen.

Minister Verburg: Hij is begonnen met prijsondersteuning, maar heeft op enig moment, ook in zijn laatste jaren, gezegd dat dit bijgestuurd had moeten worden. Hij heeft daar ook voorstellen voor gedaan. Daarvoor is hij toen hard aangevallen, maar de richting die wij nu inslaan, zou helemaal passen in zijn lijn. Hij heeft overigens terecht een prachtig standbeeld gekregen.

Op het punt van het schoolfruit zit ik wel op dezelfde lijn als de heer Polderman: koppel dat aan bewustwording. Schooltuintjes zijn iets van gemeenten en scholen zelf, maar ik ben het met hem eens dat die bewustwording verder zou kunnen gaan. Daar kunnen wij natuurlijk nog wel iets aan doen, ook langs de lijn van de maatschappelijke stage. Laat jongeren stage lopen, ook in het groen. Laat hen ervaren, beleven en verantwoordelijk worden en zijn en laat hen ook leren waar hun eten vandaan komt.

Met mevrouw Snijder word ik het niet eens over de filosofie achter schoolfruit en schoolbanken. Ik neem aan dat zij, wanneer er sprake is van de mogelijkheid van schoolfruit, in de Kamer gaat proberen om een verbod op toepassing in Nederland af te dwingen. Dat kan.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Nee, dan begrijpt u mij niet. Wij vinden dat je dit niet in Europees perspectief moet plaatsen. Dit kunnen wij als lidstaat heel goed zelf.

Minister Verburg: Dit vindt zijn oriëntatie in het Europese landbouwbeleid. Het ís Europees landbouwbeleid. Dit voorstel zou de subsidiariteitstoets niet hebben doorstaan, maar het gaat om Europees beleid met exclusieve bevoegdheid. Dan moet je die toets ook niet willen vaststellen. Kortom, ik denk dat er een grote meerderheid voor komt. Dan is het aan elke lidstaat om daar ook gebruik van te maken. Vervolgens is het aan elke school om er gebruik van te maken. Er zijn dus nog heel veel mogelijkheden, ook in combinatie met de cofinanciering.

Mevrouw Ouwehand blijft ontevreden over de transportregelingen. Ik kan haar op dat punt niet tevreden stellen. Ik heb mijn antwoord gegeven en dat was een helder antwoord.

Wat de burgers en de ratificatie van het verdrag van de Europese Raad ten aanzien van kleine huisdieren betreft: mevrouw Ouwehand, ik zou u willen uitnodigen om eens goed te bekijken wat de ergernis is van veel burgers. Een van de grote ergernissen van burgers is: heel veel administratieve lastendruk. Als wij alle kleine huisdieren in Nederland zouden moeten gaan registreren, komt er weer een lawine over de mensen heen. Dan weet ik al wat er gebeurt in verzorging- en verpleeghuizen waar iemand een hamstertje, een konijn, een kat of wat dan ook als huisdier heeft. Ieder jaar moeten daar dan grote formulieren over worden ingevuld. Wij bekijken hoe wij dit op de een of andere manier kunnen doen, maar dat gaan wij niet doen door over de burgers weer heel veel nieuwe administratieve lasten en formulieren uit te storten.

De heer Waalkens vroeg waarom ik blauwtong wil uitroeien. Omdat ik het een vreselijk virus vind. Die dieren lijden heel erg. Als wij iets kunnen vinden waarmee wij het virus kunnen uitroeien, moeten wij dat absoluut doen. Dat zal niet van vandaag op morgen lukken en misschien ook niet van dit jaar op volgend jaar, maar ik wil toch bekijken of dit mogelijk is. Als dat mogelijk zou blijken, moeten wij tot die tijd met elkaar afspreken hoe wij vorm geven aan vaccinatie.

De heer Waalkens heeft ook nog iets gezegd over het schoolfruit, de cofinanciering en de voedselbanken. Over de cofinanciering moeten wij het dus nog hebben. Bij de voedselbanken gaat het niet om een nieuw voorstel. Het is een voorstel voor verlenging, want er waren al voedselbanken. Wij hebben dat eigenlijk vanaf dag één geen goed voorstel gevonden, maar ik ben bang dat het ons in Europa niet lukt om het idee van de voedselbanken uit de wereld te helpen. Daar hebben wij dus nog eventjes voor nodig.

B. Visserijonderwerpen

De voorzitter: Wij beginnen met het tweede deel van dit overleg. Ik wil de ambtenaren die de minister bij dit deel van overleg vergezellen van harte welkom heten.

Bij dit onderdeel bepaal ik de spreektijd op drie minuten per fractie.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Wij kunnen ons goed vinden in de inzet van de minister bij het voorstel inzake het herstel van het kabeljauwbestand. Dit geldt met name voor haar verzet tegen de systematiek waarbij alleen die vistuigen waarmee kabeljauw wordt gevangen, worden gekort in zeedagen.

De visserijsector en de onderzoekers stellen een verbod voor op het discarden van kabeljauw en een plicht tot aanlanding van alle kabeljauw, waarbij het gevangen deel boven het quotum zou moeten worden ingeleverd bij het productschap. Met de vermarkting van het marktwaardige bovenmaatse deel kan onderzoek gefinancierd worden voor het goed blijven monitoren van de kabeljauwstand. Weggooien van de kabeljauw is ongunstig om een goed beeld te houden van de monitoring.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Stelt de heer Koppejan werkelijk voor om vis die met uitsterven wordt bedreigd, zoveel mogelijk te vangen en met de verkoop van die vis een monitoringsprogramma te financieren?

De heer Koppejan (CDA): Nu moet de bijvangst teruggegooid worden. Daardoor is er veel minder zicht op de werkelijke stand van de kabeljauw dan wanneer die vis aangeland en verkocht wordt. Met de opbrengst kan onderzoek gefinancierd worden naar een betere monitoring van de kabeljauwstand. Deze suggestie is gedaan door de visserijsector en de wetenschappers die zich bezighouden met de monitoring. Het is niet mijn eigen idee, maar ik vond het goed om het onder de aandacht van de minister te brengen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind ook dat bijvangst niet overboord gegooid moet worden. De inspanning moet er wel op gericht zijn om de bijvangst te beperken. Er moet een monitoring opgezet worden, onafhankelijk van de financieringsbron.

De heer Koppejan (CDA): Zolang er nog bijvangsten zijn en de monitoring nog niet goed geregeld is, is dit misschien een perfecte tussenmaatregel.

Ons bereiken verontrustende berichten dat het slecht gaat met de Nederlandse kweekvissector. Dit zou met name veroorzaakt worden door oneerlijke concurrentie vanuit het buitenland. Importvis zou niet aan dezelfde eisen van voedselkwaliteit en milieu moeten voldoen als de vis die hier wordt gekweekt. Ook zou aan de voorlichting in de supermarkten nog het nodige schorten. Wij vragen de minister om hier serieus naar te kijken en bij voorkeur ook in Europees verband deze zaak aan de orde te stellen.

Kan de minister aangegeven hoe het staat met de uitvoering van de motie-Jacobi/Koppejan over de certificering? En wat is op dit moment de stand van zaken bij de mosselsector? Ik begrijp dat gewerkt wordt aan een profielendocument. Is daarover overeenstemming bereikt met de sector? Dit moet immers de basis vormen van een toekomstige passende beoordeling en voor juridisch houdbare vergunningen. Kan de minister ons geruststellen dat de mosselvisserij in de toekomst in haar huidige omvang blijft bestaan? Kunnen wij voor 2 oktober geïnformeerd worden over het profielendocument, opdat wij daarover nader van gedachten kunnen wisselen?

Wat is de laatste stand van zaken bij de mogelijke extra gelden vanuit Europa om de omslag te maken naar een meer energiezuinige en duurzame vismethode? De CDA-fractie vindt het belangrijk dat Europa op dit punt zijn meerwaarde laat zien voor deze sector waar de nood hoog is. Als er extra geld vanuit Europa komt, is het zeer belangrijk dat de minister ervoor zorgt dat Nederland daarvan zo optimaal en snel mogelijk gebruik kan maken.

De CDA-fractie heeft kennisgenomen van de brief waarin de minister aangeeft dat de Duitse overheid de actie van Greenpeace veroordeelt en dat het Duitse ministerie van Verkeer een beschikking heeft afgekondigd die een stortverbod in zee inhoudt. De beschikking is gebaseerd op Duitse wetgeving. Eerder heeft de minister naar tevredenheid van de CDA-fractie heel duidelijk de acties van Greenpeace veroordeeld. In de laatste brief meldt zij constructieve gesprekken te hebben gevoerd met Greenpeace. Waarover gaan zulke gesprekken? Uiteindelijk beslissen het kabinet en de Kamer over beschermde gebieden. Greenpeace heeft ons geschreven dat men de actie volledig terecht vindt, dat stenen gooien op zee moet kunnen. In haar brief geeft de minister echter aan dat het storten van stenen op zee op basis van de Wet milieubeheer en de Wet beheer rijkswateren in beginsel verboden is. Mijn fractie wenst dat de minister vooral handhavend optreedt richting Greenpeace. De acties van Greenpeace zijn internationaal. Daarom moet sprake zijn van een internationale aanpak van Greenpeace. Mijn fractie vraagt de minister om het onrechtmatige optreden van Greenpeace aan de orde te stellen in de komende Visserijraad.

De heer Polderman (SP): Is de CDA-fractie tegen constructieve gesprekken?

De heer Koppejan (CDA): Natuurlijk zijn wij niet tegen constructieve gesprekken. Maar waar moet het gesprek over gaan als een organisatie heel duidelijk lak aan de wet heeft, zelf bepaalt of een beschermd gebied wel of niet gehandhaafd moet worden en gewoon stenen in de zee gooit? Dat is eigenhandig optreden. Wie bepaalt het hier in het land: Greenpeace of de Tweede Kamer? Waarover moet dat gesprek dan gaan? Wij zijn op een gegeven moment uitgepraat.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is belangrijk om dit uit te discussiëren. Waar legt de CDA-fractie de grens? De minister wil altijd graag praten en draagvlak creëren, maar haar fractie wil dat misschien niet. Als een organisatie mogelijk in strijd handelt met de wet, mag zij dan niet meer meepraten of subsidie krijgen?

De heer Koppejan (CDA): Ik ben blij met deze vraag. Die wilde ik ook aan de minister stellen. Wanneer is de minister uitgepraat met Greenpeace als deze organisatie een- en andermaal aangeeft dat zij zich niet aan de wet wenst te houden?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil weten wat de CDA-fractie vindt.

De voorzitter: Nee, mevrouw Ouwehand, mevrouw Jacobi heeft het woord.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Is mijn waarde coalitiegenoot het met mij eens dat het met spoed moet gaan over het instellen van zeereservaten, waar zowel de visserij als de natuurorganisaties achter staan?

De heer Koppejan (CDA): Wij hebben vanochtend een constructief en zinvol gesprek gehad met het Wereld Natuur Fonds en de Stichting De Noordzee. Op die manier moet het gaan; dat is veel effectiever dan eigenmachtig optreden.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. De grote vraag is of deze minister de visser enige hoop of perspectief kan geven. De brief van juli over de brandstofcrisis doet je de schrik om het hart slaan. Het is niet langer rendabel om uit te varen, want het kost meer brandstof dan men kan verdienen, ook al heeft men nog zo’n goede vangst. Dat kan inderdaad niemand volhouden. Kort voor het zomerreces hebben wij daarover gesproken. In haar brief van 2 juli schreef de minister dat zij weinig heil zag in de voorstellen van de Europese Commissie. Zij schrijft: «Het door de Europese Commissie gepresenteerde pakket maatregelen biedt voor Nederland vooralsnog niet veel soelaas». Helaas moet de SP-fractie tevens vaststellen dat de Nederlandse voorstellen vooralsnog ook weinig soelaas bieden. Het zijn veel meer suggesties voor de langere termijn. Investeren in verduurzaming is prima, maar in de huidige malaise schiet de visser daarmee niet veel op. Ik ben het wel erg eens met die verduurzaming – laat daarover geen misverstand bestaan – vanuit het besef dat naast onbetaalbare brandstof er nog een veel nijpender probleem is, namelijk dat de vis opraakt. Men kan natuurlijk zeggen dat het goed is dat door de dure brandstof niet uitgevaren kan worden, maar zo cynisch wil ik niet zijn. Hoe overbruggen wij de huidige situatie? Heeft de minister daarvoor een begin van een oplossing? Uit het verslag van de laatste Visserijraad kan ik weinig hoop putten. De minister heeft wel ingestemd met het pakket maatregelen hoewel zij vindt dat dit weinig soelaas biedt. Kan zij dat verduidelijken?

Maandag aanstaande komt het begin van de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid in 2012 aan de orde. Is dat niet te laat? Moeten wij niet proberen om dit te vervroegen? Het idee om ernaar te streven dat meer gevangen vis wordt aangeland en illegaal op zee gevoerde handel wordt voorkomen, spreekt mij zeer aan. Ik hoop dat de minister ervoor gaat om dat systeem echt waterdicht te krijgen, zodat de bijvangsten ophouden.

Op de komende agenda van de Visserijraad staat een voorstel voor het herstelplan van kabeljauw. De minister gaat in op de koppeling tussen de voorgestelde maatregelen voor kabeljauwreductie en de platvisserij. Zij is ongelukkig met de door de Commissie gelegde koppeling. Ik heb behoefte aan een nadere uitleg. Ik meen dat het gaat om de kabeljauw die als bijvangst bij de boomkorvisserij opgevist wordt. Dat die bijvangst meetelt in het herstelplan, lijkt mij een correcte benadering, maar het is alsof de minister die mening niet is toegedaan. Ik wil graag een toelichting.

Ik sluit mij aan bij de vraag van collega Koppejan over de mosselsector. Ik ben benieuwd of de minister hierover iets nieuws te vertellen heeft. Wij horen daar te weinig over.

Mijn volgende opmerkingen hebben betrekking op Mauritanië. Er zijn al vragen over de verduurzaming. Worden de belangen van de grote bedrijven niet te veel gediend nu zij visrechten krijgen voor de kust van Mauritanië? Ik was niet overtuigd van de eerlijkheid van die afspraken, maar na de staatsgreep is een nieuwe situatie ontstaan. De inzet van de EU en van onze minister is gericht op continuering van de Europese visserijactiviteiten. Ik heb daarbij geen goed gevoel.

Er is al veel gezegd en geschreven over Greenpeace en de garnalenvissers in de Duitse Waddenzee. Ik heb met veel belangstelling de confrontatie aan tafel gezien tussen de dames Van Tongeren en Verburg. In Brabant is «Aan tafel» een heel mooi kookprogramma, waarbij wordt geroepen: «aan tafel». De minister heeft dat ook herhaaldelijk geroepen. In tegenstelling tot de heer Koppejan ben ik blij dat er nu een gesprek is. Ik betreur dat in al die discussies veel te weinig gesproken is over het achterliggende probleem: de noodzaak om beschermde gebieden aan te wijzen. Ik stel dan ook voor om als de wiedeweerga daarover te gaan spreken en niet meer te blijven hangen in de vraag of acties wel of niet ordentelijk zijn. Er moet op ordentelijke wijze met elkaar gesproken worden over de vraag welke activiteiten toegestaan zijn in die beschermde gebieden. Ik stel met tevredenheid vast dat juist de garnalenvissers bereid zijn om mee te werken en mee te denken en ervoor willen gaan om het keurmerk voor de garnaal binnen te halen. Ik wil het op dit moment wat Greenpeace betreft daarbij laten.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ook ik wil graag enige verduidelijking van de minister over het kabeljauwherstelplan. Zij zegt immers zelf dat het disproportioneel is dat de regeling ook van toepassing blijkt te zijn op de bijvangst van de boomkorvisserij. De inzet van de minister is erop gericht om te komen tot een proportionele bijdrage. Hoe zit de minister daar precies in?

Er is sprake van een zeer zorgelijke situatie bij de Noordzeevisserij vanwege de hoge brandstofprijzen. Er ligt een aantal voorstellen van de EU. De minister geeft zelf aan dat die voorstellen eigenlijk te weinig soelaas bieden. De inzet is prima. Die ondersteunen wij op een groot aantal punten, zoals verduurzaming, innovatie et cetera. Dit gaat echter over de lange termijn. Er blijven zorgen bestaan voor de korte termijn. Hoe verhoudt de situatie van onze vissersvloot zich met die van een aantal vissersvloten in de andere Europese landen? Iedereen heeft immers te maken met hoge brandstofprijzen. De situatie moet dan toch gelijksoortig zijn? Er moet iets meer gebeuren dan wat nu voorligt. Dat biedt immers alleen langetermijnperspectief.

Ook ik wil graag duidelijkheid over de mosselsector en sluit mij aan bij de desbetreffende vragen. Het blijft oorverdovend stil! De minister moet op korte termijn helderheid geven hoe het gaat met de mosselvissers in de Waddenzee.

Wij weten allemaal dat de Duitse regering stappen ondernomen heeft om Greenpeace te verbieden om nog meer stenen in zee te storten. De minister schrijft in haar brief dat inmiddels een constructief gesprek heeft plaatsgevonden. De garnalenvissers worden op dit moment nog steeds geconfronteerd met die stenen bij het Sylt. Het vissen brengt zeer grote risico’s mee. Ook wij roepen de minister op, dit punt op de Europese agenda te zetten. Het is niet alleen een Nederlands probleem. Het kan niet zo zijn dat Greenpeace het recht in eigen hand neemt. Denemarken, Duitsland en Nederland hebben vissers in die gebieden. De stenen moeten weg. Ik hoop dat de minister dit meeneemt naar Brussel. Constructieve gesprekken zijn prachtig, maar een organisatie die de democratie met voeten treedt, mag niet getolereerd worden. Daaraan hebben wij geen boodschap.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wat bedoelt mevrouw Snijder met «zeer grote risico’s»? Ik denk dat zij die opmerking niet kan onderbouwen. Is mevrouw Snijder van mening dat clubs die wellicht de grenzen van de wet opzoeken en die de ene keer wel en de andere keer niet overschrijden – dat oordeel is aan de rechter – niet meer mogen meepraten en niet meer in aanmerking komen voor subsidies?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik hoor de VVD alleen praten over wat er gebeurd is, maar niet over de redenen en over het feit dat met spoed over de toekomst gesproken dient te worden. Ondersteunt de VVD de aanbeveling om met spoed zeereservaten aan te wijzen?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Over de subsidies zijn wij duidelijk geweest. Wij willen dit soort organisaties niet langer met subsidies belonen.

Ik ben echt verbaasd dat mevrouw Ouwehand zegt dat ik mijn opmerking over de risico’s niet kan onderbouwen. Wellicht heeft zij niet de verhalen van de garnalenvissers gehoord en niet gezien welke risico’s kleine schepen lopen als het net achter de betonblokken komt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De vissers weten waar die stenen liggen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dat weten zij niet, zij kunnen niet precies sonderen. Het zijn er heel veel. Het is de mening van mevrouw Ouwehand tegenover de mijne. Ik wil die risico’s niet op mijn geweten hebben. Het verzoek is: de stenen eruit. Degene die de stenen neergelegd heeft, moet die eruit halen. Afgesproken is dat wij niet aan de zee komen, in ieder geval niet met betonblokken.

Wij hebben afgesproken om zeereservaten te gaan aanwijzen. Ik laat mij echter niet op een ondemocratische manier in een bepaalde hoek duwen. De actie van Greenpeace voegt niets toe. De minister heeft de zaak op orde. Er is een procedure in gang gezet. Iedereen kan inspreken, ook Greenpeace. Dat traject willen wij bewandelen.

De heer Polderman (SP): Ik heb behoefte om het cowboyverhaal te nuanceren dat het levensgevaarlijk is als de vissers met hun netten achter de betonblokken blijven hangen. Als dat het geval zou zijn, wordt het hoog tijd dat de arbo-inspectie op die boten gaat kijken. Dan vangen die boten namelijk op de verkeerde manier. Als het goed is, breekt een net als het ergens achter blijft hangen. Dan ben je inderdaad je net kwijt, heb je een hoop schade en dat is heel vervelend. Het verhaal dat die boten daardoor kunnen omvallen, moet echter de wereld uit, want dan zou er in de techniek van de visserij iets heel verkeerd zijn.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Die nuancering laat ik voor rekening van de SP-fractie.

De voorzitter: Het is duidelijk. Mevrouw Ouwehand heeft het woord. Ik wijs op de tijdklem en wil de interrupties zeer beperken. Wij hebben nog een halfuur en willen vast een tweede termijn. Wij gaan nu even tempo maken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik zal proberen om snel door een aantal punten heen te lopen.

Het verheugt de fractie van de Partij voor de Dieren dat de Europese Commissie vorige week heeft toegegeven dat het gemeenschappelijk visserijbeleid faalt en niet werkt; 88% van de Europese visbestanden is inmiddels overbevist. De Commissie stelt dat de EU-vloot een overcapaciteit heeft, waardoor twee tot drie keer de maximale duurzame opbrengst kan worden binnengehaald. Zij vindt dat vissers rekenschap moeten afleggen. Ik sluit mij daarbij aan. De belangrijke ecologische duurzaamheid moet voorrang krijgen boven de economische en sociale duurzaamheid, aangezien de eerste een voorwaarde is voor de latere twee. Het is een mooie conclusie die niet onderuitgehaald kan worden.

De minister spreekt over de hervormingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ik ben het eens met de opmerking van de heer Polderman dat 2012 misschien wel een beetje ver weg is. De minister heeft een aantal uitgangspunten geformuleerd voor de bijeenkomst van volgende week, maar een visie komt nog. Ik vind dat het sneller moet. Ik wil graag op korte termijn van de minister een visie ontvangen over de toekomst van het gemeenschappelijke visserijbeleid. Ik wil ook dat zij een ambitieuzer tijdpad nastreeft, want de nood is hoog! Natuurlijk vraag ik haar ook om te reageren op de berichten van de Europese Commissie. Het lijkt mij zinnig als het Nederlandse kabinet hierop een goede reactie geeft, zodat wij daarover verder kunnen praten.

Een herstelplan moet ervoor zorgen dat volwassen populaties van de bedreigde bestanden op een veilig niveau worden gebracht. Dat is het uitgangspunt. Mijn fractie is blij met het inzicht van de Europese Commissie dat er een grote noodzaak is voor nieuwe vergaande meerjarige herstelmaatregelen. De Commissie stelt voor, de visserij-inspanningen te beperken, maar onze minister zegt dat de boomkorvisserij alleen over bijvangst gaat. Dat betreft echter ongeveer 50% van de hele kabeljauwvangst. Minister, u kunt niet de kool en de geit sparen. Aanpakken van de boomkorvloot is een absoluut vereiste om de kabeljauw nog een kans te geven. Het niet aanpakken van de boomkorvloot is gezien de problematiek juist disproportioneel. Ik verneem graag een reactie hierop.

Bij dit soort debatten lopen de gemoederen soms hoog op. Dat hebben wij tijdens het eerste deel van het overleg al gemerkt. Ik kondig vast een emotioneel moment aan. De minister heeft aangegeven geen voorstander te zijn van de zogenaamde brandstofsteun. Wat denkt u? Onze fractie steunt de minister daarin! Een complimentje. Hulde daarvoor aan de minister. Zij zegt dat steun het probleem niet oplost en ik meen dat zij gelijk heeft.

De voorzitter: Wilt u afronden, mevrouw Ouwehand?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik had hierover iets meer willen zeggen, maar dat komt dan een andere keer, voorzitter.

Ik deel de zorgen van de heer Polderman over Mauritanië.

Ik vind het echt niet kunnen dat de suggestie wordt gewekt dat de acties van Greenpeace een levensbedreiging betekenen voor de vissers en al helemaal niet dat deze organisatie «crimineel» genoemd wordt, terwijl in Nederland het goede gebruik bestaat dat iets of iemand pas veroordeeld is na de uitspraak van de rechter. Zeker voor een bewindspersoon is dit niet gepast.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Er is reeds veel gezegd over het kabeljauwherstelplan. Kan de minister aangegeven hoeveel kabeljauw er wordt gevangen? Kan daarop in Europa gemonitord worden?

Ik sluit mij aan bij het verzoek van collega Koppejan aan de minister om de laatste stand van zaken aan te geven over de motie-Jacobi/Koppejan over de mosselvangst, zodat wij daarover op 2 oktober verder kunnen praten.

Kortheidshalve merk ik op dat wij geheel staan achter de reactie van de minister op de Europese voorstellen inzake de brandstofproblematiek. De grote hamvraag is hoe wij deze problematiek overbruggen en hoe wij tot duurzaamheid komen.

Op mijn website staat keurig onze mening over de kwestie Greenpeace. De actie leidt ertoe dat de vissers die eerst overtuigd waren van de noodzaak van reservaten, nu dreigen zich afhoudend op te stellen. Ik vind dat heel jammer. Er moet weer een grote biodiversiteit komen en daarvoor zijn reservaten nodig. Een grote biodiversiteit van de zeebodem is goed voor de vissers en voor de natuurorganisaties. Er moeten niet te veel cowboytoestanden worden opgehaald. Ik vind dat wij van de minister mogen verwachten dat zij zowel Greenpeace als de vissers weer in een goede richting trekt. Ik ben blij dat er een gesprek heeft plaatsgevonden. Daarvoor bedank ik de minister én Greenpeace.

Antwoord van de minister

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng in eerste termijn. Ik wil u het volgende voorstel doen. Volgende week is er een drie uur durend AO. Mag ik voor de zorgvuldigheid voorstellen om de behandeling van de moties over de certificering en over de mosselsector volgende week te laten plaatsvinden? Op die manier kunnen wij recht doen aan de gang van zaken en hebben wij ook iets meer tijd om een en ander te bespreken.

De heer Koppejan (CDA): Ik kan mij daarin vinden, maar vraag de minister wel of zij ons vóór 2 oktober op de hoogte brengt van de laatste stand van zaken van het profielendocument.

Minister Verburg: Het profielendocument 1110.a is een wetenschappelijk document. Dat wordt wetenschappelijk vastgesteld en daarover valt niet te onderhandelen of te praten. Dat wordt gepubliceerd in combinatie met het profielendocument 1110.b, waaraan nog gewerkt wordt. Ik kan profielendocument 1110.a dan ook nog niet ter beschikking stellen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Kan de minister misschien aangeven hoe het proces verloopt? Het is immers heel erg stil op dit dossier.

Minister Verburg: Ik stel voor om dat dan volgende week te doen. U wilt ook weten wat ik volgende week namens de Nederlandse regering ga doen in Brussel. Ik ben graag bereid om op 2 oktober even stil te staan bij de stand van zaken van het profielendocument.

De voorzitter: Wij hebben geconcludeerd dat dit een goede route is en gaan nu verder met de Europese Landbouw- en Visserijraad.

Minister Verburg: De heer Koppejan sprak over discards en zei dat het Productschap Vis voorstelt om discards niet terug te gooien maar mee te nemen en te verkopen ten behoeve van onderzoek. Ik ken dit voorstel nog niet. Ik stel voor dat ik dit volgende week bespreek met het Productschap Vis. Wij moeten wel in de gaten houden dat het kabeljauwherstelplan gericht is op het herstel van het kabeljauwbestand. Wij moeten oppassen dat wij geen onbedoelde doelen dienen, maar moeten het wel bekijken. Ik wil met het Productschap Vis ook een Deens voorstel bespreken waarbij wordt geëxperimenteerd met monitoring van schepen via webcams. Dat project lijkt mij interessant, maar ik wil wel de voors en tegens daarvan bekeken.

Ik ben met u allen zeer bezorgd over het kabeljauwbestand. Met de Noordzeekabeljauw gaat het iets beter maar nog lang niet goed genoeg. Het huidige herstelplan heeft nog niet het gewenste resultaat opgeleverd. Wij kijken naar het nieuwe plan. Dat plan voorziet in vangstbeperking totdat het langetermijndoel van de maximum sustainable yield bereikt is. Die aanpak lijkt sterk op ons meerjarenplan voor schol en tong. Op een aantal punten komt het plan tegemoet aan de door Nederland gewenste vereenvoudiging, zoals het mandje zeedagen dat de lidstaten nationaal mogen verdelen. Dat geeft de lidstaten meer armslag.

Ik heb twee problemen met het plan. Het eerste is dat de vissers die minder kabeljauw vangen, evenveel in zeedagen worden gekort als de gerichte kabeljauwvissers. Dat is niet terecht. Die vissers die substantieel kabeljauw vangen moeten allemaal bijdragen, maar dan wel naar rato. Wij zoeken naar een oplossing die ook rekening houdt met de proportionaliteit. Tegelijkertijd mogen wij het doel niet uit het oog verliezen. Kabeljauw moet de gelegenheid krijgen om zich te herstellen.

Het tweede punt is dat het nieuwe plan goed uitvoerbaar moet zijn. Het systeem moet voldoende flexibel zijn om aansluiting te houden met de praktijk op zee. Ik zal de Commissie blijven wijzen op het belang daarvan.

Ik heb al gereageerd op de opmerking van de heer Polderman over de discards en het bereiken van het gestelde doel. Het moge duidelijk zijn: het doel móét bereikt worden in het kader van een duurzame visserij en een duurzaam visbeheer.

Ik dank de leden dat zij het in principe eens zijn met de lijn om geen subsidie op brandstof te verstrekken. Die lijn trekken wij overigens op alle terreinen, omdat met het verlenen van subsidies de problemen niet opgelost worden. De problemen moeten worden opgelost door te investeren in innovatie en verduurzaming. Dat is onze absolute inzet bij het Europese visserijplan. Wij hebben daarvoor inmiddels toestemming gekregen. U weet dat wij daarvoor de komende jaren veel geld uittrekken. De discussie in Europa was gericht op de vraag of dit gelet op de huidige situatie voldoende is. Wat doen wij in de tussentijd? In die tussentijd is het heel moeilijk voor de vissers. Sommige vissers hebben een paar weken aan de kant gelegen omdat het duurder was om uit te varen dan thuis te blijven, omdat de opbrengsten niet konden opwegen tegen de kosten van het uitvaren. Inmiddels wordt wel weer voorzichtig gevaren. Wij moeten volop blijven inzetten op zuinige motoren, alternatieve vangstmethoden en kleine of alternatieve schepen.

Tijdens de Visserijraad van juli heeft de Commissie gezegd te zullen kijken naar een aanvullend pakket bovenop het huidige Europese visserijprogramma. Dat wordt een tijdelijk pakket. Nederland vindt dat een goed plan, maar die aanvullende voorstellen moeten het probleem oplossen en niet alleen naar voren schuiven. Tijdelijke stillegregelingen zijn tijdelijke maatregelen die het probleem niet oplossen. Wij vinden dat alleen maatregelen genomen moeten worden die het probleem oplossen, niet alleen voor de korte maar ook voor de langere termijn. Het moeten structurele maatregelen zijn. Het gaat daarbij om innovatie, verduurzaming en sanering. Van die sanering heeft Nederland al een hele ronde gehad.

De Commissie is bezig met nieuwe inhoudelijke voorstellen. Daarvoor zou een bedrag van 600 mln. beschikbaar zijn. Dat bedrag is op dit moment niet beschikbaar. Het kabinet heeft afgesproken om eerst de voorstellen af te wachten en dan te bekijken of daarvoor extra geld nodig is en waar dat vandaan moet komen; dus eerst de inhoud en dan de financiering.

Mevrouw Ouwehand vroeg naar de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Zij vroeg of die niet naar voren gehaald dient te worden. De periodes zijn vastgesteld. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid bijvoorbeeld loopt tot 2013. Zo gaat dat ook met het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dat wil niet zeggen dat je tussentijds niets kunt doen als er een nieuw traject wordt uitgezet. In de vastgestelde periode moet voluit worden ingezet op zaken zoals verduurzaming, zorgvuldig visbeheer, herstelplannen enzovoort.

Maandag vindt een informele discussie plaats over de hervorming van het Europees visserijbeleid. Op dit moment is er veel kritiek en een deel daarvan is zeer terecht. De lidstaten willen daarin verandering brengen. De hervorming die in 2002 is doorgevoerd, heeft een aantal verbeteringen gebracht die wij willen voortzetten. Ik verwijs naar een meerjarig visstandbeheer, een betere controle en handhaving, grotere betrokkenheid en een structuurbeleid dat meer gericht is op duurzaamheid. Het is ook goed om verder te werken aan de regionale adviescommissies. In die commissies zijn de wetenschap, de vissers en de NGO’s vertegenwoordigd. Dat leidt vaak tot behoedzame en perspectiefbiedende adviezen. Wij zijn daarvan een groot voorstander.

Werken aan duurzaamheid vraagt een structuurbeleid dat innovatie faciliteert en het draagvlak bevordert. Het zal veel vragen van de visserij, want wij zijn er nog niet. Teneinde een duurzame visserijsector te behouden, moeten wij door dit proces heen. Ik ga geen mooie verhalen vertellen of zeggen dat het kan blijven zoals het nu is. Er is nog een moeilijke fase te overbruggen, maar het perspectief moet zijn dat ook in Nederland net als in de andere lidstaten een visserijsector bestaat die toekomstgericht en duurzaam is, innoveert en competitief kan zijn.

Wij gaan die discussie aan. Er zijn belangrijke uitgangspunten. Nogmaals, het is een informele discussie. De inzet van de regionale adviescommissies en een innovatief structuurbeleid vormen de basis. Tegelijkertijd moet de handhaving een communautair karakter krijgen. Er moet een sociaaleconomisch perspectief zijn voor de visserijsector. Er moet sprake zijn van een duurzame exploitatie van het aquatische ecosysteem, een uniforme implementatie, gelijkwaardigheid van controle en handhaving in de Europese Unie en eenvoudige controleerbare en uitvoerbare regels en indien mogelijk ook minder regels.

Wij willen een meer op het ecosysteem gericht beheer, meer gebruikmaken van economische instrumenten om de doelen te bereiken, meer regionale samenwerking, binnen een EU-kader meer bevoegdheden voor een lidstaat of groepen van lidstaten en zo kunnen wij nog een aantal zaken noemen.

Ik verwacht dat een eerste gedachteontwikkeling plaatsvindt en dat er daarna officiële voorstellen komen van de Commissie.

Alle leden hebben gesproken over de acties van Greenpeace. Ik heb het stenen gooien door Greenpeace in het Sylt scherp afgekeurd, maar ik heb Greenpeace niet «crimineel» genoemd. Het ging om meer dan 300 basaltblokken van 2000 kilo à 3000 kilo per stuk. Dat is niet niks. Er was sprake van een illegale actie in Duitse wateren. Ik heb contact gehad met mijn Duitse collega, staatssecretaris Lindemann. Duitsland heeft een aantal maatregelen genomen. Greenpeace heeft tot nu toe geen acties gevoerd in Nederlandse wateren. Ik heb goede hoop dat dit ook niet gebeurt.

Daarnaast heb ik Greenpeace steeds uitgenodigd om met ons om de tafel te gaan zitten. Dat doen wij ook met diverse andere organisaties zoals het Wereld Natuurfonds en de Stichting Noordzee. Ik ben ervan overtuigd dat alleen aan de overlegtafel duurzame resultaten en een win-winsituatie bereikt kunnen worden. Je kunt wel roepen dat je bezig bent met het beschermen van de vissen, met het bewijzen van een dienst aan de visserij, maar dat kan niet eenzijdig gebeuren. Natuurlijk kun je roepen dat Denemarken dit ook heeft gedaan, maar de Deense overheid heeft in goed overleg met alle betrokkenen kunstmatige riffen gecreëerd. Er was dus een draagvlak voor die maatregel. Ik ben ervan overtuigd dat er alleen een win-winsituatie ontstaat als goed overleg leidt tot duurzaam vissen, tot een goed beheer van het bestand en tot samenwerking waardoor vissers een inkomen blijven houden en het visbestand zich kan herstellen. Dan hebben wij allemaal een beetje gewonnen, want dan kunnen wij en de volgende generaties lekkere vis blijven eten. Als wij dat niet doen, is sprake van een verlies-verliessituatie. Hete koppen en een verzuurd maatschappelijk en sociaal klimaat, daarmee wint niemand iets, ook het visbestand niet.

Ik heb gisteren een brief aan de Kamer geschreven en aangegeven dat ik Greenpeace een- en andermaal telefonisch uitgenodigd heb om met mij aan tafel te gaan zitten. Greenpeace is op het departement geweest voor een goed en constructief gesprek en dat zetten wij voort.

De voorzitter: Er is nog tijd voor een korte tweede termijn.

Nadere gedachtewisseling

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ik wil nog graag een antwoord op mijn vraag over de kweekvissector.

Wat Greenpeace betreft, ben ik het met de minister eens dat je altijd met elkaar in gesprek moet gaan. Als de andere partij echter niet het uitgangspunt deelt dat de principes van de democratische rechtstaat gerespecteerd dienen te worden, wanneer ben je dan met elkaar uitgepraat?

Ik heb de minister ook gevraagd om deze kwestie aan de orde te stellen in de Europese Visserijraad.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Ik zie uit naar het AO van 2 oktober waarin wij over een aantal zaken wat langer kunnen praten.

Mij valt op dat in de visserijbladen regelmatig positieve verhalen staan van de banken die willen investeren in verduurzaming. De grote vraag is natuurlijk welke overbruggingsmogelijkheden er zijn. Misschien moeten die samen met de financierders bekeken worden.

«Aan tafel» is inderdaad in Brabant een kookprogramma. Aan tafel eet men de vis op, maar aan tafel wordt de vis niet beschermd; dat gebeurt in zee. Ik hoop dat de aanwijzing van beschermde gebieden snel plaatsvindt.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik ga nog even in op de kwestie Greenpeace. Natuurlijk is praten met maatschappelijke organisaties prima, maar als de minister zegt dat alleen door samen aan de tafel te gaan zitten, een win-winsituatie bereikt kan worden, vraag ik mij af of wij nu helemaal aan het polderen geslagen zijn. De democratie bepalen wij hier. Ik heb in eerste termijn gezegd dat Greenpeace in principe de democratie met voeten treedt. Greenpeace doet iets wat wij niet hebben afgesproken. Hoe zit je dan aan tafel? Wij vinden dat de stenen eruit moeten. Komt dit op de EU-Visserijraad aan de orde?

Mevrouw Ouwehand (PvdA): Voorzitter. Als ik dit zo hoor, vraag ik mij ernstig af welke opvoeding de mensen hier genoten hebben. In dit land zijn bepaalde mensen aangewezen om knopen door te hakken, het algemeen belang te beschermen en beslissingen te nemen en niet in eerste instantie om iedereen tevreden te houden. Het belangrijkste is dat een effectief beleid wordt gevoerd. Dat kan ertoe leiden dat soms pijnlijke regelgeving moet worden ingevoerd. De opdracht is om gebieden te beschermen en niet om een situatie te krijgen waarmee wij uiteindelijk niets opschieten.

Ik vind de verontwaardiging uiterst selectief. Als één sector de regels overtreedt, is het de visserij. Ik heb hier niemand gehoord toen in Brussel auto’s in brand stonden en de Franse supermarkten door vissers werden leeggeroofd die op deze manier uiterst illegaal hun punt wilden maken.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Met betrekking tot de brandstofproblematiek wijs ik erop dat ongeveer 600 mln. beschikbaar is om het duurzaamheidspakket uit te voeren. Er is een totale herschikking van middelen van 1,4 mld. Wat doet de minister om met de sector te bekijken op welke wijze de duurzaamheidsdoelstellingen versneld kunnen worden bereikt? Hoe staat de sector hierin? Hoe kan stapsgewijs het pakket herschikt worden?

Over Greenpeace is veel gezegd. Ik blijf bij mijn wens dat spoedig zeereservaten worden aangewezen.

Minister Verburg: Ik dank de leden voor hun inbreng in tweede termijn.

Als Greenpeace niet met ons wil spreken, gaan wij gewoon door met de zaken waarvoor wij verantwoordelijk zijn. Ik ben ervoor verantwoordelijk om in het kader van Natura 2000 voor het eind van dit jaar die gebieden aan te wijzen. Ik doe dat, of Greenpeace nou wel of niet aan tafel komt. Ik zie echter betere resultaten als je wél met elkaar spreekt en met elkaar aan tafel gaat zitten. Die zie ik ook gebeuren in de regionale adviescommissies voor het beheer van de visstand op de zeeën. Als men elkaar vindt, ontstaat een betere samenwerking. Het Wereld Natuurfonds, de Stichting Noordzee en de visserijsector vragen zich ook af wat zij voor elkaar kunnen betekenen. Zij hebben immers een gezamenlijk doel. Daar gebeuren mooie dingen. Het Wereld Natuurfonds gaat bijdragen aan de vermarkting van duurzame producten. Dat zijn win-winsituaties. Als men echter de koppen tegen elkaar slaat en met de ruggen naar elkaar toe blijft staan, is sprake van koude harten, maatschappelijke verzuring et cetera. Ik ga zonder meer door met het nemen van mijn verantwoordelijkheid in dezen. Laat daarover geen misverstand bestaan.

De heer Koppejan heeft gevraagd naar de aquacultuur. Ik ken het probleem. Er is veel import van vis uit aquacultuur. Wij hebben onze gewone standaards voor kwaliteit en voedselveiligheid. Er wordt niet gemarchandeerd met de importeisen. Die vis wordt gecontroleerd. Er wordt regelmatig met de sector gesproken over het vinden van oplossingen. Daarbij speelt ook de vraag hoe men zich kan onderscheiden in kwaliteit. Kijk eens naar wat je zelf kunt doen om op die markt competitief kunt zijn. Er is sprake van een zekere marktwerking.

De heer Polderman vroeg naar de overbrugging. Er zijn mogelijkheden als vissers willen investeren in nieuw, zuinig en anders duurzaam. Daarvoor is 120 mln. voor zeven jaar beschikbaar. Dat is gelet op de omvang van de vloot niet niks. Dit jaar is inmiddels 38 mln. uitgegeven aan saneringsmaatregelen en innovatie. Er zijn nog veel initiatieven. Wij openen de intekening voor een volgende ronde. Die wordt naar voren gehaald. Er is een extra aanpak voor marktontwikkeling, waardetoevoeging enzovoort. Er zijn kenniskringen. Als de sector nieuwe ideeën heeft, kan dat ook.

De heer Polderman zegt dat de banken positief staan tegenover investeren. De ondernemers moeten echter zelf ook willen investeren. Wij hebben een soort borgstellingsfonds. Dat betekent dat banken een garantiestelling kunnen krijgen bij het verstrekken van leningen. Daar wordt overigens nog niet vaak gebruik van gemaakt. Het is goed dat de heer Polderman die vraag heeft gesteld, want dat geeft mij de gelegenheid om daar nog even op te wijzen.

Mevrouw Snijder herhaalde dat Greenpeace handelt in strijd met de democratie. Ik heb in eerste termijn gezegd dat ik graag met Greenpeace in gesprek blijf maar dat wij intussen onze verantwoordelijkheid blijven nemen. Ik weet niet wat de Europese Commissie op dit punt moet doen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Die stenen laten wij gewoon liggen?

Minister Verburg: Nee, Duitsland is bezig om op kosten van Greenpeace die stenen te laten optakelen. Ik zie geen toegevoegde waarde in het melden in Brussel. Sommige collega’s weten het al, maar ik geloof niet dat hier een bijzondere rol is weggelegd voor de Europese Unie.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Schreijer-Pierik

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Dortmans


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD) en Polderman (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Vendrik (GroenLinks), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD) en Lempens (SP).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Atsma (CDA), Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), voorzitter, Van Baalen (VVD), Ormel (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Gill’ard (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) en Diks (GroenLinks).

Plv. leden: Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vos (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Haverkamp (CDA), Lempens (SP), Schermers (CDA), Knops (CDA), Jacobi (PvdA), Samsom (PvdA), Kuiken (PvdA), Teeven (VVD), Spies (CDA), Roemer (SP), Wilders (PVV), Van der Ham (D66), Van der Burg (VVD), Boelhouwer (PvdA), Van Leeuwen (SP), Ouwehand (PvdD), Voordewind (ChristenUnie) en Vendrik (GroenLinks).