Kamerstuk 21501-1058

Verslag van een algemeen overleg

De Landbouw- en Visserijraad van 9 en 10 oktober 2017


Nr. 1058 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 1 november 2017

De vaste commissie voor Economische Zaken en de vaste commissie voor Europese Zaken hebben op 4 oktober 2017 overleg gevoerd met de heer Kamp, Minister van Economische Zaken, over:

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 29 september 2017 over de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad 9 oktober 2017 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1049);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 20 september 2017 met een verslag van de informele Landbouwraad van 3 tot 5 september 2017 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1040);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 15 juni 2017 met het evaluatierapport Regeling Subsidiëring brede weersverzekering (Kamerstuk 31 710, nr. 68);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 6 juli 2017 inzake (Inter)nationale ontwikkelingen over de werkzame stof glyfosaat (Kamerstuk 27 858, nr. 394);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 10 juli 2017 inzake commissievoorstellen voor voorwaarden aan gebruik van een drietal neonicotinoïden (Kamerstuk 27 858, nr. 396);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 11 juli 2017 met de reactie op het verzoek van het lid Ouwehand, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 23 mei 2017, over het bericht dat de Europese Commissie van plan is de toelating voor glyfosaat met tien jaar te verlengen (Kamerstuk 27 858, nr. 397);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 12 juli 2017 over het voorlopige akkoord triloog biologische landbouw (Kamerstuk 29 842, nr. 41);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 11 september 2017 inzake EU-besluitvorming over de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat (Kamerstuk 27 858, nr. 400);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 13 september 2017 met een reactie op het verzoek van de commissie met betrekking tot glyfosaat en neonicotinoïden (Kamerstuk 27 858, nr. 401);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 3 oktober 2017 met een reactie op het verzoek van de commissie over een afschrift van de brief aan mevrouw De B. met betrekking tot zorgen over de hernieuwde goedkeuring van glyfosaat.

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Ziengs

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Azmani

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Nava

Voorzitter: Ziengs

Griffier: Konings

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Dik-Faber, Futselaar, Geurts, Grashoff, De Groot, Lodders, Ouwehand, Wassenberg en Ziengs,

en de heer Kamp, Minister van Economische Zaken.

Aanvang 14.31 uur.

De voorzitter:

Hartelijk welkom bij het algemeen overleg van de vaste commissie voor Economische Zaken met als onderwerp Landbouw- en Visserijraad van 9 en 10 oktober 2017. De leden zijn inmiddels aangeschoven. De Partij voor de Dieren heeft aangegeven met twee woordvoerders te spreken, waarbij de spreektijd van vijf minuten die we hiervoor gesteld hebben, verdeeld zal worden. Wij zullen er toezicht op houden middels de klok of dat allemaal goed komt. Maar daar reken ik op. Verder is in de regeling van 14 september 2017 reeds een vooraankondiging gedaan van een VAO, inclusief stemmingen, voorafgaand aan de Raad. Dit is onder voorbehoud ingepland voor vanavond om 19.50 uur, zodat u dan weet dat u geen afspraken buiten de deur kunt maken. Een hartelijk welkom aan de Minister en zijn ambtenaren die hem terzijde staan en natuurlijk aan het publiek hier in de zaal.

Dan is allereerst het woord aan mevrouw Ouwehand namens de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, dank u wel. U bent van de Partij voor de Dieren gewend dat wij bij algemeen overleggen Landbouw- en Visserijraad altijd tal van onderwerpen aandragen, maar vandaag gaat het in elk geval van mijn kant over glyfosaat. Morgen en overmorgen komt een subcommissie op Europees ambtenarenniveau bijeen om te besluiten over de verlenging van de toelating van dat spul met nog eens tien jaar. De Partij voor de Dieren maakt daar grote bezwaren tegen. Glyfosaat is het meest gebruikte landbouwgif. Ook dit kabinet vindt dat niet per se geheel onomstreden. Er zijn in Nederland maatregelen om het gebruik van glyfosaat in elk geval buiten de landbouw te beperken. Dat is niet om gewoon maar voor de leuk eventjes wat gif aan banden te leggen. Dat is omdat glyfosaat een bedreiging vormt voor de kwaliteit van ons drinkwater. Er zijn grote gevaren voor de biodiversiteit. Het is zo'n veelgebruikt middeltje dat het overal in zit: in bier, in de urine van mensen en in brood.

Wij hoeven, als het goed is, dit kabinet er niet meer van te overtuigen dat het verstandiger is om heel voorzichtig met glyfosaat om te gaan. Maar wie schetst onze verbazing? De huidige toelating verloopt. In Europa is de vraag beoordeeld hoe wij nu verder moeten. Die beoordelingen blijken flink beïnvloed door de grootste fabrikant van glyfosaat, Monsanto. Je zou denken dat je dat bedrijf vanwege zijn inmenging in elk geval niet het cadeautje geeft dat het middel nog eens tien jaar vrij te gebruiken is in de Europese landbouw. Want dat is wel het risico.

Ik wil de Minister vandaag dan ook het volgende voorleggen. Als het is toegelaten in Europa en in Nederland, als er sprake blijkt te zijn van normoverschrijdingen en als de waarschuwing blijkt te kloppen dat het toch kankerverwekkend is, dan is het best lastig om alsnog maatregelen te treffen en met dat spul te stoppen. Dat is toch waar? Waarom zouden wij ons tien jaar lang vastleggen waardoor het moeilijk wordt om in te grijpen als wij signalen krijgen dat dat toch nodig is? De oproep die de Partij voor de Dieren aan het kabinet doet en al eerder heeft gedaan is: die tien jaar is onacceptabel; wat ons betreft stappen wij zo snel mogelijk over op gifvrije landbouw.

Ik kan mij voorstellen dat wij nu geen meerderheid krijgen om het spul helemaal niet toe te laten, maar tien jaar is echt te lang. Ik vraag de Minister te reageren op de uitspraak «maximaal zeven jaar» van het Europees parlement en op wat D66, een van de aankomende coalitiepartijen, heeft voorgesteld, namelijk: laten wij maximaal drie jaar doen. Hoeveel kunnen wij de aanstaande verlenging van de toelating beperken? De Minister weet ook dat er een Europees burgerinitiatief loopt. Wij zijn echt niet de enigen die ons hier zorgen over maken. Het kankeragentschap van de Verenigde Naties waarschuwt ons om voorzichtig te zijn en ons niet vast te ketenen aan weer tien jaar glyfosaat, zodat wij er niet van af kunnen als dat toch nodig blijkt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Wassenberg, ook namens de Partij voor de Dieren.

De heer Wassenberg (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. De Minister staat voor duurzame visserij. Dat lezen wij in de geannoteerde agenda. Hij vindt het daarom positief dat de visquota voor de Oostzee gebaseerd zijn op het Oostzeemeerjarenplan, dat dient om vispopulaties te herstellen en overbevissing tegen te gaan. Dat zou moeten betekenen dat de Minister voorstellen voor verruiming van visvangsten niet zal steunen en dat hij eventueel verzet tegen het oude visserijverbod ook niet zal steunen. Daar krijg ik graag een reactie op.

De Noordzee krijgt ook een meerjarenplan. Daar wordt momenteel over onderhandeld. Wij hebben internationaal een bovengrens afgesproken voor de visvangst. Dat is de maximaal duurzame opbrengst of MSY (Maximum Sustainable Yield). Laten wij ons aan die afspraak houden en niet instemmen met allerlei alternatieve EU-regels en visserijniveaus. Is de Minister dat met mij eens? Is hij bereid om vast te houden aan die MSY, aan die maximaal duurzame opbrengst?

Mijn derde onderwerpje is de tonijnvangst. In november vindt de jaarlijkse vergadering daarover plaats. Wij zijn blij om te lezen dat de Minister in ieder geval niet zal pleiten voor verruiming van de tonijnvangst. Maar is hij ook bereid om te pleiten voor hantering van het voorzorgsbeginsel? Veel tonijnsoorten, zoals geelvintonijn en grootoogtonijn, worden namelijk nog steeds bedreigd door overbevissing. Er bestaat wetenschappelijke onzekerheid over de actuele populaties van een aantal soorten. Dat maakt uiterste voorzichtigheid noodzakelijk. Is de Minister bereid om te pleiten voor hantering van dat voorzorgsbeginsel?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. U bleef ruim binnen de tijd. Het woord is aan mevrouw Lodders namens de VVD.

Mevrouw Lodders (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal onderwerpen. Ik begin deze keer met de visserij. De VVD maakt zich zorgen over de voorgestelde reductie van de scholvangst. Dat is onbegrijpelijk als je kijkt naar de populatie van de laatste jaren. Hoe kan het dat een groeiend bestand geconfronteerd moet worden met een korting van 36%? De VVD wil de Minister dan ook oproepen om in te zetten op een onderhandelingsresultaat dat recht doet aan de bestandsituatie op zee, die overvloedig is. Dat betekent dat de VVD pleit voor een inzet waarmee het bestand niet wordt beperkt maar nog steeds van een riante omvang kan blijven, ook in relatie tot de aanlandplicht die vanaf 2019 voor onder andere schol gaat gelden. Want dit kan een flinke aderlating betekenen voor de Nederlandse visserijsector. Deelt de Minister onze zorgen op dit punt? En welke concrete acties kunnen er ondernomen worden?

Het is goed dat de Minister de fipronilaffaire in Europa heeft aangekaart. Het verschil in aanpak en communicatie leidt tot een ongelijk speelveld. Wanneer kan de Minister de afgesproken verbeteringen met de Kamer delen? Kan hij een inkijkje geven in waar deze voorstellen naartoe gaan? In de geannoteerde agenda valt te lezen dat er vier onderzoeksmissies worden uitgevoerd. Kan de Minister aangeven welke onderwerpen hier besproken worden? Wij weten dat er nog een aantal problemen liggen met betrekking tot de mest. Dan gaat het bijvoorbeeld over de export van vermeerderingsbedrijven. Zijn deze onderwerpen onderdeel van de onderzoeksmissies met als doel om tot oplossingen te komen? Zou de Minister specifiek willen ingaan op de MRL-norm (Maximale Residu Limiet) voor mest, die blijkbaar wel in België wordt gehanteerd en nog niet in Nederland?

Mijn fractie is verheugd met de aandacht voor nieuwe technieken, zoals het gebruik van satellietbeelden, om te komen tot een vereenvoudiging van de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het is verstandig om de resultaten verder uit te werken, waarbij ik wel van mening ben dat een vereenvoudiging uiteindelijk ook moet leiden tot een kostenbesparing. Deelt de Minister deze opvatting? Is hij bereid om dit punt ook in te brengen?

Het is goed om te lezen dat de derde openstelling van de Jonge Landbouwersregeling (JOLA-regeling) is voorzien. Ik heb begrepen dat in nauwe samenspraak met het NAJK (Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt) een groslijst voor de investeringsmogelijkheden is opgesteld die beter aansluit bij de wensen van jonge boeren. De JOLA-regeling wordt uitgevoerd door de provincies. De provincies hebben vervolgens hun eigen bevoegdheid om deze lijst aan te passen. Omdat de lijst in samenwerking met de jonge boeren is opgesteld en beter aansluit bij de investeringswensen en de dagelijkse praktijk, zou ik de Minister willen vragen of hij in zijn verantwoordelijkheid een warm pleidooi zou willen houden bij de provincies om de groslijst zo veel mogelijk intact te houden.

Ik ben blij met de stappen die in de langeretermijnfinanciering gezet worden om de gewasbeschermingsvraagstukken voor de kleine teelten op te lossen, de zogenoemde kleine toepassingen. Zoals de Minister zelf ook schrijft, is Nederland een belangrijke speler in en leverancier van hoogwaardig plantmateriaal en verschillende kleine teelten van bloemen, groente en fruit. Ik ben wel nieuwsgierig naar wat er op het gebied van de kleine toepassingen door het Fonds Kleine Toepassingen en de hulploketten bij de uitvoeringsorganisaties reeds in gang is gezet en welke uitdagingen daar nog liggen. Kan de Minister de voortgang delen? Dit mag uiteraard schriftelijk, maar wel graag voor de begrotingsbehandeling, zodat ik daar op dit punt terug kan komen.

Tot slot wil ik nog een aantal woorden wijden aan de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Gewasbeschermingsmiddelen zijn nodig om planten, ons voedsel, te beschermen tegen ziekten, plagen en onkruiden. Zonder deze middelen zullen plagen niet afdoende kunnen worden bestreden, kunnen oogsten verloren gaan en kan de voedselvoorziening in gevaar komen. De toelating van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet zo veilig mogelijk gebeuren. De VVD ondersteunt de lijn van de Minister om zorgvuldig te kijken naar de toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij onze nationale autoriteit, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), een belangrijke, onafhankelijke en wetenschappelijke beoordeling uitvoert.

Daarnaast moet meegewogen worden of er alternatieven voorhanden zijn. Ook daarvan zullen de effecten op het milieu getoetst moeten zijn. Wij hebben hier vorige week al uitvoerig over gedebatteerd. Een algemeen verbod op het gebruik van neonicotinoïden is dus veel te verstrekkend. Initiatieven van de sector en de industrie, zoals het coaten van zaad, zijn goede alternatieven, waar ruimte voor moet zijn en blijven. Ook dat heb ik vorige week aangegeven in het debat dat wij hierover met elkaar gevoerd hebben. Ook steunt de VVD de lijn van de Minister om glyfosaat voor een periode van tien jaar toe te staan, vanwege de argumenten die ik gedeeld heb.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Grashoff namens GroenLinks.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. Mijn bijdrage zal in belangrijke mate gaan over glyfosaat, maar ook over de relatie tussen het gemeenschappelijk landbouw beleid (GLB) en de Sustainable Development Goals (SDG), dat ook een zeer belangrijk punt is op de Landbouwraad. Is het opnieuw voor tien jaar toelaten van glyfosaat verstandig of niet? Niet voor niets trekken milieuorganisaties, gezondheidsorganisaties en last but not least drinkwaterbedrijven al jaren aan de bel. Glyfosaat is een veelgebruikt middel en we vinden het dus ook voortdurend in veel te hoge concentraties terug in grondwater en oppervlaktewater. Dat is schadelijk, niet alleen voor de drinkwatervoorziening maar ook voor de biodiversiteit. Als het in het grondwater komt, zit het daar ook zeer langdurig. Het is bijna onomkeerbaar omdat het restproduct AMPA zich bijna blijvend vestigt in de bodem.

In toenemende mate is er weerstand onder heel veel burgers, maar ook andere lidstaten in de EU zien de toelating voor weer tien jaar niet zitten. Oostenrijk gaat tegen stemmen. Frankrijk naar alle waarschijnlijkheid ook. Ik wil graag van de Minister weten hoe hij dit groeiende verzet binnen de EU tegen een verlenging met tien jaar van de toelating beoordeelt. Wat betekent dat voor de strategie die Nederland daarin zou voeren?

Laat duidelijk zijn dat GroenLinks geen voorstander is van instemmen met tien jaar ongeclausuleerde toelating. De termijn zou wat ons betreft aanzienlijk korter moeten zijn. Hoeveel korter die wordt, kan een onderdeel van de onderhandelingen zijn. Tegelijkertijd moet er ingezet worden op beperkingen van het gebruik op Europese schaal. Is de Minister bereid om in Europees verband te pleiten voor beperkingen in het gebruik van het middel? Hij zou er bijvoorbeeld voor kunnen pleiten om ten minste de beperking die wij in Nederland op dit moment hebben op Europees niveau doorgevoerd te krijgen. Dat betreft bijvoorbeeld het gebruik op verhardingen. Dat is van groot belang voor het milieu in het algemeen, maar ook specifiek voor Nederland. Alles wat in Duitsland of België op de straten wordt gespoten, krijgen wij via de grote rivieren weer binnen.

Welke maatregelen zouden we nationaal kunnen nemen? Het Ctgb geeft terecht aan dat glyfosaat leidt tot een ongewenst hoge belasting van het oppervlaktewater en zegt ook dat er AMPA en glyfosaat in hoge concentraties is aangetroffen. Drinkwaterbedrijven dringen ook aan op maatregelen. En dat kan ook. We zijn al een stap verder. Door mijn motie uit 2011 hebben we in elk geval het gebruik op verhardingen intussen verboden. Vanaf november dit jaar geldt dat ook in de groenvoorzieningen buiten de landbouw. Dat is denk ik weer een belangrijke stap verder. Tegelijkertijd is in juni een motie die wij samen met de Partij voor de Dieren en de PVV indienden, aangenomen om ongeacht eventuele toelating door de Europese Commissie het gebruik buiten de landbouw verdergaand te verbieden en het gebruik binnen de landbouw zo veel mogelijk te beperken. Voormalig Staatssecretaris Van Dam heeft een reactie gestuurd over hoe hij die motie uitvoert. Zijn antwoord was eigenlijk: ik voer de motie niet uit, want ik doe al genoeg. Daar kan ik echt geen genoegen mee nemen. Als een Kameruitspraak zo duidelijk vraagt om meer te doen en de regering antwoordt met te zeggen «wij doen al genoeg», dan moet zij eigenlijk zo eerlijk zijn om te zeggen dat zij de motie niet uitvoert. Maar dat is erg ongebruikelijk om te doen. Zou de Minister hierop in willen gaan? Het kan concreet namelijk wél. Je zou bijvoorbeeld een verbod op glyfosaat voor particulieren kunnen doorvoeren. De Staatssecretaris van I en M heeft eerder al gezegd dat zij daartoe een wetswijziging zou voorbereiden. Misschien weet deze Minister hoe het daarmee staat? Het zou een logische maatregel zijn die voortvloeit uit eerdere afspraken hierover.

Ook binnen de landbouw zijn er concrete mogelijkheden. Ik noem de desiccatie van gewassen. Dat is een volveldse toepassing van glyfosaat om het hele gewas als het ware te doden voordat je nieuw gewas inzaait. Dat is een heel destructieve en overbodige ingreep. Je zou glyfosaat ook kunnen verbieden bij de vernieuwing van graszoden voor een weiland waar opnieuw gras ingezaaid wordt. Dan is het niet nodig. Het zou een ongelooflijke stap voorwaarts zijn in het terugdringen van het gebruik als in elk geval volveldse toepassingen in de landbouw aan banden worden gelegd. Zou de Minister daarop willen ingaan?

De voorzitter:

Wilt u gaan afronden?

De heer Grashoff (GroenLinks):

Dan kom ik bijna niet meer toe aan de Sustainable Development Goals en het GLB, maar ter afronding wil ik toch nog het volgende zeggen. Het is heel goed dat daarnaar gekeken wordt. Is de Minister zich ervan bewust dat de doelstellingen voor duurzame systemen voor voedselproductie in 2030, het halveren van de voedselverspilling en het stoppen van de ontbossing in 2020 ver af staan van de huidige landbouwpraktijk in Nederland en de bijdrage wereldwijd? Erkent hij dat het dus een forse opgave is? Zou de Minister daarop willen reflecteren?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer De Groot namens D66.

De heer De Groot (D66):

Dank u wel, voorzitter. Graag wil ik vanaf deze plek via de Minister Staatssecretaris Van Dam nog complimenteren met de overheveling van twee keer 20 miljoen euro vanuit de directe inkomenssteun naar agrarisch natuurbeheer. D66 had gevraagd dit te doen. We zijn dan ook heel erg blij dat op deze manier boeren en natuur beter met elkaar verbonden kunnen worden. Gelet op de uitdaging die Nederland heeft op het gebied van biodiversiteit wil ik de Minister vragen zo snel mogelijk met deze overheveling te beginnen.

Op de agenda van de Raad staat een discussie over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het licht van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Ik wil vooral aandacht vragen voor nummer 15: het herstel van ecosystemen en het behoud van biodiversiteit, met als kern het stoppen van ontbossing per 2020. Ik ben verheugd dat Nederland na een kleine reminder van D66 in juli de Europese sojaverklaring heeft getekend. Deze verklaring dient ertoe ontbossing door sojaproductie tegen te gaan. Ze bevat een aantal interessante acties, waaronder het stimuleren van alternatieven voor granen als diervoeder. De vraag is hoe Nederland invulling gaat geven aan deze strategie.

Het gaat vandaag ook over glyfosaat. D66 vindt het van belang dat we politiek voeren op basis van feiten. Ik voeg daaraan toe: op basis van institutioneel gelegitimeerde feiten. En daar gaat het mis, want net als bij de neonicotinoïden verschillen de instituties van mening. Het gaat hier om ons voedsel, onze gezondheid, de bodem, ons drinkwater en de biodiversiteit. Het internationaal agentschap voor kankeronderzoek, het IARC, concludeert dat glyfosaat waarschijnlijk kankerverwekkend is. De Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA concludeert echter het tegendeel. Dat is des te meer verwonderlijk omdat de EU de classificatie van het IARC gebruikt. De politieke controverse is groot. Californië, de zesde economie ter wereld, heeft wél de IARC-aanbevelingen overgenomen. De Franse president Macron heeft voor 1 januari 2018 advies van zijn Ministers gevraagd. In Duitsland zijn de Ministers het niet eens met elkaar. Ook het Europees parlement is deze maand een onderzoek gestart naar glyfosaat. Moeten we niet afwachten wat er uit deze discussies komt?

Het politieke debat vindt plaats in een context van grote maatschappelijke onrust. Monsanto stelt zich maatschappelijk onverantwoord op in de omgang met kritiek. We hebben tal van recente rapporten en er zitten wetenschappelijke publicaties in de pijplijn. Dat onderzoek is nog niet meegenomen in de beroemde weight of evidence van de EFSA. Zo blijft glyfosaat bijvoorbeeld 30 keer langer aanwezig in de bodem dan tot nu toe werd gedacht. AMPA breekt lastiger af dan glyfosaat, zelfs onder warme omstandigheden. Dat blijkt uit onderzoek uit 2016. Er komt zeer binnenkort onderzoek beschikbaar waaruit zal blijken dat in bijna de helft van de Europese bodems glyfosaat en AMPA aanwezig is. In Nederland is er maximaal 1 milligram per kilo grond aangetroffen. Ik geef deze voorbeelden omdat wetenschappelijke inzichten zullen blijven komen. De EFSA gaat uit van een weging van bewijs. Dan vind ik de conclusie van het Ctgb dat zelfs een toelating voor vijftien jaar mogelijk zijn, heel erg moeilijk te volgen.

Gelet op de meningsverschillen tussen instituties, de maatschappelijke onrust en de nieuwe wetenschappelijke inzichten verwacht ik dat dit binnen tien jaar zal leiden tot een hernieuwde beoordeling door de EFSA. Hoe ziet de Minister dit? Is hij bereid om er bij de Europese Commissie op aan te dringen dat nieuwe wetenschappelijke, zorgwekkende inzichten direct gaan leiden tot een herbeoordeling van de toelating?

Tot slot. D66 wil het gebruik van glyfosaat zo veel mogelijk terugdringen. Daarom heb ik twee vragen over het gebruik daarvan in Nederland. Ten eerste. Het Ctgb oordeelt dat er in Nederland een probleem is met de winning van drinkwater in relatie tot glyfosaat en AMPA in grondwater. Dat probleem is niet alleen te relateren aan niet-landbouwkundig gebruik. Is de Minister bereid om in relatie tot de drinkwaterproblematiek ook het gebruik in de landbouw verder aan te scherpen? Mijn tweede vraag is de volgende. In Nederland liggen duizenden kilometers spoorbanen, meestal met sloten aan weerskanten. ProRail gebruikt glyfosaat voor het onkruidvrij houden van de inspectiepaden en de ballastbedden. Is de Minister bereid om met ProRail om de tafel te gaan zitten om hun gebruik van glyfosaat terug te dringen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Ouwehand heeft een interruptie voor u.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

D66 somt heel nauwkeurig de bezwaren op tegen het gebruik van glyfosaat en tegen een verlenging van tien jaar voor de toelating. Ik heb een vraag over de processen die nu lopen. Ik hoor de heer De Groot aan de Minister vragen of we de discussie niet moeten afwachten, maar de huidige toelating vervalt en morgen en overmorgen wordt er in de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) een beslissing genomen over verlenging of niet. Ik denk dus dat we vandaag, en morgen bij de stemmingen, duidelijk moeten zijn over de inzet die we van het kabinet vragen. Eerder heeft D66 in het Europees parlement «niet langer dan zeven jaar» gezegd, en in deze Kamer «niet langer dan drie jaar». Wat is de positie van D66 nu?

De heer De Groot (D66):

We zitten in die zin op één lijn dat we zeer kritisch zijn ten aanzien van de stof glyfosaat en het gebruik van de middelen waarin die stof zit. We hebben in het verleden ook altijd moties gesteund, dan wel ingediend om daar bijzonder zorgvuldig mee om te gaan. Naar ik heb begrepen – maar ik ben benieuwd wat de Minister daarover zegt – wordt er deze week nog geen besluit genomen in de SCoPAFF. Ik denk dus dat we nog wel even tijd hebben om die discussie met elkaar te voeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Maar eerder was het voor D66 in het Europees parlement maximaal zeven jaar. In deze Kamer steunde D66 een motie die zei: niet langer dan drie jaar. Gelet op het betoog van de heer De Groot ligt dat ook voor de hand, omdat ook D66 voorziet dat de wetenschappelijke discussie zich nog verder zal ontvouwen. D66 weet toch ook dat als er eenmaal een toelating voor tien jaar is, het moeilijk is om die nieuwe wetenschappelijke inzichten daadwerkelijk te vertalen naar beperkende maatregelen? De richtlijn stelt dat je dan eerst minder vergaande oplossingen moet hebben bedacht. Het is dus nog niet zo makkelijk om dan nog op je schreden terug te keren. Het is toch verstandiger om ons niet vast te leggen op tien jaar glyfosaat en vast te houden aan wat bijvoorbeeld D66 zelf eerder heeft voorgesteld, maximaal drie jaar? Dan zien we daarna wel weer verder.

De heer De Groot (D66):

Wij zijn een partij die ontzettend kritisch is op glyfosaat. Kijk alleen maar naar de onderzoeken waarvan ik kennis heb genomen; ik heb de referenties voor zover mogelijk naar de Minister gestuurd. Er komt echt onderzoek aan dat buitengewoon kritisch is over glyfosaat. Op dit moment is de EFSA er heel duidelijk over. Ik vind ook dat je instituties zeker moet volgen, want je moet politiek bedrijven op basis van feiten, maar die nieuwe feiten komen eraan. Die nieuwe wetenschappelijke feiten moeten wel onmiddellijk aanleiding geven om het middel glyfosaat opnieuw te laten bezien door de EFSA. Als er nieuw onderzoek is, zou de Europese Commissie dus zo snel mogelijk een mandaat moeten afgeven om daarnaar te kijken. Dat zijn we verplicht op basis van alle terechte zorgen die er over dit middel zijn. Ik ben dus benieuwd of de Minister bereid is om zich daarvoor hard te maken en ervoor te zorgen dat die onderzoeken zo snel mogelijk door het Ctgb worden getoetst. Als het resultaat zorgwekkend is, moet dat worden doorgeleid naar de Europese Commissie voor een nieuw mandaat voor de EFSA. Naar mijn stellige overtuiging gaat dat binnen tien jaar gebeuren.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik heb net in mijn eigen bijdrage gewezen op de motie van 8 juni 2017 die ik samen met mevrouw Ouwehand en de heer Graus heb ingediend, maar die ook van harte is gesteund door D66. Die motie vroeg om, ongeacht eventuele toelating door de Europese Commissie, met aanvullende nationale maatregelen het gebruik van glyfosaat buiten de landbouw verdergaand te verbieden en het gebruik binnen de landbouw zo veel mogelijk te beperken. Die motie wordt door de beantwoording van de Staatssecretaris van 6 juli eigenlijk niet of in elk geval zeer onvolledig uitgevoerd. Is de heer De Groot dat met mij eens? Zou hij samen met mij willen onderstrepen dat de Minister die motie nu wel degelijk voortvarend en serieus moet uitvoeren?

De heer De Groot (D66):

Ik heb de brief die daarover gaat ook gelezen. Ik heb begrepen dat bijvoorbeeld een verbod op het gebruik door particulieren in Nederland met de bestaande wetgeving niet mogelijk is. Naar ik heb begrepen is dat in Frankrijk wel mogelijk per 2019, en per 2017 al in de publieke ruimte. Daar zijn dus wel verdergaande maatregelen genomen. Ik denk dus zeker dat er mogelijkheden liggen om het gebruik verder te beperken. Dat moeten we ook doen. Daarom heb ik de Minister voorgesteld om hier eens goed met ProRail naar te kijken, gelet op de enorme oppervlakte als je al die spoorbanen bij elkaar optelt. Mede gezien alle sloten die daarlangs lopen, zitten daar kansen om het gebruik concreet terug te dringen.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Is het een goed idee als wij toch in de richting van de regering aangeven dat wij nu binnen twee maanden een degelijk en stevig plan van aanpak willen hebben voor verdergaande beperking, natuurlijk inclusief die buitengewoon goede gedachtegang over het spoor?

De heer De Groot (D66):

D66 staat altijd open voor verdergaande maatregelen om het gebruik van glyfosaat zowel binnen de landbouw als daarbuiten verder te beperken, natuurlijk in overeenstemming met wat landbouwkundig en milieukundig noodzakelijk is.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Geurts namens het CDA.

De heer Geurts (CDA):

Dank, voorzitter. De fipronilcrisis is helaas nog niet voorbij. Diverse familiebedrijven in de pluimveesector worden elke dag geconfronteerd met de gevolgen. Ik vind het hartverscheurend om te zien dat ze moeten besluiten om hun koppels te ruimen. In gesprekken met hen die getroffen zijn, komt steeds naar voren dat ze grote onzekerheid ervaren door het onduidelijk handelen van de NVWA. Voor het CDA staat voorop dat we de onzekerheid voor betrokken bedrijven beperken, dat we niet onnodig bedrijven gesloten houden, dat we waar mogelijk moeten helpen en dat we deze situatie in de toekomst moeten voorkomen. Daarom heb ik de volgende vragen aan de Minister.

Ik vernam dat er geen Europese norm is voor fipronil in pluimveemest en dat in Nederland blijkbaar een nulnorm wordt gehanteerd, terwijl dat in andere lidstaten niet het geval zou zijn. Een werkbare residunorm lijkt me redelijk. Hoe kijkt de Minister daartegen aan? Is over fipronilresidu's ook Europese afstemming? Daarnaast zien we nu dat bedrijven waar nog net geen nulresidu in de mest wordt gemeten, geen exportverklaring krijgen voor hun dieren of eieren. Is dat proportioneel? Is het mogelijk om een bedrijf dat onder de blokkade zit voor mest, eieren of dieren, toch nog voor bepaalde gevallen een exportverklaring te geven, gezien het feit dat het om producten kan gaan waar niets mee aan de hand is?

Voorzitter. Provinciale staten van Gelderland zijn van mening dat ingezet moet worden op meer wetenschappelijk onderzoek naar preventie, monitoring en bestrijding van bloedluis. Ik begreep vandaag dat ze daarvoor zo'n € 100.000 beschikbaar hebben gesteld. Ook de raad van de gemeente Barneveld heeft besloten € 150.000 ondersteuning te willen bieden aan Barneveldse ondernemers. Zou de Minister willen toezeggen om met de betrokken provincies, gemeenten en de pluimveesector in kaart te brengen wat nog nodig zou zijn om de activiteiten van het Poultry Expertise Centre (PEC) in Barneveld verder te ondersteunen? En zou de Minister willen toezeggen samen met de pluimveesector en de Topsector Agri & Food in kaart te willen brengen welke onderzoeken er nog nodig zijn om de aanwezigheid van bloedluis in pluimveestallen aan te pakken en de Kamer voor de begrotingsbehandeling hierover te informeren?

Voorzitter. Dan het onderwerp visserij. Voor de Nederlandse visserman is de visserij op schol belangrijker dan voor zijn Europese collega's. Dat betekent in mijn ogen ook dat de Nederlandse Minister dit belang meer dan wie dan ook moet verdedigen. Is de Minister daartoe bereid? Want er dreigt nu een twijfelachtige, forse korting op het scholquotum terwijl er nog nooit zo veel schol in de Noordzee heeft gezeten. Mevrouw Lodders van de VVD-fractie heeft daar net aan gerefereerd. Gaat de Minister er alles aan doen om ervoor te zorgen dat het quotum niet naar beneden gaat?

Voorzitter. Er zijn al veel debatten gevoerd over neonicotinoïden; het feit dat ik dat woord zo uit mijn mond krijg, zegt al iets. Afgelopen zomer kregen we een kabinetsbrief over het Commissievoorstel en de adviezen van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, over toelating van imigla ... imidacloprid – het komt wel, mevrouw Ouwehand; je moet de dag nooit prijzen voordat het avond is. Kan de Minister aangeven waarom niet in lijn met het Ctgb-advies wordt gehandeld en Nederland zich verzet tegen het Commissievoorstel? Het advies van het Ctgb brengt mij ertoe de Minister erop te wijzen dat het Ctgb aangaf dat het Commissievoorstel overly strict is. Het CDA wil graag ...

De voorzitter:

Momentje. De Minister heeft een aanvullende vraag.

Minister Kamp:

Voorzitter, ik was nog het vorige punt van de heer Geurts aan het opschrijven en heb dit punt niet goed meegekregen. Zou hij het nog een keer willen brengen?

De heer Geurts (CDA):

Met alle plezier, voorzitter. Volgens mij doelt de Minister op de zin: «Kan de Minister aangeven waarom niet in lijn met het Ctgb-advies wordt gehandeld en Nederland zich verzet tegen het Commissievoorstel?» Dit gaat over imigla ... over de neonicotinoïden, en het debat daarover.

De voorzitter:

Daar wordt nog iets aan toegevoegd, hoor ik net.

De heer De Groot (D66):

Kan de heer Geurts dat moeilijke woord nog een keer zeggen? Dat wil de Minister opschrijven.

De heer Geurts (CDA):

Imidacloprid? Ja hoor. Als ik jou maar aankijk, komt dat er wel uit, voorzitter! Klopt de boekhouding zo weer?

De voorzitter:

Volgens mij is nu alles weer in lijn met wat u tot op heden al had ingebracht. Gaat u verder met uw inbreng.

De heer Geurts (CDA):

Het CDA wil graag dat er meer werk wordt gemaakt van de bee guidance, zodat die in de toekomst kan dienen als maas voor beoordeling. Dat is nu nog niet het geval. Daarnaast ziet het CDA liever dat ingezet wordt op verduurzaming die echt effect heeft, zoals het toelaten van lagerisicomiddelen. Kan de Minister daar een stand van zaken over geven?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Futselaar namens de SP.

De heer Futselaar (SP):

Voorzitter, dank u wel. Het is vandaag dierendag en omdat we hier een Europese Raad behandelen, leek dit mij wel een goed moment om kort het thema Europa en dieren te bespiegelen, vooral in het kader van de toekomst van het GLB, waarover de discussies gaande zijn. We moeten constateren dat veel van onze wetgeving om dieren te beschermen uit Europa komt. Dat is mooi, al zou vaak meer mogelijk zijn. Tegelijkertijd hebben Europa en meer specifiek het Europees landbouwbeleid en de interne markt aan de wieg gestaan van de enorm intensieve veehouderij op ons continent. Het feit dat in het Europees Verdrag als doel van het GLB nog steeds staat opgenomen «het verhogen van de productiviteit van de landbouw», is wat mij betreft een van de grootste weeffouten van Europa.

In een eerder debat vanochtend hoorde ik Staatssecretaris Dijksma stellen dat het wat haar betreft elke dag dierendag zou moeten zijn. Omdat het kabinet met één mond spreekt, ga ik ervan uit dat de Minister dit standpunt deelt. Ik zou hem daarom willen vragen om in Brussel in de discussies over de toekomst van het GLB specifiek te willen pleiten voor een verbetering van het dierenwelzijn binnen de Europese Unie, als onderdeel van het Nederlandse standpunt dat inzet op vergroening van het GLB, wat wij overigens een eerbiedwaardig en goed standpunt achten, in grote lijnen. Om een specifiek item te noemen, denk ik toch weer aan de maximale diertransporttijd van 8 uur, een vurige wens van meer dan 1 miljoen Europeanen en ook veel mensen in deze Kamer.

Specifiek als het gaat over de discussie over het GLB worden de kampen zichtbaar. Ze worden ook in de brief genoemd. De Visegrádgroep zit duidelijk op de behoudende lijn en Nederland heeft een heel andere koers gevaren. Kan de Minister schetsen wie nu eigenlijk onze bondgenoten zijn in deze komende discussie? Hoe zit bijvoorbeeld de nieuwe Franse regering in deze discussie? We horen zulke opbeurende dingen over glyfosaat dat ik benieuwd ben of Frankrijk inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het algemeen misschien ook wat oude stellingen heeft verlaten. Tot slot daarover: wat zijn de consequenties van de brexit voor de GLB-discussie?

Dan kom ik op glyfosaat. De SP heeft net zoals verschillende andere partijen hier grote moeite met glyfosaat, en hier meerdere malen gepleit voor een verbod op glyfosaat en op Roundup, zoals het in de winkels heet, waar het nog steeds ligt. Er zal weer over de verlenging gesproken worden en wij kunnen elkaar nu weer, zoals we ook eerder hebben gedaan, met onderzoeksrapporten om de oren slaan, maar wij zien dat de kampen in Europa aan het keren zijn. Er is al over gesproken dat landen zich tegen glyfosaat hebben gekeerd. Een aantal landen heeft geen missionaire regering. Dit land, maar ook ons buurland Duitsland, toch niet onbelangrijk in discussies. Ik weet dat wij deze Minister niet gaan overtuigen om op te houden met glyfosaat en niet in te stemmen met een tienjarig verbod. Toch wil ik hem vragen of dit, en de twijfel die er op dit moment is over het meest recente EFSA-onderzoek, waaruit de Britse krant The Guardian heeft opgemaakt dat grote delen van het onderzoek zijn overgenomen uit onderzoeken van de bedrijvenlobby zelf, niet aanleiding is om een besluit over meerjarige goedkeuring van glyfosaat uit te stellen en te zeggen: wij gaan niet nu meerjarige toestemming geven. Ik heb nog een aangehouden motie van die strekking liggen en overweeg die uiteraard in stemming te brengen.

Ik wijs ook, zoals al eerder is gebeurd, op de noodkreet van de drinkwaterbedrijven. Dat zou ik in principe niet moeten hoeven doen, want er is ook een motie aangenomen waarmee de Minister wordt opgeroepen om opnieuw in gesprek te gaan met de drinkwaterbedrijven. Ik wil hem daarbij meegeven dat we nu vooral in kaart moeten brengen wat precies de maatschappelijke kosten zijn van glyfosaat, vooral vanuit de drinkwaterkant, want daar horen wij vrij weinig over.

Dan nog een kleiner onderwerp. Vandaag is bekend geworden dat verschillende supermarkten weer dreigen te gaan stunten met de melkprijs. Ik ben mij ervan bewust dat deze Minister niet direct kan ingrijpen in de melkprijs van supermarkten – dat zal hij als goed liberaal waarschijnlijk ook niet willen – maar niettemin heeft dit natuurlijk wel grote consequenties. De gevolgen van een melkprijsdaling in de supermarkten – we hebben het over ongeveer 30% – is heel klein voor de consument, maar heel groot voor de melkveehouder en ook heel groot voor alles wat wij aan maatschappelijke doelen aan de melkveehouder vragen. Is de Minister bereid om met de supermarktsector in overleg te treden en eventueel een soort moreel appel te doen? De duurzame ontwikkeling van de sector wordt hierdoor immers ondermijnd.

Tot slot: stalbranden. Eind augustus van dit jaar heeft de Staatssecretaris ons een brief gestuurd met daarin een aantal maatregelen tegen de plaag van stalbranden. Een van die maatregelen was een verkenning naar de aanpassing van het Bouwbesluit voor bestaande stallen, om te bezien wat hierin mogelijk was. Hoe staat het met die verkenning en wanneer kunnen we ongeveer de uitkomsten verwachten?

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Dik-Faber namens de ChristenUnie.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Allereerst glyfosaat. De Europese Commissie stelde verlenging van de goedkeuring van glyfosaat voor met tien jaar. In juni van dit jaar hebben we al uitgebreid met elkaar gedebatteerd over de wetenschappelijke onderbouwing van deze verlenging. Ik heb in dat debat aangegeven dat de Europese procedures voor de toelating van middelen onbevredigend zijn. Er zijn verschillende tegenstrijdige wetenschappelijke visies en bovendien ook nog gebrek aan transparantie over de beschikbare informatie. Nu is recent het advies van het Ctgb gepubliceerd, waaruit blijkt dat er geen bewijs is van schadelijke gezondheidseffecten en dat veilig gebruik van glyfosaat mogelijk is. Tegelijkertijd lezen we in het advies enkele kanttekeningen en randvoorwaarden. Ik noem er twee. De eerste: maatregelen in Nederland zijn nodig ter bescherming van oppervlaktewater en drinkwater, met name in het particuliere gebruik. En het tweede: er blijven risico's voor vogels en grasetende zoogdieren waarmee rekening moet worden gehouden voordat toelating in Nederland mogelijk is. Daarom de volgende vragen aan de Minister. Wat gaat de Minister doen om oppervlaktewater en drinkwater te beschermen? Het Ctgb adviseert om mitigerende maatregelen te nemen. Aan welke maatregelen denkt de Minister dan? Hoe wil de Minister omgaan met de risico's voor dieren? Mijn derde vraag: op welke manier wordt in lijn met de green deal gewasbescherming de toelating en toepassing van groene alternatieven versneld en bevorderd? De hele Kamer is het erover eens dat er groene alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen moeten komen en dat de toelating daarvan echt sneller moet. Is de Minister bereid om in EU-verband op te roepen tot een herbeoordeling van de toelating als gewijzigde wetenschappelijke inzichten daartoe aanleiding geven?

Dan de neonicotinoïden. De EFSA heeft geadviseerd tot de verdere beperking van de toelating van drie neonicotinoïden. Het Ctgb is hierover kritisch. De EFSA heeft gebruikgemaakt van het guidance document bijen, waarover nog discussie gaande is. Ik voel mij daarbij wel wat ongemakkelijk, want ik wil ontzettend graag vasthouden aan de oordelen van de EFSA. Die moeten leidend zijn. Maar nu is er door meerdere lidstaten kritiek geuit op de onderbouwing van de adviezen, namelijk door gebruik te maken van een guidance die niet alom geaccepteerd is. Ik zou daar graag een reactie op willen hebben van de Minister.

De voorzitter:

Een interruptie van de heer Grashoff namens GroenLinks.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Mevrouw Dik-Faber geeft terecht aan dat er zorgen zijn over het grond- en oppervlaktewater en over de drinkwatervoorziening. Vervolgens koppelt zij dat direct aan het particulier gebruik. Is mevrouw Dik-Faber het met mij eens dat het gebruik in de landbouw net zo goed bijdraagt aan overschrijding van dit soort normen en dat we dus ook daar zouden moeten zorgen voor een beperking van het gebruik?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik heb geciteerd uit het Ctgb-advies en het Ctgb zegt dat er inderdaad maatregelen nodig zijn ter bescherming van oppervlaktewater en drinkwater, met name in het particuliere gebruik. Dat is volgens mij wat het Ctgb adviseert. Dat neemt niet weg dat ook van de agrarische sector gevraagd mag worden om een inspanning te plegen om te waarborgen dat er zo min mogelijk uitspoeling plaatsvindt. Volgens mij is de agrarische sector daar ook van harte toe bereid.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Van dat laatste merk ik nog niks, maar misschien zouden we ze een handje kunnen helpen. «Met name particulier gebruik» betekent niet alleen particulier gebruik, maar ook in het landbouwgebruik. Is mevrouw Dik-Faber bereid om samen met ons na te denken over wat zinvolle beperkingen in de landbouw zouden kunnen zijn? Ik heb een paar suggesties bijvoorbeeld in mijn eigen termijn gedaan, bijvoorbeeld volveldse toepassingen die echt overbodig zijn.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik ben altijd bereid tot nadenken, maar ik wil dat wel doen op zo'n manier dat het voor de agrarische sector haalbaar en betaalbaar is. Als ik de alternatieven zie voor gewasbeschermingsmiddelen die op dit moment voorhanden zijn, dan zijn die niet altijd afdoende, en bovendien ligt er ook een advies van onze Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, die aangeeft dat de alternatieven niet altijd minder milieudruk veroorzaken. Het is gewoon een complexe materie, waarbij je niet kunt zeggen: ik schrap het ene middel en dan is er een middel beschikbaar dat geen effecten meer heeft op het milieu. Dat is geloven in sprookjes; zo werkt het niet. Tegelijkertijd constateer ik dat er diverse rapporten liggen van de EFSA en van het Ctgb die ten aanzien van glyfosaat vaststellen dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid. We moeten bij alle vragen die ik ook heb, toch de ratio blijven gebruiken en vasthouden aan de rapporten die vanuit de EFSA en het Ctgb aan ons zijn voorgelegd.

De voorzitter:

Dank u wel. Had u verder nog inbreng? Dat blijkt het geval. Gaat u verder.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik was bij het advies van de Europese Commissie over neonicotinoïdes. Het Ctgb stelt dat er in Nederland rekening gehouden wordt met het tegengaan van stofdrift, en dat er veel oog is voor de kwaliteit van gecoat zaad. Ook wijst het Ctgb op onderzoek van de NVWA waaruit blijkt dat de risico's voor mens en milieu bij toepassing van alternatieve middelen niet per se lager zijn, een lager risicoprofiel hebben. Wil de Minister deze bezwaren van het Ctgb overbrengen in Europa en niet akkoord gaan met het voorstel van de Europese Commissie zolang niet aan deze bezwaren tegemoet is gekomen?

Voorzitter, dan het onderwerp fipronil. In Europa heeft inmiddels overleg plaatsgevonden over een meer geharmoniseerde aanpak van incidenten met voedselveiligheid. Dat is hard nodig en dat blijkt ook uit de brief van de Minister, waarin hij schrijft: «De lidstaten hanteren weliswaar dezelfde norm, maar de aanpak en communicatie daarover verschillen.» Het CDA heeft een aantal goede vragen hierover gesteld. Daar sluit ik me bij aan.

Intussen loopt er zowel op Europees niveau als in Nederland een evaluatie. Wat is het tijdpad van het Europese onderzoek? Vindt er nog afstemming plaats tussen het Nederlandse en het Europese traject? Tijdens het laatste overleg met de Staatssecretaris van EZ – in de laatste week van het zomerreces was dat – gaf hij aan dat Nederland de ontwikkelingen bij onze zuiderburen goed volgt, ook omdat over diverse steunmaatregelen die men in België van plan is om te nemen nog afstemming moet plaatsvinden met Europa. Kan de Minister aangeven wat hier de stand van zaken is? Een aantal gemeenten, zoals Ede en Barneveld, en ook de provincie Gelderland hebben besloten om de getroffen boeren te ondersteunen. Ook hier is de heer Geurts uitvoerig op ingegaan. Ik kan mij aansluiten bij de vragen die hij daarover gesteld heeft.

Ook in de onderzoeksfeer kunnen we heel veel doen voor de getroffen bedrijven. We kunnen misschien niet alle problemen oplossen, maar laten we wel doen wat we kunnen. Ik denk dat dat belangrijk is. De fipronilaffaire staat niet meer dagelijks in de krant, maar bedrijven hebben er wel dagelijks mee te maken. Het persoonlijke drama dat zich nu voltrekt op wat tot voorkort bloeiende gezinsbedrijven waren, kunnen we ons nauwelijks voorstellen.

Dan kort de jonge boeren.

De voorzitter:

Wilt u afronden?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Oh, ja. Ik moet afronden. Oké. Wat betreft de jonge boeren sluit ik me aan bij de VVD.

Mijn laatste punt betreft het GLB en de Sustainable Development Goals. Ik ben niet alleen de trotse ouder van een adoptiekind uit China, maar ik heb ook een Sustainable Development Goal geadopteerd, namelijk duurzame productie en consumptie. Ik ben daar erg blij mee en ik wil er goed voor zorgen. Ik denk dat voedselverspilling een ontzettend belangrijk onderwerp is. Mijn vraag aan de Minister is of hij dit ook wil inbrengen voor de toekomst van het GLB.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Daar word ik altijd blij van, als ik de ChristenUnie over de Sustainable Development Goals hoor. Fijn ook dat mevrouw Dik-Faber die duurzame productie en consumptie heeft geadopteerd. Nu heeft de Partij voor de Dieren laatst een motie ingediend, naar aanleiding van het ondertekenen van de Europese sojaverklaring, waarin staat dat een onderdeel van het GLB zou moeten zijn dat we inderdaad duurzamer gaan produceren en consumeren. Daar hoort een eiwitstrategie bij, dat we verschuiven van de productie en consumptie van dierlijke eiwitten naar die van plantaardige. Dat weet mevrouw Dik-Faber, want zij heeft dat doel geadopteerd. Toch stemde de ChristenUnie daartegen. Ik vraag me dan af wat precies de oproep aan het kabinet is. Hoe moet het kabinet pleiten voor duurzame productie en consumptie als onderdeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid als het niet de bedoeling is dat we daadwerkelijk duurzaam gaan produceren en consumeren?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Duurzame productie en consumptie, ook waar het gaat om voedsel, betreft een breed terrein. Mijn inzet is vooral gericht op het tegengaan van voedselverliezen en voedselverspilling. Ik ken het pleidooi van mevrouw Ouwehand voor een transitie van dierlijke eiwitten naar plantaardige eiwitten. Dat vindt zij een duurzame manier van produceren en consumeren. Ik heb al eerder betoogd dat er een maatschappelijke beweging gaande is waarin dit ook aan de orde is. Ik zie in de agrarische sector dat een aantal boeren de stap heeft gezet naar teelt van eiwitrijke producten. Daar ben ik ontzettend blij mee. Waar ik het gewoon echt niet mee eens ben, is het pleidooi van de Partij voor de Dieren om die transitie invulling te geven door de veestapel met 70% te verminderen. Dat is de agenda van de Partij voor de Dieren. Als ik moties van de Partij voor de Dieren ga steunen over die transitie, weet ik wat wat mevrouw Ouwehand betreft het resultaat is. Als onze boeren duurzamer produceren dan welke boer ter wereld ook, ben ik niet van plan om daaraan mee te gaan werken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dit is een raar verhaal. De Partij voor de Dieren heeft inderdaad uitgewerkt wat het betekent als we alle monden van de wereld zouden willen voeden, de klimaatdoelen willen halen, het dierenwelzijn serieus willen nemen en ook nog wat natuur willen overhouden. Je zou kunnen zeggen dat je het niet helemaal eens bent met die berekening, maar kijk naar het programma van de ChristenUnie zelf. Mevrouw Dik-Faber komt hier zwaaien met het Sustainable Development Goal dat we toe moeten naar duurzame productie en consumptie. Zij weet dat daarbij hoort – dat is geen particuliere opvatting van de Partij voor de Dieren – dat we minder dierlijke eiwitten gaan eten. Wat is nou een beter platform – ze vraagt er zelf om – om dat vorm te geven dan het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat we die transitie inzetten? Dat gaat nog helemaal niet over hoe snel en hoe hard, maar we moeten er wel binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid naar kijken. Zij vraag er zelf om en op het moment dat het concreet wordt, dat dat dus ook een eiwittransitie behelst, trekt de ChristenUnie zich terug.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik vind het echt een verhaal van niks.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Als ik kijk naar het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid, zie ik dat daarin de stap wordt gezet naar vergroening en het waarderen van maatschappelijke diensten. Ik denk dat dat een goede stap is om op Europees niveau te zetten. Dat is wat ik als eerste wil zeggen. Bovendien is voedselproductie wat mij betreft ook maatschappelijk relevant. Het feit alleen al dat boeren ons voedsel produceren, heeft ook maatschappelijke waarde. Dat vergeten we weleens. Dat is het tweede dat ik wil zeggen. Dan het derde. Mevrouw Ouwehand beticht mij ervan dat mijn verhaal geen steek houdt. Ik zou tegen haar willen zeggen dat de ChristenUnie een knettergroen verkiezingsprogramma heeft waarin wij zonder het aantal dieren te verminderen de doelen van Parijs kunnen halen. Wij hebben dat laten doorrekenen door het Planbureau voor de Leefomgeving. Dat is allemaal zwart-op-wit te lezen. De Partij voor de Dieren heeft niet het lef gehad om haar verkiezingsprogramma te laten doorrekenen en komt niet verder dan: 70% van die dieren moet weg en dan halen we de doelen van Parijs. Voorzitter, zo werkt het niet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we over tot de beantwoording door de Minister. Hij heeft aangegeven geen schorsing nodig te hebben, dus kunnen we direct door. Het woord is aan de Minister.

Minister Kamp:

Voorzitter. Ik zal proberen zo goed mogelijk in te gaan op hetgeen de woordvoerders naar voren hebben gebracht. Het zijn veel verschillende onderwerpen en heel veel verschillende vragen. We zullen kijken hoever ik in mijn eerste termijn naar genoegen van de Kamer in staat ben om daarop in te gaan.

Ik begin met hetgeen de heer Wassenberg naar voren bracht. Ik kom zo op het punt van glyfosaat, waar mevrouw Ouwehand over sprak, maar eerst ga ik in op het punt van de heer Wassenberg wat de betreft de Oostzee. Hij gaf aan van mening te zijn dat we daar de verruiming die de Commissie van plan zou zijn door te voeren niet moeten steunen, dat we vast moeten houden aan de maximum sustainable yields, de MSY, en dat we voor wat betreft de tonijnvangst – dat gaat dan niet over de Oostzee, want daar komen die beesten nog niet in voor – het voorzorgsbeginsel moeten hanteren.

Eerst even over het punt wat betreft de Oostzee. Ik ben er terughoudend in om daarover grote verhalen te gaan houden, omdat wij daar verder geen visserijbelangen hebben. Ik denk dat het in de eerste plaats een zaak is voor de Commissie en voor de meest betrokken landen om daarover standpunten in te nemen. Nederland heeft als algemene lijn dat het heel verstandig is om op basis van wetenschappelijke analyses vast te stellen hoe je uiteindelijk naar die MSY toe kunt komen, of dat meteen kan dan wel met een stappenplan van enkele jaren moet gaan gebeuren. De voorstellen die de Commissie doet, houden in dat de wetenschappelijke voorstellen gevolgd gaan worden, dat er meerjarenplannen gevolgd gaan worden, dat het maximum moet liggen op de MSY en dat de voorzorgsbenadering voor gegevens aan de bestanden moet worden gevolgd. Ik denk dat dat een goede lijn is. Ik denk dus dat in algemene zin de lijn van de Commissie gesteund kan worden, zonder dat Nederland zich op het punt van de Oostzee zou moeten gaan profileren. We hebben genoeg punten die we geprononceerd naar voren moeten brengen en ik denk dat we daar enige terughoudendheid in acht moeten nemen.

Ik denk dat er terecht grote zorgen bestaan over de ontwikkelingen in de tonijnvangst. Er zijn gelukkig positieve ontwikkelingen te melden over de vangst van de oostelijke blauwvintonijn. Die lijkt zich te herstellen. Het was hoognodig dat dit gebeurde. Er is nog steeds sprake van overbevissing van een paar andere soorten zoals de grootoogtonijn, en hoewel geen tonijn, denk ik dat de kortvinmakohaai hierbij ook genoemd moet worden. Nederland is van mening dat alle tonijn, en haaiensoorten die daaraan gerelateerd zijn, goed beheer verdienen en dat er dus een verstandige lijn moet worden gevolgd. Wij zijn van mening dat aanpassing van de vangstmogelijkheden van blauwvintonijn nu nog niet mogelijk is. Eerst moet de biologische toestand van die vis goed beoordeeld worden, met een nieuw model dat minder onzekerheden kent dan het huidige model. Daarna kunnen we kijken of er verruiming mogelijk is. Ik vind het nu nog te vroeg om dat te doen. Voor de andere soorten vind ik dat de lijn van het tegengaan van overbevissing zoals die is ingezet, moet worden vastgehouden. Ik zal bepleiten dat de overbevissing van het bestand aan kortvinmakohaai wat ons betreft zo snel mogelijk gestopt moet worden.

Het is misschien goed, voorzitter, om naar glyfosaat te gaan. Er zijn een aantal opmerkingen gemaakt over verschillende kampen waar verschuivingen in zouden zijn en waar nieuwe inzichten zouden zijn, met name over de kankerverwekkendheid van de stof. Ik denk dat dit niet zo is. In één onderzoek uit maart 2015, van het International Agency for Research on Cancer, is gezegd dat die stof waarschijnlijk kankerverwekkend zou zijn. Dat is vervolgens door alle andere onderzoeken tegengesproken. Eerst heeft EFSA, onze Europese voedselautoriteit, gezegd dat het niet zo is. Bovendien is de rapporterende lidstaat Duitsland, die zich daar namens de lidstaten zeer in heeft verdiept, tot dezelfde conclusie gekomen. Daarna is er in mei 2016 een rapport gekomen van de Joint FAO/WHO Meeting on Pesticide Residues. Die heeft ook gerapporteerd dat glyfosaat niet kankerverwekkend is. Daarna is er in maart van dit jaar nog een keer een rapport gekomen, van het European Chemicals Agency, dat gezegd heeft dat glyfosaat niet gekwalificeerd zou moeten worden als een kankerverwekkende stof. Die onderzoeken zijn echt wel duidelijk. Al met al heeft dat ertoe geleid dat de Europese Commissie de gebruikelijke periode van tien jaar ook voor deze stof gaan hanteren en de toelating van de werkzame stof glyfosaat voor een periode van tien jaar te verlengen. Ik denk dat logisch is om dat te gaan doen.

Er zijn uitspraken gedaan over wat Monsanto zou hebben gedaan. Monsanto zou invloed hebben uitgeoefend. Ik denk dat normaal overleg, zoals we dat ook heel graag willen hebben met de boeren, met de ngo's en degenen die in deze onderwerpen zeer geïnteresseerd zijn, ook met producenten moet kunnen plaatsvinden. Dat lijkt mij heel nuttig. Van beïnvloeding, en zeker van onjuiste beïnvloeding, van een bedrijf als Monsanto mag natuurlijk geen sprake zijn. In Amerika hebben ze daarmee te dealen. Het is aan hen om dat in goede banen te leiden. In Europa heeft de EFSA in een verklaring op 23 mei van dit jaar gezegd dat Monsanto het proces rond het vernieuwen van de werkzame stof glyfosaat niet heeft beïnvloed. Bovendien heeft de European Chemicals Agency (ECHA) in een verklaring aangegeven dat Monsanto geen invloed heeft uitgeoefend op zijn beoordeling van de stof glyfosaat. Ik ben er op basis van wat die beide agencies naar voren hebben gebracht van overtuigd dat het probleem van onjuiste beïnvloeding in Europa niet speelt.

De heer Futselaar (SP):

De Minister stelt dat je op een goede manier met producenten moet kunnen praten. Ik wijs erop dat het Europees parlement, traditioneel toch geen bastion van revolutionaire strijdbaarheid en al helemaal niet vies van lobbyisten, inmiddels Monsanto de toegang heeft geweigerd, juist omdat ze niet mee willen doen aan bijvoorbeeld hoorzittingen. Dat is toch ook wel een teken aan de wand. Is de Minister dat niet met mij eens?

Minister Kamp:

Als ze niet willen meedoen aan hoorzittingen is de toelating ook niet zo'n groot probleem, maar u bedoelt waarschijnlijk de een-op-eencontacten die daar plaatsvinden. Ik denk dat ieder parlementslid in Nederland en Europa dat zelf moet weten. Als een parlement als geheel uitspraken wil doen, moet het dat zelf weten. Mij gaat het erom dat de agencies die adviezen hebben gegeven op grond waarvan de Europese Commissie met een standpunt is gekomen, gezegd hebben dat er geen sprake was van onjuiste beïnvloeding door Monsanto. Daarmee is wat mij betreft de kous af.

De voorzitter:

De heer Futselaar nog aanvullend? Nee? Dan kan de Minister door met de beantwoording.

Minister Kamp:

Goed, wat Nederland betreft kunnen we de lijn inzake glyfosaat dus vasthouden, dus kunnen we de goedkeuring van de werkzame stof door de Europese Commissie steunen. Dat wil niet zeggen dat we niet om allerlei redenen zeer attent moeten zijn op het gebruik van middelen waar die werkzame stof in verwerkt is, ook redenen die de woordvoerders hebben genoemd, met name het weervinden van die stof in het water. Wij in Nederland hebben daarin een lijn. Ieder land moet zijn eigen lijn voor die middelen uitzetten. Het gaat niet alleen om Roundup, zoals de heer Futselaar zegt. De werkzame stof is volgens mij in iets van 26 middelen verwerkt. Wij hebben in Nederland als lijn dat we het gebruik, buiten het professionele gebruik, maximaal proberen te beperken. Wij zijn kritisch op professioneel gebruik buiten de landbouw. Een van u vroeg: ben je bereid om met ProRail te spreken over het beperken van het gebruik van middelen waar glyfosaat in zit op de verharding van railverbindingen? Ja, ik ben bereid om dat te doen. Er wordt nagegaan of er redelijke alternatieven zijn voor het gebruik in de landbouw van middelen waar glyfosaat in zit. We zullen kijken wat daaruit komt en hoe we de uitkomsten van die onderzoeken moeten beoordelen. Op dit moment wil ik vasthouden aan de lijn die we tot dusver in Nederland hebben voor middelen waar glyfosaat in verwerkt is. Ik wil akkoord gaan met de Europese goedkeuring van glyfosaat als werkzame stof voor een periode van tien jaar.

Voorzitter, als u het mij toestaat wil ik nog iets zeggen over wat de andere landen daarvan vinden. Ik heb gehoord dat men daar in Duitsland verdeeld over zou zijn in het kabinet. Dat kabinet is inmiddels demissionair. We zullen kijken waar het nieuwe kabinet mee komt. In ieder geval is het zo dat Duitsland zich namens de lidstaten in die materie verdiept heeft en tot dezelfde conclusie is gekomen als de EFSA, dus die lijkt me wel duidelijk. Ik heb nog niet gehoord dat Frankrijk voorstander zou zijn van het niet geven van goedkeuring aan glyfosaat als werkzame stof. Ik heb het meest recent wel gehoord dat bepaalde vertegenwoordigers van Frankrijk praten over een kortere periode van vijf of zeven jaar, maar het niet-goedkeuren heb ik nog niet hardgemaakt gezien vanuit Frankrijk. Ik denk dus dat de huidige lijn, die tienjaarlijn, goed is, vooral met het belangrijke gegeven dat als er in de tussenperiode nieuwe inzichten zijn als gevolg van nieuwe informatie, die goedkeuring kan worden heroverwogen. Dat lijkt me ook redelijk. Als er nieuwe informatie is over zo'n stof waar discussie over is, dan moet je daar ook rekening mee houden.

De voorzitter:

Twee interrupties, allereerst van de heer Grashoff.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik zou toch een wat nadere toelichting van de Minister willen hebben op wat er op dit moment concreet gebeurt ter uitvoering van mijn motie van 8 juni 2017. Welke plannen zijn er voor verdergaande beperking buiten de landbouw en welke mogelijkheden zijn er voor beperkingen binnen de landbouw? Dat is mij niet helder en het is mij ook niet duidelijk geworden uit de eerdere brief van de Staatssecretaris. Ik kan me tot nu toe nog niet aan de indruk onttrekken dat de motie eigenlijk niet wordt uitgevoerd. Als de Minister zegt die wel uit te voeren, dan vind ik echt dat hij concreter moet worden ten aanzien van waar hij aan denkt en met wat voor soort tijdpad.

Minister Kamp:

Wat ik daarover kan zeggen, is dat Nederland bij het professionele gebruik van glyfosaat onderscheid maakt tussen het gebruik voor de landbouw en het gebruik daarbuiten. Ik heb onze terughoudende opstelling met betrekking tot het gebruik buiten de landbouw al beschreven. Ik heb dat ook vertaald door bereid te zijn om met de beheerder van de spoorwegen te spreken over het gebruik van dat middel op de verharding van railverbindingen.

Dan kom ik op de middelen die in de landbouw worden ingezet. Het gebruik daarvan moet op dit moment volgens mij worden toegestaan, maar het is verstandig om te gaan kijken welke alternatieven beschikbaar zijn, wat de effectiviteit daarvan is en wat de bezwaren daartegen zijn. Je kunt de bezwaren tegen glyfosaat in beeld brengen, maar als je over een alternatief wilt spreken, moet je ook weten wat de nadelen daarvan zijn zodat je een goede afweging kunt maken. Die onderzoeken zijn in gang gezet. We zullen kijken wat de uitkomsten daarvan zijn. Dit was mijn reactie op deze vraag van de heer Grashoff.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Dat blijft buitengewoon algemeen, zeker als het gaat om de maatregelen in de landbouw. Het is ook onzeker of er überhaupt iets zou kunnen. Ik heb in mijn bijdrage twee hele concrete voorbeelden genoemd. Die gingen over het spuiten na de oogst voor nieuwe aanplant en over de weidegronden. Ik denk dat de discussie met die voorbeelden echt aan een heel concreet niveau raakt. Bovendien gaat het in dit soort gevallen waarschijnlijk helemaal niet om een alternatief middel dat daarvoor nodig is, maar gewoon om gebruik dat überhaupt overbodig is en dus vrij eenvoudig gestopt kan worden.

Minister Kamp:

Het lijkt me niet voor de hand liggen dat agrariërs dure middelen gebruiken die overbodig zijn. Agrarische ondernemers willen bovendien graag een voorgeschreven en gepast gebruik van dat soort middelen maken. Als er toch signalen zijn dat er zich in de praktijk problemen voordoen, dan zijn wij graag bereid om daar met de agrarische organisaties over te spreken. Tot op dit moment is er met de daarvoor geldende bepalingen sprake van een verantwoord en gepast gebruik van middelen met glyfosaat in de landbouw. Er kunnen pas alternatieven in beeld komen als blijkt dat die de goede effecten hebben en dat die ook verantwoord zijn als je rekening houdt met de nadelen ervan.

De voorzitter:

Dank u wel. Er is een interruptie van de heer De Groot.

De heer De Groot (D66):

Allereerst dank aan de Minister dat hij bereid is om met ProRail om tafel te gaan zitten. Ik denk dat daar echt een heel concrete mogelijkheid ligt. Mijn vraag ligt in het verlengde van wat collega Grashoff net zei. Het Ctgb schrijft dat ten aanzien van het knelpunt voor de inname van oppervlaktewater voor het bereiden van drinkwater op nationaal niveau bij de toelating van middelen risicomitigerende maatregelen moeten worden voorgeschreven. Ook het Ctgb is kritisch over de aanwezigheid van residuen of glyfosaat of in ieder geval van bestrijdingsmiddelen, waaronder glyfosaat. Het Ctgb suggereert eigenlijk dat je verdergaande maatregelen moet nemen. Dat lijkt me toch wel aan de orde omdat de buiten de landbouw genomen maatregelen tot nu toe niet echt effect hebben gehad op de aanwezigheid van residuen in bronnen voor ons drinkwater.

Minister Kamp:

Het lijkt me goed om aan te geven wat Nederland of wat de Minister van EZ wel en niet kan doen. In de eerste plaats kan ik andere landen niet gaan vertellen welke middelen waarin de toegelaten of goedgekeurde stof glyfosaat is verwerkt, daar toelaten mogen worden en welke gebruiksbeperkingen daarvoor gelden. De systematiek is zo dat we Europees kijken wat goedgekeurd kan worden als werkzame stof. Vervolgens moeten de landen bepalen welke middelen waarin die stof is verwerkt, gebruikt mogen worden en welke beperkingen daar eventueel voor gelden.

Typisch voor Nederland en voor de rol van de Minister van EZ is dat het Ctgb over de gewasbeschermingsmiddelen gaat. Het college kan kijken welke middelen toegelaten kunnen worden en welke beperkende voorschriften daar eventueel aan gekoppeld moeten worden. Dat is wat dat college moet doen. Dat is niet iets wat de Minister van EZ moet doen. Ik denk dat dit een heldere systematiek is waar we ook aan moeten vasthouden. Ik althans ben van plan om dat te doen.

De voorzitter:

Heeft de heer De Groot nog een aanvullende vraag? Dat is niet het geval. Ik zie dat er nog wel een interruptie van mevrouw Ouwehand is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik had eigenlijk wel gedacht dat de heer De Groot naar het volgende zou vragen omdat D66 zo sterk inbracht dat de verwachting is dat er nieuwe onderzoeken zullen komen en dat de toelating dan toch zeker opnieuw beoordeeld zal worden. Met andere woorden, we kunnen nog bijsturen als dat nodig is. De Minister zegt daarover: als er nieuwe informatie is, kan de toelating worden heroverwogen. Dat is op geen enkele manier een garantie, toch? Kan de Minister dat even schetsen, ook in relatie tot hoe dat met de neonicotinoïden is gegaan? Na lang aandringen en vele waarschuwingen zijn er wat herbeoordelingen gekomen, maar drie jaar daarna liggen er weer uitgebreide studies waaruit steeds weer het beeld oprijst dat we achter de feiten aanlopen. We leggen ons dan dus toch vast op dat gegeven. Het is tien jaar toegestaan en we hebben met heel veel pijn en moeite te laat kunnen ingrijpen. Zo werkt dat toch gelet op de verordening?

Minister Kamp:

Ik heb helemaal geen behoefte aan nieuwe onderzoeken op dit moment. Er zijn een heleboel onderzoeken geweest. De uitkomst daarvan is eenduidig, met uitzondering van het eerste onderzoek dat ik vermeld heb. Daarna zijn er een aantal onderzoeken geweest waarvan de uitkomst klip-en-klaar was. Voor mij is dat duidelijk. Het gaat nu om de vraag voor welke periode het van toepassing is. Dat is de gebruikelijke periode, niet langer of korter. Maar ik heb ook helemaal geen zin om een periode van tien jaar als vaststaand te beschouwen. Mocht het zo zijn dat er op een gegeven moment binnen nu en tien jaar nieuwe informatie beschikbaar komt die relevant is, dan moet je daar weer verstandig mee omgaan. Dat lijkt me vanzelfsprekend.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik vraag dit omdat deze Kamer uitgebreide ervaring heeft met wat er gebeurt als er een middel Europees is toegelaten. Wij zien in ons eigen land – maar we maken ons ook zorgen over de Europese context – dat bijvoorbeeld neonicotinoïden een te groot effect op bijen hebben gehad en dat ons drinkwater te vervuild is. Deze Kamer heeft geprobeerd om daar in zo'n herbeoordeling beperkingen aan te stellen. Dat is echt nog niet zo makkelijk. Dat duurt lang, nationaal kunnen we niks en toen dat moratorium op de neonicotinoïden er eenmaal kwam, bleef 85% van het Nederlandse gebruik buiten beschouwing.

Dit zijn vragen naar aanleiding van wat D66 hier opwerpt. Als er nieuwe informatie komt, leidt dat toch zeker tot een heel scherpe herbeoordeling? Ik hoor de Minister eigenlijk zeggen: als er informatie komt, dan kunnen we dat doen en dan lijkt het mij goed dat dat gebeurt. Maar het is geen garantie dat die toelating dusdanig wordt aangepast dat ons drinkwater, alle andere normen waaraan wij ons willen houden en bijvoorbeeld ook de biodiversiteit daadwerkelijk worden beschermd. Zo makkelijk loopt dat niet.

Minister Kamp:

Ik kan niet zeggen dat we dit en dat gaan doen als er nieuwe informatie komt. Het hangt ervan af wat die informatie is. Als er nieuwe informatie komt, zullen we die bekijken. Ook anderen zullen die informatie bekijken. Er zullen dan verstandige conclusies worden getrokken, maar ik kan niet bij voorbaat zeggen wat dat gaat worden. Nu, op dit moment, weet ik dat er op twee plekken beoordeeld is: op het niveau van Europa en op het Nederlandse niveau. Europa heeft dat gedaan op basis van een aantal onderzoeken die ik heb genoemd. Die zijn allemaal eenduidig. Dat is met uitzondering van het eerste onderzoek van het kankerinstituut, maar alle andere onderzoeken waren echt duidelijk en de conclusies waren helder. Daaruit komt naar voren dat dezelfde periode voor glyfosaat wordt gehanteerd als voor andere toegelaten stoffen. Dat lijkt mij ook logisch.

Het is in Nederland specifiek toegesneden om de Nederlandse situatie. Gelukkig zijn we in het bezit van het Ctgb. Dat college heeft dit bekeken en heeft gezegd: voor het professionele gebruik is dat de lijn en voor het niet-professionele gebruik is dit de lijn. Ik heb daar zelf nog aan toegevoegd dat ik bij het professionele gebruik nog onderscheid maak tussen de landbouw en daarbuiten. Bij het gebruik daarbuiten denk ik vooral aan het professionele gebruik op verhardingen. Ik denk dat we daar dus een heldere lijn voor hebben. Die kunnen we nu toepassen. Mocht het zo zijn dat er in de komende tijd relevante informatie beschikbaar komt die wijst op het nemen van een ander besluit, dan zal dat op Europees en op Nederlands niveau zeker aan de orde komen. Ik wil daar niet op vooruitlopen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik denk dat de Minister hier een heel helder verhaal neerzet over de toelating voor tien jaar. We moeten het niet in beton gieten maar moeten kijken of er een aanpassing nodig is als er nieuwe inzichten zijn. Tegelijkertijd kunnen we niet vooruitlopen op de uitkomsten van die herbeoordeling. Op dit moment is het Ctgb ook kritisch over de toelating. Ze zeggen dat ze het toelaten voor een periode van tien jaar – dat is een goed besluit – maar ze zeggen tegelijkertijd dat er wel mitigerende maatregelen moeten worden genomen voor dieren, voor oppervlaktewater en voor drinkwater. Dus: ja, we staan het toe, maar wel met flankerend beleid. Heb ik de Minister nou goed begrepen dat hij het aan het Ctgb laat welke maatregelen er moeten worden genomen? Of neemt de Minister hierover besluiten in samenspraak met de Kamer?

Minister Kamp:

Het is het Ctgb dat daarover gaat, maar natuurlijk kunnen wij er altijd over praten in de Kamer. We kunnen over alles praten. Ik kan over alles praten met het Ctgb, maar ik denk dat het verstandig is om heldere procedures te hebben en heldere afspraken te hebben gemaakt. Dat hebben we gedaan en ik pas die consequent toe. Zoals mevrouw Dik zegt, moet je altijd openstaan voor nieuwe informatie en daar dan eventueel een aangepast besluit over willen nemen. Ik ben daar zeker ook toe bereid. Ik denk dat de systematiek in Europa, voor de toelating van de werkzame stof, en in Nederland, voor het verwerken van die werkzame stof in middelen die al dan niet met beperkingen mogen worden gebruikt, een goede lijn is die het verdient om consequent te worden gevolgd. Ik blijf bereid om dit dossier steeds kritisch te volgen, zowel de activiteiten van het Ctgb als de nieuwe informatie die Europees beschikbaar komt. Als er nieuwe informatie is die ook voor de Kamer interessant is, zal ik zeker niet aarzelen om die met de Kamer te delen. Algemeen geldt datgene wat mevrouw Lodders zegt. We hebben er belang bij dat de gewassen door de akkerbouwers worden geteeld en dat de producten van de akkerbouwers beschikbaar komen. We zijn met heel veel mensen en er moet heel veel worden geproduceerd. Daarbij hoort dat je ook aan bestrijding doet. Dat moet op een verantwoorde manier, zoals mevrouw Lodders zei. Die verantwoordelijkheid ligt bij ons, bij de overheid, maar ook bij de agrariërs. We zullen elkaar blijven aanspreken op die gedeelde verantwoordelijkheid.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

De Minister spreekt met het Ctgb en de Minister spreekt met de Kamer. Hij zegt dat we over van alles kunnen spreken. Dat is fijn om te horen. Ik begrijp ook dat hij zegt dat het Ctgb het toestaat voor tien jaar ...

Minister Kamp:

De Europese Commissie heeft voorgesteld om het voor tien jaar toe te staan.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ja, inderdaad. Dat is een terechte correctie van de Minister. Het Ctgb heeft wel een advies daarover gegeven en heeft gezegd dat het kan, maar dat er mitigerende maatregelen moeten worden genomen voor oppervlaktewater en drinkwater. Ik heb dus goed begrepen dat dit hoe dan ook wordt uitgevoerd op advies van het Ctgb. Als we dan toch met elkaar aan het praten zijn, kunnen de waterbedrijven er dan ook bij aan tafel komen? Zij sturen mij toch bezorgde brieven. Het lijkt me goed als zij aan tafel zitten en hun zorgen hierover kenbaar kunnen maken, zodat de juiste mitigerende maatregelen worden getroffen.

Minister Kamp:

Vanzelfsprekend ben ik daartoe bereid, voorzitter. Ik denk dat iedereen die een redelijk belang heeft bij de besluitvorming op dit punt, erbij betrokken moet worden. Wij zijn natuurlijk beschikbaar om te overleggen met de drinkwaterbedrijven. Dat kan op hun initiatief zijn, maar het kan ook op ons initiatief zijn. Ik heb wat dit betreft geen terughoudendheid.

Op het punt van glyfosaat nog het volgende. Mevrouw Ouwehand dacht – maar zij werd daarin al gecorrigeerd door de heer De Groot – dat de lidstaten die samenkomen in de SCoPAFF (Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed), begin deze maand bijeen zouden komen om hierover te beslissen. Dat is niet gebeurd en zal ook niet aan het begin van deze maand gebeuren. De toelating van de werkzame stof glyfosaat geldt tot het einde van dit jaar, tot en met 31 december. De laatste vergadering waarop de SCoPAFF hierover kan spreken is op 12 en 13 december. Daar werken we op dit moment dus naartoe. Het gebeurt dus niet in oktober, maar uiterlijk in december. Of het al in november zal zijn, kan ik op dit moment niet overzien. Dat wat betreft glyfosaat, voorzitter. Als ik straks bij de vragen van de verschillende woordvoerders kom, kom ik misschien nog even terug op enkele onderwerpen die ze in het bijzonder naar voren hebben gebracht.

Ik dacht dat ik de punten van de woordvoerders van de Partij voor de Dieren heb besproken. Mevrouw Lodders begon over de reductie van de schol. Ook andere woordvoerders deden dat. Het is heel begrijpelijk dat mevrouw Lodders en de andere woordvoerders dat hebben gedaan. Tussen 2007 en 2017 is er een forse groei geweest van de hoeveelheid schol in zee. Die is gestegen van 400.000 ton naar 1 miljoen ton. Het is dan een beetje raar dat we nu met een beperking van 36% komen. Ik ben wel van mening dat er naar de MSY (Maximum Sustainable Yield) toe moet worden gewerkt. We moeten de MSY dus verstandig vaststellen. Als we daarboven zitten, moeten we ernaartoe werken. Maar gelet op de groei in de afgelopen tien jaar, denk ik niet dat we dat in één klap moeten doen. Het lijkt me logisch om dat in een driejarenprogramma te doen tot het jaar 2020. Dat zal ik ook bepleiten. Tot mevrouw Lodders zeg ik: maakt u zich er niet zo heel ongerust over. Het afgelopen jaar was er sprake van 40% onderbenutting van het quotum voor schol. Dat betekent dat er niet echt druk op dit dossier zit.

De heer Geurts (CDA):

Ik had dat punt ook opgebracht. Ik heb waardering voor de kennis van de Minister op het gebied van visserij, maar die laatste opmerking vind ik wel een beetje kort door de bocht. Er komt namelijk ook nog een aanlandplicht. Je kunt dan wel zeggen dat het quotum nu niet vol is gevist, om het maar eens in lekentaal te zeggen, maar we hebben nog wel een hele opgave liggen in de visserij. Ik vind het dus een beetje te kort door de bocht om te zeggen dat er 40% ruimte is en dat het allemaal wel meevalt. Als het omhoog moet, gaat dat in stappen van 15%. Als het naar beneden moet, mag het in een keer. Gezien het belang dat onze vissermannen hebben en het belang dat Nederland daarmee heeft – we zijn zo ongeveer de enige die op schol vissen – zeg ik: Minister, iets harder naar uw collega's.

Minister Kamp:

Ik denk dat er niet te gemakkelijk over dit onderwerp moet worden gesproken. Absoluut niet: dit is een belangrijke bedrijfstak die er belang bij heeft dat de hoeveelheid vis ook op lange termijn beschikbaar blijft. Het is positief voor de bedrijfstak dat er zo'n groei zit in de hoeveelheid schol die beschikbaar is. Het is ook in het belang van de bedrijfstak dat de Maximum Sustainable Yield wordt aangehouden en dat we daarnaartoe werken. Als we dat doen, houdt dat in dat we ook op de lange termijn verantwoorde hoeveelheden kunnen vissen. Ik vind dus dat we daarnaartoe moeten gaan. Ik vind niet dat dat in een klap moet gebeuren, ook gelet op wat mevrouw Lodders en de heer Geurts zeiden. Dat betekent dat ik zal bepleiten dat we in een paar stappen daarnaartoe gaan. Terecht wees de heer Geurts op het nieuwe gegeven van de aanlandplicht. Die houdt in dat vis die vroeger in zee werd gegooid, nu aan land moet worden gebracht en dus ook in beeld komt. Dat is ook een factor, die enigszins nuanceert wat ik heb gezegd over de onderbevissing van 40% op schol. Dat is een terechte opmerking van hem.

Ik kom te spreken over fipronil, waarover we al veel hebben gesproken met elkaar. Mevrouw Lodders heeft er nu opnieuw over gesproken. Zij vroeg zich af hoe het nu zit met de verbeteringen waaraan wij gaan werken. Zij sprak ook over de missies die vanuit Europa richting de meest betrokken landen, zijnde Frankrijk, Duitsland, België en Nederland, worden uitgevoerd. Ik zou alle negentien maatregelen die moeten worden genomen, kunnen opnoemen, maar dat lijkt me geen goede manier van communiceren met de Kamer. Laat ik het zo zeggen. Wij hebben in de vergaderingen in Europa aangegeven – ik heb dat zelf in Estland gedaan – wat wij belangrijk vinden in wat er bij fipronil speelt. De normen die er zijn, moeten eenduidig worden uitgelegd. Er moet vervolgens ook eenduidig over worden gecommuniceerd met de bevolking. De onzekerheden en onduidelijkheden die er op verschillende punten zijn, moeten worden weggewerkt. De landen moeten dit zo veel mogelijk geharmoniseerd aanpakken. Vier landen hebben daarvoor, mede op Nederlands initiatief, voorstellen gedaan. Die zijn heel positief opgepakt tijdens de conferentie die ik hier onlangs over heb gehad in Brussel. Verschillende landen, waaronder Oostenrijk en Zweden maar ook Spanje en Italië, hebben nog een aantal opmerkingen gemaakt. Naar aanleiding daarvan hebben wij gezegd dat wij een paar punten in werkgroepen verder met elkaar gaan doornemen om te bekijken hoe we het precies moeten toepassen. Vervolgens zal over dat geheel een besluit worden genomen. We zullen dat besluit zo gauw mogelijk nemen. Mochten de verschillende punten die wij hebben ingebracht nog niet goed zijn overbracht aan de Kamer – dat blijkt uit de vraagstelling van mevrouw Lodders – dan zal ik een gelegenheid zoeken om al die punten op een rijtje te zetten, zodat de Kamer er een overzicht van heeft.

Dan de vier missies die plaatsvinden. Dit betreft de landen die het meest betrokken zijn bij de fipronilaffaire. Als je daar de knelpunten duidelijk hebt en ook luistert naar wat er in die landen precies speelt en hoe zij ertegenaan kijken, heb je ook het overzicht voor Europa als geheel. Althans, daar ben je dan dicht bij. Vandaar dat de missies daar worden uitgevoerd. Ik vind dat een goede zaak. Nederland zal zo goed mogelijk aan de missie meewerken. We zullen de uitkomsten van de missie gebruiken als ondersteuning van wat nu in gang is gezet. Dat betekent dat we een logische, eenduidige toepassing krijgen van zowel de normen als de communicatie met het bedrijfsleven en het publiek over affaires die we nu ook met fipronil hebben gehad. Ik kom straks terug op de aanvullende vragen van de heer Geurts op dit punt.

Mevrouw Lodders sprak over de vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Mevrouw Lodders (VVD):

Op het vorige punt had ik nog gevraagd naar de MRL-normen in het kader van fipronilmest.

Minister Kamp:

Bij de MRL-normen voor fipronilmest kun je twee sectoren onderscheiden. In de eerste plaats is dat de sector waar de eieren worden uitgebroed en waar de toekomstige leghennen worden aangeleverd aan het opvolgende bedrijf. Daarvoor geldt dat als er in de mest nog steeds fipronil wordt aangetroffen, de producten niet mogen worden afgezet. Voor de eieren is dat niet zo. Als de enige indicatie in een bedrijf is dat er nog fipronil in de mest zit, mogen de eieren wel worden afgezet. Er is dus een verschil in behandeling. Dat zijn de regels die daarvoor gelden en waaraan we nu, denk ik, ook moeten vasthouden. Als we gaan morrelen aan de regels – niet dat ik denk dat mevrouw Lodders dat wil – zou dat in de weg staan van datgene wat we nu aan het doen zijn en wat het allerbelangrijkste is, namelijk het vertrouwen snel herwinnen.

Mevrouw Lodders (VVD):

Zeker, het vertrouwen snel herstellen en herwinnen is ontzettend belangrijk. De vraag was misschien niet zo heel ruim omschreven, maar het gaat mij erom dat de MRL-norm in België wel wordt gehanteerd en in Nederland niet of nog niet. Dat blijkt althans uit mijn informatie. Misschien is het te technisch voor dit moment, maar dan vraag ik de Minister om daar eens naar te kijken en ons daarin mee te nemen, wellicht in het verslag van de Landbouw- en Visserijraad.

Minister Kamp:

Wij hanteren ook die MRL-norm. Dat moet ook; dat is voor de hele Europese Unie voorgeschreven. Het gaat erom wanneer je gaat communiceren. Wij hebben in het incident dat we nu nog aan het afwikkelen zijn, een andere lijn gevolgd dan België. Dit is een van de punten waarop dus harmonisatie moet plaatsvinden. De missies zijn er ook op gericht om dat goed helder te krijgen en de argumenten aan te horen. Uiteindelijk moet dit ertoe leiden dat we één lijn trekken op dit punt. Ik heb al gezegd dat er nog nader overleg plaatsvindt in een paar werkgroepen. Er moet nog politieke besluitvorming plaatsvinden over de maatregelen die we met elkaar willen doorvoeren in Europa. De MRL-norm op zichzelf wordt in heel Europa toegepast, ook in Nederland en België.

Mevrouw Lodders heeft gezegd dat zij van mening is dat de vereenvoudiging van het landbouwbeleid uiteindelijk ook tot kostenbesparing moet leiden. Ik zal wat meer zeggen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ook in antwoord op andere vragen die naar voren zijn gebracht. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid loopt tot 2020. We spreken nu over wat er na 2020 gebeurt. Wij komen nu met reacties op stukken die vanuit Europa naar voren zijn gekomen. Ook alle andere landen komen met reacties. Uiteindelijk moet dit er dan toe leiden dat we gezamenlijk, op het juiste moment, het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de volgende periode vaststellen. De uitvoering en de controle van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn op dit moment erg complex geworden. Dat leidt tot hoge kosten voor op de eerste plaats de boeren, maar ook de overheid. Dat betekent dat wij net zoals mevrouw Lodders van mening zijn dat dit bij de herziening van het landbouwbeleid beter moet, dat we stappen moeten zetten naar deregulering en dat we nieuwe en moderne controletechnieken zoals satellieten moeten inzetten. Ook Nederland zal daartoe voorstellen doen en die richting Europa brengen. Ik denk dat het niet meer aan mij is om in mijn laatste weken als portefeuillehouder met die voorstellen te komen. Dat is ook niet nodig, omdat het over de periode na 2020 gaat. Ongetwijfeld zal mijn opvolger die voorstellen nader gaan uitwerken. Wij zijn bezig met het voorwerk daarvoor. Voordat het naar Europa gaat, zal mijn opvolger er eerst met de Kamer over willen communiceren.

Enkele woordvoerders, onder wie mevrouw Dik, hebben gesproken over de jonge landbouwers. We hebben de verantwoordelijkheid voor de jongeboerenregeling, de JOLA-regeling, zowel wat de openstelling als wat de uitvoering betreft heel bewust bij de provincies gelegd. Volgens mij is die daar ook in goede handen. Ik vind het ook heel prettig dat de derde openstelling heeft plaatsgevonden nadat overleg is gepleegd met de jonge boeren via hun organisatie NAJK (Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt). Daarmee is bereikt dat de regeling in de provincies met maatwerk beter is toegesneden op de jonge boeren in dat gebied. Het is niet mijn taak om de provincies te vertellen wat ze moeten doen en hoe ze zich precies moeten opstellen met betrekking tot de groslijst. We zitten hier echter niet voor niets met elkaar in de Kamer te praten. Dit geluid is naar voren gebracht, dus ik zal de provincies erover informeren zonder dat ik de ambitie heb om op hun stoel te gaan zitten.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik twijfel even, omdat ik het punt wil verduidelijken dat ik aan de orde heb gesteld over het openstellen van de JOLA-regeling. Ik had het punt gemaakt dat de groslijst die is opgesteld met het NAJK, een landelijke groslijst is. De provincies kunnen daar vervolgens een keuze in maken, zoals de Minister aangaf. Mijn vraag, waarvan ik hoop dat mevrouw Dik die ook ondersteunt, luidt als volgt. Kan de Minister een warm pleidooi houden om de lijst zo veel mogelijk intact te houden, juist vanwege de voorwaarden die ik in mijn inbreng heb genoemd? Nogmaals, de provincies gaan erover, maar misschien kan de Minister een warm pleidooi houden.

Minister Kamp:

Ik ben erg terughoudend om iets aan de provincies te geven en hen vervolgens vanuit de rijksoverheid te vertellen hoe ze daarmee moeten omgaan. Ik ben bereid om het geluid dat uit de commissie klinkt, door te geven aan de provincies. Ik zal zelf kijken of ik daar een inkleuring aan kan geven. Daar wil ik nog even naar kijken, maar ik ga niet op de stoel van de provincies zitten. Ik heb ook de overtuiging dat dit bij de provincies in goede handen is.

Mevrouw Lodders en anderen hebben gesproken over de kleine teelten. Nederland kent veel kleine teelten. Dat komt omdat wij een zeer hoogwaardige landbouwsector hebben, die steeds nieuwe dingen bedenkt, steeds innoveert. Als daar problemen spelen, zoals het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij die teelten, dan is dus het oplossen van die problemen een speerpunt van het Nederlandse beleid. We hebben samen met Frankrijk en Duitsland daarvoor een Europese faciliteit opgezet. Die financieren wij ook met die landen. Inmiddels zijn we zover dat ik inschat dat die faciliteit zal worden overgenomen door Europa en dat ook andere landen daaraan gaan bijdragen. Daarmee hebben we een belangrijke stap gezet. Mevrouw Lodders vroeg of ik de Kamer nog schriftelijk wil informeren over de ontwikkelingen op dit punt. Ik neem even aan dat wat ik nu heb gezegd, goed is. Zodra datgene waarmee we nu bezig zijn, wat ik net beschreef, tot een eindresultaat leidt, zal ik de Kamer daarover informeren. Als mevrouw Lodders het anders wenst, dan hoor ik dat graag van haar.

De voorzitter:

Mevrouw Lodders, u kunt hierop reageren.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik beperk me tot één vraag, voorzitter. Ik ben blij met de reactie van de Minister over de kleine teelt, want ik denk dat deze ontzettend belangrijk is. Nederland is daarin ook koploper, zoals we dat ook op veel andere terreinen zijn. Ik heb hier vaker aandacht voor gevraagd. Wij kennen in Nederland het Fonds Kleine Toepassingen. Verder zijn er een aantal hulploketten bij allerlei uitvoeringsorganisaties die zich bezighouden met, zeg maar, «uitdagingen» betreffende de kleine teelt. Ik ben eigenlijk wel nieuwsgierig – dit is een haakje voor de begrotingsbehandeling – wat er bij het Fonds Kleine Toepassingen en de hulploketten van de uitvoeringsorganisaties in de afgelopen jaren is gebeurd en welke uitdagingen daar aan de orde zijn gekomen. Ik kan me voorstellen dat dit een nadere duiding door deze instanties vergt. Dus, nogmaals, het hoeft niet vandaag, maar ik zou daar graag wat meer informatie over hebben.

Minister Kamp:

Ik had in mijn eerste reactie al kunnen zeggen wat ik nu zeg, namelijk dat ik ervoor zal zorgen dat de Kamer die informatie krijgt als mevrouw Lodders die wenst voor de voorbereiding van de begrotingsbehandeling.

De voorzitter:

De Minister gaat verder met de beantwoording.

Minister Kamp:

Ik kom bij de heer Grashoff, die voornamelijk over de glyfosaten heeft gesproken en zijn standpunt daarover wat mij betreft heel duidelijk heeft gemaakt. Ik ben daarop ingegaan. Hij vroeg wat de stand van zaken is met betrekking tot de wetswijziging die de Staatssecretaris van I en M in voorbereiding zou hebben. Ik kijk nu in mijn papieren even wat de stand van zaken is. Ik weet het niet. Ik zal mij naar aanleiding van deze vraag verstaan met mijn collega van I en M en kijken of de Kamer door haar of door mij binnenkort kan worden geïnformeerd, zodat ook de heer Grashoff over die informatie beschikt. Daar kom ik dus op terug.

De heer Grashoff sprak ook over de Sustainable Development Goals. Hij zei dat de huidige systemen die we in de Nederlandse landbouw hebben, ver afstaan van wat er in Europa gebeurt. Ik denk dat in Nederland op het punt van de landbouw een heleboel goed gaat en dat we, omdat we zo'n goed georganiseerd en hoogwelvarend land zijn met een heel structurele en heel constructieve samenwerking met de agrarische sector, heel goed in beeld hebben wat er allemaal nodig is, wat er allemaal kan, welke Europese afspraken er gelden en hoe die op een verantwoorde manier in Nederland kunnen worden toegepast. Ik denk dus dat het goed mogelijk is om dat wat er aan mondiale en Europese doelstellingen op dit punt is, naar Nederland toe te vertalen. Ik denk ook dat de landbouw zich daaraan kan aanpassen en een bijdrage kan leveren aan het uiteindelijk halen van die op mondiaal en Europees niveau vastgestelde doelstellingen.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik ben het met de Minister eens dat dat mogelijk moet zijn. Alleen, ik heb proberen aan te geven dat dat nog niet helemaal een sinecure is. Alleen al voor de Nederlandse diervoeders importeren we zo'n 5 miljoen ton soja per jaar. Een van de kwesties is dat je niet meer zou moeten bijdragen aan processen van ontbossing en dergelijke. Dat leidt er bijvoorbeeld via een keten toe dat je op Europees niveau, via het GLB, ook de teelt van eiwitrijke gewassen zou willen stimuleren, maar dat vlot nog niet zo erg. Als je dat wilt veranderen, is bijvoorbeeld een verandering in het GLB om ervoor te zorgen dat het wel gaat vlotten, van cruciaal belang. Dit is maar één voorbeeldje, maar zo zijn er volgens mij nog een heleboel, waarbij de verduurzamingsslag in relatie tot de SDG's echt leidend zou kunnen zijn voor vrij stevige veranderingen in het GLB. Dat is ook mijn appel. Krijgt de Minister dat voor elkaar? Hebben we goed in de smiezen wat dan de voorstellen zouden moeten zijn die Nederland doet in het kader van het GLB?

Minister Kamp:

De voorstellen die wij doen in het kader van het GLB, zullen nog bij de Kamer komen. Ik heb daar net het nodige over gezegd. Nadat daar met de Kamer over gesproken is, zal het ook richting Europa gaan. Het is heel duidelijk wat de opvatting van de heer Grashoff is. Ik vind het ook een constructieve opstelling. Bovendien denk ik dat de weg waarop hij wijst, namelijk dat er uiteindelijk sprake moet zijn van duurzaamheid, de enige redelijke weg is. Dat leeft ook bij landbouwers en bij bedrijven. Ik heb er gisteren nog met Unilever over gesproken. Zij willen er bijvoorbeeld naartoe dat er in de kant-en-klaarmaaltijden die zij maken, standaard 200 gram groenten zit. Als zo'n bedrijf dat doet, dan werkt dat ook weer door naar de agrariërs, dan gaat daarvan ook een stimulans uit naar de agrariërs, naar de akkerbouwers. Ik denk ook dat het van groot belang is dat we ook vanuit de consumentenvraag de zaak beïnvloeden. Op het punt van duurzaamheid is er wat betreft het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het beïnvloeden van de consumentenvraag en het als producenten – ik heb er net één genoemd – spelen van een positieve rol dus een heleboel nodig en een heleboel gaande. Mijn opvolger in het komende kabinet zal met voorstellen bij de Kamer komen over hoe wij het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de toekomst zien, waar onze prioriteiten liggen en wat onze aandachtspunten zijn. Na behandeling daarvan zal dat ook op Europees niveau worden ingebracht.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Kan het wijsheid zijn om een aantal goede wetenschappers nog eens te laten kijken naar de relatie tussen de SDG's en het GLB? Wat is de link tussen de SDG's en het huidige GLB? Aan welke knoppen moet je draaien? Ik heb het gevoel dat daar nog een wereld achter vandaan komt, informatie die hier of op het departement nog niet een-twee-drie beschikbaar is. Is dat wijsheid?

Minister Kamp:

Ik dank de heer Grashoff voor zijn suggestie. Ik zal daar graag naar kijken.

De heer De Groot heeft gezegd dat hij vindt dat zo spoedig mogelijk moet worden begonnen met de overheveling van geld naar de natuur. Hij sprak erover dat ... Ik zoek even. De heer De Groot weet het precies en hij vraagt zich af of ik het nou ook wel goed begrepen heb. Dat moet in de komende minuut blijken. Misschien kan hij me met een paar woorden nog even helpen.

De heer De Groot (D66):

Dat is geen enkel punt. Staatssecretaris Van Dam heeft vlak voor het reces aangekondigd gebruik te willen gaan maken van de mogelijkheid om gelden over te hevelen van directe inkomenssteun naar het Plattelandsontwikkelingsprogramma. Dat betreft 30 miljoen: 10 miljoen voor een brede weersverzekering en 20 miljoen voor agrarisch natuurbeheer voor de laatste twee jaar van de looptijd van het POP3. Naar ik van de provincies heb begrepen gaat het dan over 2019 en 2020. Waarom niet al in 2018?

Minister Kamp:

Ik kan niet aangeven wanneer dat precies kan. Daar moet ik me dus nader in verdiepen. Het is wel zo dat wij die keuze hebben gemaakt. We hebben ons daarbij afgevraagd of het directe inkomenssteun moet zijn. Uiteindelijk gaat het om het volgende. Agrariërs leveren verschillende producten aan de samenleving. Een daarvan is dat ze zorgen voor de leefbaarheid van het platteland. Een ander product is dat ze zorgen voor de instandhouding van natuur en landschap. Verder leveren ze hun agrarische en dierlijke producten aan de markt. Het is redelijk om te kijken of agrariërs op de juiste wijze worden gehonoreerd voor de producten en diensten die zij leveren. Nederland is van mening dat dat op een andere manier kan worden ingevuld dan door directe inkomensondersteuning. U heeft daar een illustratie van gegeven. Dat is onze lijn. Ik denk dat die wordt gesteund door de heer De Groot. Hij vroeg naar het precieze moment van ingaan. Daar zal ik in de tweede termijn op terugkomen.

De heer De Groot sprak over glyfosaat. Daar ben ik op ingegaan, met name op de dingen die hij heeft gezegd over spoorlijnen en de opstelling van andere landen.

De heer De Groot heeft ook gesproken over de drinkwaterproblematiek. Ook daar ben ik op ingegaan, met name op het overleg met de drinkwaterleidingbedrijven.

De heer De Groot (D66):

Misschien ben ik wat voorbarig, maar ik heb ook gevraagd naar de Europese sojastrategie, die gelinkt is aan het biodiversiteitsdoel dat Nederland heeft ondertekend. Dat dateert al van een paar maanden terug. Wat is de lijn in de uitwerking?

Minister Kamp:

Ik zou de sojastrategie graag iets breder willen formuleren. Het gaat om de eiwitstrategie. Ik denk dat de heer De Groot voornamelijk doelt op het inzetten van dat soort producten als alternatieven voor granen in diervoer. Het kabinet zet zich in voor de verdere verduurzaming van de eiwitteelt en de mogelijke productie van eiwitgewassen in de Europese Unie. Die worden nu nog ingevoerd, maar die zouden ook door onze eigen akkerbouwers in de Europese Unie kunnen worden geproduceerd. In de afgelopen jaren zijn daarvoor een aantal acties ingezet. Die richten zich zowel op het bevorderen van de teelt als op de consumptie van die gewassen. De Kamer is daarover geïnformeerd. Ik begrijp dat de heer De Groot dit een interessant punt vindt, mogelijk ook ter voorbereiding op de begrotingsbehandeling. Ik zal kijken of ik specifiek op dit punt, de strategie voor eiwitgewassen, met nadere informatie naar de Kamer kan komen voorafgaand aan de behandeling van de begroting.

De heer Geurts heeft gesproken over de schol. In ben in mijn reactie voor een groot deel ingegaan op zijn lijn.

Hij is ook ingegaan op de neonicotinoïden. Ik heb daar onlangs een gedachtewisseling met de Kamer over mogen hebben. Ik denk niet dat ik dat overnieuw moet doen. De hoofdlijn is dat wij van mening zijn dat bij de toepassing van neonicotinoïden grote terughoudendheid is gepast; dat is ook wat er uit Europa naar voren komt. Dan praten we over imidacloprid, clothianidine en thiamethoxam. Dat zijn de drie middelen die in Nederland worden gebruikt, zowel voor de coating van zaden als voor het spuiten. Wij hebben in Nederland al een beperking opgelegd. Deze middelen mogen niet meer gebruikt worden bij de coating van gewassen die voor bijen aantrekkelijk zijn. Ook voor het spuiten zijn er beperkingen. Er wordt nu vanuit Europa aangegeven dat ze alleen nog maar gebruikt mogen worden in kassen. Daar hebben wij een aantal vragen en opmerkingen bij geplaatst.

Wat is de stand van zaken op dit moment? De Europese Commissie geeft aan hoe zij ertegen aankijkt. Daar is de gedachte uit voortgekomen dat middelen met neonicotinoïden alleen nog maar in kassen gebruikt mogen worden. Wij hebben gezegd dat het heel verstandig is om te kijken naar hoogwaardige coating- en zaaitechnieken, zeker in een land als Nederland. Het is heel goed mogelijk om op die manier verantwoord gebruik te maken van deze stoffen. Als je dat niet toestaat, dan worden er andere stoffen gebruikt die meer nadelen hebben dan wanneer je deze stoffen op een verantwoorde manier gebruikt. We hebben daarom gezegd: houd rekening met de hoogwaardige technieken die er in een land als Nederland zijn.

Het tweede dat wij gezegd hebben, is dat er in Nederland goed gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om op een verantwoorde manier te spuiten met middelen waar een van die drie neonicotinoïden in is verwerkt. De Europese Commissie zou daar aandacht aan kunnen geven. Dat is het tweede punt dat wij naar voren hebben gebracht.

Het derde dat wij gezegd hebben, is dat nu nog niet bekend is wat de nadelen zijn van de alternatieve middelen. Ik heb aanwijzingen dat die nadelen weleens groter zouden kunnen zijn dan bij het gebruik van middelen met neonicotinoïden. Ik vind in ieder geval dat de nadelen en effecten van alternatieve middelen goed in beeld moeten worden gebracht, zodat we die goed kunnen wegen voordat we daar een besluit over nemen.

Het laatste punt – dat zei de heer Geurts ook – is dat een niet-vastgesteld richtsnoer wordt toegepast. Hij gebruikte daarvoor het woord «guidance». Dat zou niet zo moeten zijn; daar heeft hij gelijk in. Dit niet-vastgestelde richtsnoer is zodanig dat er een veel kritischere benadering van studies plaatsvindt dan bij andere stoffen. Dat is op zichzelf niet logisch. Ik denk dat het heel goed is om te werken met richtsnoeren die wel zijn vastgesteld, ook wat deze stof betreft. Vandaar dat wij er bij de Europese Commissie voor pleiten dat dit richtsnoer snel wordt vastgesteld. Wij steunen het beleid van de Europese Commissie om heel kritisch te zijn op deze stoffen en om het gebruik ervan te beperken, maar dat moet wel op een verstandige manier gebeuren. We hebben daarbij onze aandachtspunten en vragen naar voren gebracht. We zullen kijken wat de reacties daarop zijn en aan de hand daarvan, en niet eerder, zullen we ons uiteindelijke standpunt daarover innemen. Tot zover dit punt, dat door de heer Geurts naar voren is gebracht.

Ik ben begonnen over pluimveemest en het verschil tussen eieren aan de ene kant en broedeieren, leghennen en eendagskuikens aan de andere kant. Ik denk dat daarover duidelijkheid aanwezig is.

De heer Geurts (CDA):

De Minister verwijst naar het debat naar aanleiding van de vraag die mevrouw Lodders heeft gesteld. Ik proefde daaruit dat de Minister met name sprak over MRL-waardes voor eieren, maar ik heb heel specifiek gevraagd naar een MRL-waarde voor mest. Daar is onduidelijkheid over. Uit een nieuwsbrief van de pluimveesector in België heb ik begrepen dat ze daar een waarde hanteren van 0,01 milligram per kilogram. Mijn concrete vraag op dit punt was: hoe gaat Nederland hiermee om? Dat is niet helder.

Minister Kamp:

Als er onduidelijkheid is en iets niet helder is, althans als de heer Geurts dat zegt, dan is dat zo en dan moet ik zorgen dat er wel duidelijkheid komt. De missies die op dit moment plaatsvinden, zijn daar ook goed voor. Er wordt gekeken hoe het in België, Nederland, Duitsland en Frankrijk zit met alle aspecten die fipronil betreffen. Wij krijgen informatie van degenen die op die missies komen en wij geven informatie. Uiteindelijk moet dat snel leiden tot duidelijkheid. De heer Geurts draagt een knelpunt aan waarover hij duidelijkheid wenst en ik zal mijn best doen om die duidelijkheid zo snel mogelijk te verschaffen.

De heer Geurts heeft ook gevraagd of er ondersteuning kan komen voor het expertisecentrum in Barneveld voor de pluimveesector, aansluitend op de activiteiten van de provincie Gelderland en de gemeente Barneveld. Hij formuleerde het in zijn eigen woorden wat voorzichtiger, maar hij vroeg of er ondersteuning kan komen vanuit het ministerie. Ik wil dat niet doen. Dit is een initiatief van de provincie en de gemeente. Dat is prima; dat kunnen ze doen. Wij hebben onze eigen mogelijkheden, zoals de heer Geurts ook zei. Hij zei: je kunt ook via de topsector in beeld brengen welke onderzoeken er nog nodig zijn, want bloedluisbestrijding in de pluimveehouderij is een groot probleem. Er is onderzoeksmateriaal beschikbaar, maar dat heeft er in ieder geval niet toe geleid dat pluimveehouders daarmee uit de voeten konden, want ze zijn uiteindelijk dat middel van Chickfriend gaan gebruiken. We weten allemaal wat daar het gevolg van is. De heer Geurts zegt: je moet kijken welke nadere onderzoeken kunnen bijdragen aan het in beeld brengen van alternatieven die wel werken en die kunnen helpen om het probleem voor de sector op te lossen. Ik ben graag bereid om dat te doen en zal voorafgaand aan de begrotingsbehandeling aan de Kamer vertellen wat uit die topsector op dat punt naar voren is gekomen.

De heer Geurts (CDA):

Ik dank de Minister voor deze toezegging. Toch een nuance over het Poultry Expertise Centre. Ik heb expliciet gevraagd om in kaart te brengen wat nog nodig zou zijn om de activiteit van dat PEC verder te ondersteunen. De Minister heeft dat vertaald in de zin van: de heer Geurts vraagt om geld. Nee, dat vraagt de heer Geurts niet op dit moment. De heer Geurts vraagt hier heel duidelijk in kaart te brengen wat er nog nodig zou zijn voor dit centrum.

Minister Kamp:

Ik ben niet van plan om het initiatief over te nemen van de gemeente en de provincie, maar ik ben wel bereid om met hen te spreken over wat ze gaan doen, wat zij daarvoor aan informatie hebben, wat wij aan informatie hebben en hoe we elkaar mogelijk ook kunnen helpen. Het contact dat de heer Geurts voorstelt, zal dus plaatsvinden.

Dan kom ik bij de heer Futselaar, die zegt dat het elke dag dierendag is. Er zijn heel veel dieren in ons land. Heel veel dieren krijgen erg veel aandacht en andere dieren verdienen meer aandacht. Dat we daarnaar streven, is heel goed en is iets wat we in Nederland, in Europa en in de wereld voor elkaar moeten krijgen. We moeten er dus voor zorgen dat we aandacht hebben voor zowel de samenstelling van het voedselpakket van de mensen in de wereld als, voor zover het om dierlijk voedsel gaat, de wijze waarop met dierenwelzijn wordt omgegaan. Ik denk dat daar nog een wereld te winnen is. Nederland zet zich daarvoor in en zal zich daarvoor moeten blijven inzetten. Ik ben dus ook zeker bereid om binnen de Europese Unie, zoals we dat tot dusver gedaan hebben, aandacht te blijven geven aan dierenwelzijnsaspecten.

De heer Futselaar (SP):

Ook binnen het kader van de discussies over een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid?

Minister Kamp:

Ja. Ik weet niet precies hoe dat precies samenvalt met dat gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar ik heb geen enkele behoefte om dat onderwerp dierenwelzijn ergens buiten te sluiten.

De heer Futselaar vroeg naar aanleiding van het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid wat onze bondgenoten zijn en wat de consequenties van de brexit zijn. Het is onze opstelling dat het het beste is om de markt gewoon goed te laten werken. Als er problemen zijn in de marktwerking, moet je die problemen oplossen, en niet iets anders in plaats van marktwerking zetten. Dat is namelijk niet goed. Wij hebben dus gezegd dat je het in plaats van inkomensondersteuning op een andere manier moet doen. Dat wat er gedaan wordt en wat je wenst dat er gedaan wordt, moet je ondersteunen. Dat is beter dan dat je inkomensondersteuning geeft. Die lijn wordt, als ik het voorzichtig uitdruk, nog niet breed gesteund in Europa, dus er is wat dat betreft nog werk te doen.

Hoe liggen de krachtsverhoudingen? Als het gaat om modernisering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, kun je zeggen dat de landen in Noordwest-Europa redelijk dicht bij elkaar zitten. Van de Zuid-Europese landen is de opstelling bekend. Die wensen dat zo veel mogelijk in stand te houden. Maar je ziet nu ook dat de Visegrádlanden, ondersteund door Litouwen en Letland, ook zitten op de lijn van het zo veel mogelijk in stand houden van wat er nu is. Dat betekent dat er op het punt van modernisering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de volgende periode in overeenstemming met de Nederlandse lijn, nog het nodige werk te verrichten is.

Ik ben al ingegaan op glyfosaat.

Het beeld over de melkprijs is op dit moment niet zo helder. Ik kan me nog herinneren dat de melkprijs een rampzalige 24 cent per liter was. Als je ziet wat die boeren allemaal moeten doen om dat mooie product tot stand te brengen, hoe hard ze daarvoor moeten werken, dan vind ik die prijs van 24 cent een drama. Op dit moment is de prijs 41,75 cent. Dat is een heel stuk beter. De melkveehouders zijn dan ook een stuk vrolijker. Dat wordt vooral veroorzaakt door de hoge boterprijs. Door een grote vraag naar boter is de prijs daarvan hoog, maar daar staat een overschot van mageremelkpoeder tegenover. Dat wordt geïntervenieerd, daarna opgeslagen en dat kost geld. Daar gaat een drukkende werking op de prijs van uit. Dus op dit moment is de prijs niet slecht. Voor de lange termijn vind ik de uitzichten ook niet slecht, maar voor de korte, middellange termijn is er zeker een drukkend effect door de mageremelkpoeder.

Ik denk niet dat je zomaar de link kunt leggen tussen wat er in de supermarkten met de drinkmelk gebeurt en de prijs die de boeren voor de rauwe melk krijgen. Ik weet ook niet of het aan mij is om te gaan vertellen waar de supermarkten in hun concurrentieslag wel of niet uitzonderingen voor moeten maken. Maar ik vind het wel interessant om te volgen wat daar gebeurt en wat de effecten daarvan zijn. Ik denk dat de effecten op dit moment niet zo groot zijn. De effecten worden door de algemene marktomstandigheden van melkproducten bepaald en niet zozeer door wat de consument in de supermarkt voor de drinkmelk betaalt, maar het is wel een onderwerp dat we moeten volgen om te kijken of op enig moment een actievere opstelling van onze kant geëigend is.

De heer Futselaar (SP):

Je zou logischerwijs verwachten dat de prijs in de supermarkten enigszins gerelateerd is aan die op de wereldmarkt, maar het lijkt op dit moment eerder omgekeerd evenredig te zijn. Er is hier dus wel iets raars aan de hand. Het is bekend dat de supermarkten vaak de neiging hebben om met een beperkt aantal producten, waaronder melk, te stunten om zo klanten binnen te lokken en te zeggen: dit is het concurrentievoordeel. Dit is juist een sector die dat relatief gemakkelijk doet. Met Unilever hoef je dat niet te proberen, want zij kunnen wel terugslaan gelet op de capaciteit die zij hebben. Zonder meteen allerlei marktinterventies te bepleiten – ik heb daar allerlei prachtige socialistische plannen voor, maar dat is voor een andere keer – zou het daarom wat mij betreft niet slecht zijn als de Nederlandse overheid haar zorg over deze ontwikkeling uitspreekt. Ik probeer het delicaat te formuleren.

Minister Kamp:

Ik geloof dat de heer Futselaar daar socialistische plannen voor heeft. Ik geloof niet dat dat prachtige plannen zijn. Ik heb gezegd dat die relatie tussen de rauwe melk die de boeren aanleveren en de melk in de supermarkten er zo niet is. Maar 7% van alle melk die door de boeren aangeleverd wordt, wordt uiteindelijk als drinkmelk in de supermarkten aan de consument verkocht. Die relatie is dus zwak. Waar de supermarkten precies mee stunten: Albert Heijn beweert dat het 1.000 artikelen in prijs heeft verlaagd, Jumbo zegt dat het er 100 in prijs heeft verlaagd en van een ander heb ik gehoord dat die er 10 in prijs heeft verlaagd. Er is een concurrentieslag gaande. De prijzen in de supermarkten in Nederland zijn lager dan in de omliggende landen, maar als je er een tijdje geen aandacht aan geeft, kruipen ze weer omhoog en wordt er weer een concurrentieslag geleverd. Ik heb al gezegd dat ik in algemene zin volg wat daarvan de effecten zijn op onze agrarische ondernemers, maar gelet op mijn verwachtingen van de ontwikkeling van de melkprijs en gelet op het lage percentage dat ik net noemde, zie ik op dit moment geen rol voor mij.

De heer Futselaar vroeg hoe het zit met de aangekondigde verkenning over de stalbranden. Ik kan nog niet zeggen wanneer die verkenning gereed is, maar ik ben wel zeer gemotiveerd om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen. Ik vind het erg wat er is gebeurd met een aantal stalbranden. Ik vind het vreselijk wat daar is gebeurd. Als de samenleving een bepaalde consumentenvraag heeft waarin producenten voorzien, en als dat inhoudt dat je grote aantallen dieren bij elkaar houdt, dan heb je ook een grote verantwoordelijkheid voor het welzijn van die dieren. Die stalbranden zijn daar natuurlijk in rechtstreekse tegenspraak mee. Dat betekent dat ik serieus bezig ben met die verkenning. Zodra er resultaten zijn, kom ik daarmee. Ik zal niet aarzelen om dat zo snel mogelijk te doen.

Ik ben ingegaan op de meeste punten van mevrouw Dik. Zij zal daarover niet teleurgesteld zijn, want zij weet dat als zij erachter aan gaat zitten, het zo zal zijn. Dat geldt voor de glyfosaat en dat geldt voor de neonicotinoïden. Wat betreft fipronil vroeg zij specifiek naar de steunmaatregelen waar België mee gekomen is. Het is niet zo dat als België iets doet, wij het dus ook gaan doen. Wij hebben in ons eigen beleid voor steun onze eigen interpretatie van de Europese staatssteunregels. We hebben, heel breed in de economie, groot belang bij eenduidige toepassing van die Europese staatssteunregels. We hebben een pakket gemaakt waar de Kamer met de Staatssecretaris over gesproken heeft. Ik hoef dat pakket niet samen te vatten, want de Kamer kent dat. Dat is onze lijn. België heeft een andere lijn. We zullen zien hoe dat uiteindelijk beoordeeld wordt door de Europese Commissie. Ik zal de Kamer daar dan ook over informeren, maar wil geen verwachting wekken dat wij dat dan ook precies zo gaan doen. Wij hebben daarin onze eigen lijn, waarvan ik denk dat die verstandig is. Maar die aanvullende informatie is voor de Kamer relevant en zal haar dus ook bereiken.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Dank aan de Minister voor dit antwoord. Mijn vraag is wanneer die informatie naar de Kamer gaat. Mijn vraag was niet direct gericht op het kopiëren van alles wat er maar in België gebeurt, maar ik weet wel dat er in België sprake zou zijn van maatregelen die eigenlijk in Europa niet aan de orde kunnen zijn. Dat kan echter wel leiden tot een ongelijk speelveld, waarbij onze boeren aan het kortste eind trekken. Dat zou ik heel vervelend vinden. Dus ik vraag iets meer actie van de Minister dan alleen maar het volgen van wat er in België gebeurt; er moet gewoon echt wel sprake zijn van een gelijk speelveld. Ik wordt ook graag hiervan op de hoogte gehouden.

Minister Kamp:

Ik kan niet goed wat anders zeggen dan wat ik nu doe. Voor alle landen van de Europese Unie gelden de staatssteunregels. Wij hebben binnen onze interpretatie van die staatssteunregels een pakket samengesteld. Wij hebben de overtuiging dat dat binnen de Europese regels blijft en hebben ook geen indicatie dat dat niet het geval is. De Belgen zijn ook met hun eigen pakket gekomen. Het is in de eerste plaats nu aan de Europese Commissie om dat te beoordelen. Wij volgen dat en vervolgens zullen we kijken wat daar uitkomt. Als wij iets doen binnen de regels en zij iets doen binnen de regels en als daar relevante verschillen tussen blijken te zitten, is het begrijpelijk dat de Kamer daar belangstelling voor heeft. Dan is het ook logisch dat als wij de Kamer informeren over wat daar zich feitelijk afspeelt, wij daar ook onze appreciatie van geven en de consequenties die we daaruit willen trekken. Ik geloof dat we op die manier doen wat mevrouw Dik gevraagd heeft.

Mevrouw Dik zei dat zij ook voedselverspilling heeft geadopteerd. Dat lijkt mij heel goed voor het tegengaan van voedselverspilling. Voedsel wordt op grote schaal verspild, om allerlei redenen. We hebben er veel belang bij om dat terug te dringen. Het kabinet is daar ook actief in. U weet dat. U kent de lijn van de Staatssecretaris en die lijn zet ik voor de rest van deze kabinetsperiode door. Voor de volgende kabinetsperiode, mevrouw Dik, zullen we zien wie er dan zit en wat die ermee doet.

Dank u wel, meneer de voorzitter.

De voorzitter:

Ik kijk even naar mevrouw Dik-Faber, want volgens mij heeft ze nog een interruptie.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Die kan in tweede termijn.

De voorzitter:

Dan gaan wij over naar de tweede termijn. Twee minuten spreektijd lijkt te kunnen, want we hebben nog bijna een vol uur. Ik weet niet hoe de twee minuten verdeeld gaan worden tussen de beide woordvoerders van de PvdD, maar dat gaan ze ongetwijfeld ... Elk één minuut, begrijp ik nu. Helemaal goed. Het woord is aan mevrouw Ouwehand namens de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, dank u wel. Wat betreft glyfosaat lijkt het er toch op dat de Kamer behoorlijk kritisch is en het kabinet het voorstel van de Europese Commissie wil volgen. Het is echt goed van belang te weten wanneer de gesprekken en de besluitvorming daarover plaatsvinden. Onze laatste informatie is dat het geagendeerd staat voor de SCoPAFF van morgen en overmorgen en dat als daar geen overeenstemming wordt bereikt, de besluitvorming wordt doorgeschoven naar de SCoPAFF van 6 november. Dat zou betekenen dat we nu wel een signaal aan het kabinet mee moeten geven. Als het anders zit, hoor ik dat graag van de Minister, want de Partij voor de Dieren wil een motie indienen en we willen graag de steun van D66. D66 heeft eerder gezegd dat we niet te vroeg moeten schakelen, dus het zou jammer zijn als zij een motie niet kunnen steunen omdat zij denken dat die te vroeg is ingediend. Dus moeten wij vanavond het VAO houden en morgen stemmen, of kan het ook later omdat het echt niet op de agenda staat van de SCoPAFF morgen en overmorgen? Dat zou ik graag willen weten van de Minister.

Dat ik een motie wil indienen, staat wel als een paal boven water, dus bij dezen is dat aangekondigd.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Wassenberg.

De heer Wassenberg (PvdD):

Voorzitter, ik zal de twee minuten niet volmaken. Ik had in eerste termijn aan de Minister gevraagd of ook voor het meerjarenplan voor de Noordzee die MSY leidend is. De Minister heeft daar niet expliciet op geantwoord, maar uit zijn overige antwoorden maak ik op, of meen ik op te kunnen maken, dat hij hier ook niet wil afwijken van die MSY, dus ook geen variaties op die MSY wil. Mijn heel concrete vraag is of hij dat expliciet kan bevestigen. Dat zou namelijk heel prettig zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Lodders.

Mevrouw Lodders (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Ik zou de Minister graag dank willen zeggen voor de toezeggingen in dit debat. Er is een veelheid van onderwerpen de revue gepasseerd, zoals eigenlijk altijd tijdens de voorbereiding op de Landbouw- en Visserijraad. Voor een aantal onderwerpen kijk ik met belangstelling het verslag tegemoet. Dan heb ik het bijvoorbeeld over de korting op schol, de wijze waarop de Minister dit zal verwoorden en wat daar de reactie op is vanuit de Europese Commissie. Dat wachten we dus af.

Dan de MLR voor eieren en mest. In het interruptiedebatje met de heer Geurts werd net duidelijk wat we precies bedoelen. Ik ben blij dat de Minister snel hierover duidelijkheid wil geven. Daar kijk ik ook naar uit.

Mijn laatste opmerking, want de andere onderwerpen zijn voldoende behandeld wat mij betreft, gaat over de gewasbeschermingsmiddelen en de toelating daarvan. Het zal niemand verbazen dat de VVD de lijn die de Minister naar voren heeft gebracht, eigenlijk een heel verstandige lijn vindt. Toelating moet altijd geschieden op basis van zorgvuldigheid. We kunnen nou eenmaal niet zonder die gewasbeschermingsmiddelen, al zouden we willen. Het gaat om ons voedsel en om de voedselvoorziening. Dat wil ik dus nog een keer benadrukken. En ja, nu ga ik waarschijnlijk een interruptie uitlokken bij mevrouw Ouwehand, maar het signaal van de Kamer heeft natuurlijk in juni al plaatsgevonden, want toen is er een motie ingediend, en die is verworpen, zeg ik nog maar eens.

De voorzitter:

Tja, dat lokt onmiddellijk een interruptie uit.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Juist. En daarom luistert het zo nauw om precies te weten wanneer we die klap moeten geven. Want als ik mij niet vergis, was de argumentatie van D66 om tegen die motie te zijn dat die iets te vroeg in het proces zat. Dus we gaan nu heel scherp in het proces zitten, zodat D6 zich vrij voelt om te stemmen voor een beperking van die toelating.

Mevrouw Lodders (VVD):

Daar gaat D66 uiteraard over, maar ik wil nogmaals benadrukken dat we het eerder geagendeerd hebben en dat, nogmaals, de lijn van het kabinet is om onafhankelijke wetenschappelijke instanties een beoordeling te laten geven. Op het moment dat wij ons als politiek met toelatingen geen bemoeien, bijvoorbeeld ook in geval van de stand van de rente, vind ik dat zeer onverstandig. Er zijn op allerlei vlakken voorbeelden te noemen waar de politiek zich daar niet mee bezig zou moeten houden.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Grashoff.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. Gelukkig hoor ik van veel kanten vanuit de Kamer toch een kritische houding ten opzichte van glyfosaattoelating. De een gaat daar wat anders mee om dan de ander, maar ik hoor toch kritische geluiden. Dat betekent dat het op zijn plek is, écht op zijn plek, om een uitspraak van de Kamer te vragen, tijdig en weloverwogen. Dus ik sluit mij dan ook van harte aan bij de vraag van mevrouw Ouwehand of het nodig is – zo ja, dan doen we dat natuurlijk – om vanavond met stoom en kokend water een VAO te hebben en morgen stemmingen, of dat we onszelf iets meer tijd kunnen gunnen om na te denken. Dat laatste zou overigens mijn voorkeur hebben, laat ik daar ook geen misverstand over laten bestaan.

Voorts, voorzitter, vind ik dat de Minister wel erg halfslachtig omgaat met de uitvoering van de aangenomen motie van de Kamer van 8 juni, mede van mijn hand, over beperkingen in de gebruiksmogelijkheden. Dat zint mij niet. Ik moet nog even nadenken wat ik daar nou mee moet, tenzij de Minister mij alsnog gerust kan stellen in de tweede termijn.

Tot slot zou ik aan de Minister willen vragen of hij bereid is om een toezegging te doen dat er inderdaad een beknopte studie zal komen die de relatie aangeeft tussen relevante SDG's, als ik het even zo mag afkorten, en het gemeenschappelijk landbouwbeleid, op basis waarvan dan suggesties gedaan kunnen worden voor ontwikkelrichtingen of aanpassingen van het GLB. Als de Minister dat zou kunnen toezeggen, scheelt dat weer een motie.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer De Groot.

De heer De Groot (D66):

Dank u wel, mijnheer de voorzitter. Over glyfosaat. Het gaat om twee dingen. In de eerste plaats gaat het erom dat je zo streng mogelijk alle evidence beoordeelt die er is. Daarover verschillen de internationale instituties van mening. De Minister zei een paar keer dat het gaat om één onderzoek van het Internationaal Kankerinstituut. Dat is niet het geval; het is echt een advies geweest van dit instituut, een classificatie van het risico op basis van een meta-analyse van een groot aantal studies. Dus het is wel degelijk een advies geweest. Maar je ziet dat de internationale gremia van mening verschillen. Desalniettemin zijn de EFSA en het Ctgb, waar we hier in Nederland mee te maken hebben, eenduidig in het advies.

Tegelijkertijd zie je dat er sindsdien heel veel nieuw onderzoek is gekomen of nog in de pijplijn zit. Dat is onderzoek dat ook werkelijk iets gaat betekenen voor de beoordeling van dit dossier. Ik begrijp dat op dit moment de Minister niets anders kan doen dan zeggen: nou, we moeten dat tien jaar gaan toelaten. Echter, ik ben ervan overtuigd dat als we die onderzoeken zeer serieus gaan nemen – dat is uiteindelijk aan de wetenschappers en deskundigen – we die tien jaar zeker niet gaan halen. Dus D66 zit eerder in die richting te denken. De Minister heeft gezegd geen behoefte te hebben aan nieuw onderzoek. Ik vind dat zelf een beetje zuinig in dit verband, zeker gezien de maatschappelijke onrust die er over dit thema is en de terechte en ook institutioneel gelegitimeerde zorgen – weliswaar geen Europese instituties – over dit middel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Geurts.

De heer Geurts (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb verzuimd in de eerste termijn iets aan de Minister te vragen. We hebben een schriftelijk overleg gehad over de commissie-Sorgdrager – zo noem ik het maar even – en de vragen die daarop betrekking hebben. Zou de Minister kunnen aangeven wanneer de antwoorden naar de Kamer komen?

De Minister heeft ook gesproken over de fipronilnorm en mest. Kan hij aangeven of hij de Kamer daar nog nader over informeert? Mevrouw Lodders refereerde er ook aan. Kan de Minister aangeven wanneer hij verwacht dat te kunnen doen?

Dank voor de toezeggingen over bloedluisonderzoek en PEC in Barneveld. Rest mij niets anders dan de Minister te bedanken voor zijn antwoorden in eerste termijn en hem succes te wensen bij het vertegenwoordigen van Nederland op de Landbouw- en Visserijraad volgende week maandag en dinsdag. Gezien zijn indrukwekkende visserijkennis heb ik daar alle vertrouwen in.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Futselaar.

De heer Futselaar (SP):

Dank u wel, voorzitter. Volgens mij is het bij dit soort Europese Raden de bedoeling dat de Minister naar Brussel kan worden gestuurd met een door de Kamer gedragen standpunt. Zeker bij een omstreden punt als glyfosaat lijkt het mij verstandig om dat te doen. Of dat nu of later wordt, horen we graag. Ik moet wel bekennen dat mij nog steeds niet helemaal duidelijk is wat het standpunt van de Kamer gaat zijn. Maar dat zal uiteindelijk uit de moties moeten blijken, dus ik hoop dat dat er veel zullen zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Dik-Faber.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de Minister voor de beantwoording van alle vragen. Het is al eerder in het debat gezegd, maar omdat dit waarschijnlijk een van de laatste debatten is, hecht ik eraan te benadrukken dat ik onder de indruk ben van de kennis van zaken van de Minister. Ik wens hem veel succes volgende week bij de Landbouw- en Visserijraad. We zullen zien hoe het allemaal loopt en de verslagen teruglezen.

Ik wil doorgaan op het laatste punt dat de Minister aan de orde stelde, namelijk voedselverspilling. Dat onderwerp ligt mij na aan het hart. Hij nodigde mij uit daar verder over te spreken in andere debatten. Ik zal dat zeker doen. Voor mij was de trigger om het nu in te brengen het feit dat de koppeling tussen het GLB en de Sustainable Development Goals op de agenda staat. Omdat het zo nadrukkelijk onderdeel is van de Sustainable Development Goals kan ik me voorstellen dat de Minister het volgende week aan de orde stelt.

Dank voor de antwoorden over glyfosaat en de neonicotinoïden. Ik ben daar heel content mee. Het contact met België wordt gevolgd. Ik hoor ontzettend graag wanneer we meer informatie kunnen krijgen over de reactie van de Europese Commissie. De Kamer wordt op de hoogte gehouden, maar wannéér ontvangen we de informatie?

Dan de jonge boeren. Ik ben zelf Statenlid geweest, dus ik weet hoe allergisch de provincie kan zijn als het Rijk zich ermee gaat bemoeien. Maar als de ene provincie vooral inzet op zonnepanelen, hoe goed ook, en de andere provincie vooral inzet op wat een boer nodig heeft, bijvoorbeeld koematrassen, dan heb je een ongelijk speelveld. Dat wil je voorkomen. Het zou mooi zijn als de Minister dat als extra motivatie ziet om met de provincies het gesprek aan te gaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De Minister kan meteen overgaan tot de beantwoording. Zo kennen we hem ook.

Minister Kamp:

Voorzitter. Ik zal zorgen dat maandag de punten die we besproken hebben ook op een goede manier worden verwoord namens Nederland. Ik zal kijken hoe we dat precies in gaan vullen. Ik heb behalve de interessante Landbouw- en Visserijportefeuille ook mijn eigen portefeuille. Volgende week is de laatste week voor het reces en – zoals het er nu uitziet – voordat de huidige kabinetsperiode zou kunnen eindigen. We moeten even zien hoe we dat precies allemaal aan elkaar knopen.

Mevrouw Ouwehand sprak over glyfosaat. Zij wil graag de zekerheid hebben dat dit punt niet inhoudelijk behandeld wordt morgen en overmorgen in de SCoPAFF. Mocht dat wel zo zijn dan wil zij daar vanavond nog een VAO over aanvragen. Het wordt morgen en overmorgen niet behandeld in de SCoPAFF. Het wordt in de loop van dit jaar behandeld. Dat zal uiterlijk op 12 en 13 december zijn. Als ik duidelijk heb wanneer het precies zal zijn, dan zal ik ervoor zorgen dat de Kamer dat tijdig weet, zodat de Kamer als zij uitspraken wil doen daar de gelegenheid voor heeft. Maar morgen is het dus niet het geval. Ik kijk nog even naar mijn medewerkers, want dit is een belangrijk punt. Is er enige twijfel over? Zij zeggen: het staat wel op de agenda ter bespreking, maar er wordt niet over besloten morgen. Het is dus goed dat ik even naar de rechterkant heb gekeken, want ik heb mevrouw Ouwehand daar ook iets over horen zeggen. Er wordt morgen dus wel over gesproken, maar niet over besloten. Nederland kan dus voor de vergadering waarin er wél over besloten wordt zijn standpunt nader invullen. De Kamer kan daar ook nog uitspraken over doen. Dat hoeft dus niet voor morgen te gebeuren.

Meneer Wassenberg sprak over de quota in de Noordzee. Hij zei dat de MSY die geldt voor de Middellandse Zee en de Oostzee, ook moet gelden voor de Noordzee. Ik ben dat met hem eens. We moeten daar altijd naartoe werken. Over het tempo waarin we daarnaartoe werken, heb ik iets gezegd met betrekking tot de schol. Als er op dit moment grote onderbevissing van schol is, en als het bestand van schol tweeënhalf keer zo groot is geworden in tien jaar, dan denk ik dat het mogelijk is om in plaats van in één klap naar de MSY, daar in een stappenplan gericht op 2020 naartoe te gaan. Maar dat het in die richting moet, dat dit de lijn moet zijn en dat we die zo snel als redelijkerwijs kan moeten bereiken, ben ik met hem eens.

Mevrouw Lodders sprak over de MRL. Zij zei dat het nodig is om zo snel mogelijk de verschillen die er zijn weg te werken. Dat ben ik van harte met haar eens. De heer Geurts sprak ook over dit punt, met name over de norm die geldt voor de mest. Hij wil weten wanneer daar duidelijkheid over komt, ook al heb ik gezegd dat die snel komt. Ik denk dat dit een terechte vraag is van de heer Geurts, want er is natuurlijk nogal wat aan de hand in die sector. Erger nog, bij individuele bedrijven is heel veel aan de hand. Onduidelijkheid is soms onvermijdelijk, maar zodra die weggenomen kan worden, moet dat gebeuren. Ik zal nagaan hoe snel we op het punt van de mest met de duidelijkheid kunnen komen waarnaar de heer Geurts gevraagd heeft, en daar de Kamer ook over informeren.

Meneer Grashoff heeft aangegeven hoe hij aankijkt tegen de samenhang tussen de Sustainable Development Goals en het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Naar mijn overtuiging hoeven wij op dat punt nu geen nadere onderzoeken te doen, omdat ik denk dat het Planbureau voor de Leefomgeving daar zeer intensief mee bezig is. Op dit moment is er voldoende aandacht voor het onderwerp en wordt er bekeken of de benodigde informatie er is en of er aanvullende onderzoeken zijn. Naar aanleiding van de opmerking van de heer Grashoff, die dit een belangrijk punt vindt, geldt hetzelfde als voor mijn andere antwoorden op de woordvoerders, bijvoorbeeld de heer De Groot en mevrouw Lodders. Kennelijk is dit iets wat ook bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken aandacht gaat krijgen. Dat betekent dat ik voor die tijd inzicht zal geven in de samenhang tussen de Sustainable Development Goals en het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en het nieuwe beleid voor de periode na 2020. Ik zal schetsen wat er op dit moment gaande is en of er sprake is van tekortkomingen, zodat de heer Grashoff dat kan beoordelen.

De heer De Groot sprak over de uitspraken van het kankerinstituut over glyfosaat. Die zijn mij bekend. Ik heb die ook behandeld. Die andere onderzoeken liggen er wel en zijn allemaal van daarna. Dat zijn conclusies die getrokken zijn op basis van een heel breed scala aan informatie. Ik denk dat het mogelijk is voor de Europese Commissie om in redelijkheid het standpunt in te nemen dat zij ingenomen heeft. Dat standpunt betreft alleen de goedkeuring van de stof, vervolgens de manier waarop je daarmee omgaat in de landen, in de middelen die je al dan niet toelaat en in de voorwaarden die je aan het gebruik stelt. Dat is aan de lidstaten zelf. Ik denk dat dit standpunt door de Europese Commissie op dit moment in redelijkheid kan worden ingenomen. Daar duidde de heer De Groot eigenlijk ook wel op. Hij zei dat ik had laten weten dat ik geen behoefte heb aan nieuw onderzoek. Kijk, op het moment dat wij zo'n besluit moeten nemen, vind ik dat wij de informatie moeten hebben die nodig is. Ik vind dat alle informatie die nu is aangeleverd, breder op onderzoek gebaseerde informatie is die voldoende is voor de besluitvorming op dit moment. Het kan zijn dat er de komende tijd nog nieuwe onderzoeken worden gedaan. Ik zie op dit moment geen noodzaak om bepaalde onderzoeken te doen, maar desondanks kan ik mij voorstellen dat er de komende tijd toch onderzoeksgegevens beschikbaar komen. Als daaruit nieuwe conclusies moeten worden getrokken, dan zullen we daar met de Kamer over spreken. Maar op dit moment hebben we voldoende informatie. Naar mijn mening kan de Europese Commissie een redelijk standpunt innemen. Ik ben van plan om de Europese Commissie daarin te steunen.

De heer Geurts vroeg om de antwoorden op de vragen van de Kamer in verband met de commissie-Sorgdrager. Volgens mij moeten de vragen en aandachtspunten van de Kamer een-op-een door ons doorgeleid worden naar de commissie-Sorgdrager. Wij hebben aangegeven wat wij vinden dat onderzocht moet worden, maar de Kamer heeft daar ook opvattingen over. Die zijn evenzeer van belang en worden dus doorgespeeld. Mochten er ook nog dingen zijn die desondanks door het kabinet richting Kamer beantwoord moeten worden ... Wanneer kan dat gedaan worden? Bij de eerstvolgende gelegenheid dat ik met de Kamer op landbouwgebied communiceer, zal ik ook aangeven wat de stand van zaken op dit punt is.

Mevrouw Dik heeft nog gesproken over de provincies en over de voedselverspilling. Ik denk dat mevrouw Dik zich ook kan vinden in de lijn van het kabinet. Wij hebben gezegd dat het heel goed is om het gemeenschappelijk landbouwbeleid in Europa te gaan moderniseren. Wij zijn er voorstander van dat dat een gemeenschappelijk landbouw- en voedselbeleid wordt. Daarbij zal zeker ook de nodige aandacht zijn voor voedselverspilling, zoals gevraagd door mevrouw Dik.

Dank u wel, mijnheer de voorzitter.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Het doet mij deugd om dat laatste te horen, omdat het in de eerdere documenten en inzet van het kabinet niet aan de orde was. Als het landbouwbeleid gaat over voedsel, lijkt het mij inderdaad goed en ook terecht dat het daarin een plek heeft.

Ik had nog een vraag gesteld. Ik weet dat het kabinet volgt wat er in België gebeurt, in het overleg tussen België en Europa. Ik weet ook dat de Europese molens traag draaien. Is er een termijn te noemen waarop we daarover informatie krijgen? Moet ik dan denken aan een maand, een halfjaar of een jaar?

Minister Kamp:

Gelet op de aandacht die wij ervoor hebben gevraagd en samen met andere landen eraan hebben gegeven en gegeven het gesprek dat ik met de Commissaris heb gehad, denk ik dat dit geen maanden gaat duren. Wat mij betreft, moeten we voorlopig eerder denken aan weken voordat hier duidelijkheid over is.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie nog een vinger van mevrouw Ouwehand voor een punt van orde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, ik wil sowieso een VAO, maar ik overleg na de vergadering even met de woordvoerders of we dat vanavond houden en morgen stemmen of dat er een meerderheid is om dat later te doen. Dat zal ik u binnen vijf minuten na afloop van de vergadering laten weten.

De voorzitter:

Dank u wel. In ieder geval kunnen we vaststellen dat er een VAO is aangevraagd door het lid Ouwenhand. Dat wisten we al, omdat het aangekondigd was.

Er zijn een aantal toezeggingen gedaan.

  • De Minister van Economische Zaken zal de Kamer na overleg met de Staatssecretaris van I en M informeren over de stand van zaken rondom het wettelijk verbod op het gebruik van glyfosaat voor particulieren.

  • De Minister van Economische Zaken zal de Kamer informeren over het resultaat op het dossier kleine teelten en zal een overzicht sturen van wat er op het gebied van kleine toepassingen door het Fonds Kleine Toepassingen en diverse hulploketten in gang is gezet en welke uitdagingen er nog liggen.

  • De Minister zal de Kamer nader informeren over de punten die Nederland in de bijeenkomst van Europese Ministers over fipronil en eieren heeft ingebracht.

  • De Minister zal de Kamer voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur, nader informeren over de eiwitstrategie.

  • De Minister zal de Kamer voorafgaand aan de begrotingsbehandeling informeren over de mogelijkheden die de topsectoren bieden voor de pluimveesector.

  • De Minister zal de Kamer aanvullend informeren over de steun aan pluimveehouders binnen Europa, met name in België, in het kader van de gevolgen van de vondst van fipronil in eieren.

  • De Minister zal de Kamer nader informeren over de MRL van fipronil in mest en het verschil in normen. De Kamer kan de informatie zo spoedig mogelijk tegemoetzien zodra hierover duidelijkheid is.

  • Voorafgaand aan de begroting zal de Minister de Kamer informeren over de Sustainable Development Goals en het gemeenschappelijk landbouwbeleid en over de besluitvorming over glyfosaat in Europa, inclusief in de SCoPAFF.

Volgens mij heb ik daarmee de toezeggingen in volgorde toegelicht. Ik schors de vergadering, zodat het overleg kan plaatsvinden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik krijg een seintje dat de leden eruit zijn. Dan heropen ik nu het AO. Ik geef het woord allereerst aan mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Omdat er morgen en overmorgen geen besluitvorming gaat plaatsvinden in de SCoPAFF, hoeven het VAO en de stemmingen niet à la minute, maar wel op tijd voor de volgende Raad in november. Dus het hoeft niet vanavond.

De voorzitter:

De boodschap is helder. De Minister wil graag nog even een toelichting geven op de toezeggingen.

Minister Kamp:

Voorzitter. Ik heb nog nooit zo veel toezeggingen gedaan als vanmiddag. Misschien mag ik er een paar opmerkingen over maken.

De heer Grashoff sprak over het verbod op het gebruik van glyfosaat voor particulieren. Ik zal nog even niet praten over werkzame stof, over middelen en zo, maar we begrijpen waar we het over hebben. Hij zei dat ik daar met de Staatssecretaris van I en M over moest spreken. Ik heb de woorden «verbod voor particulieren» niet in de mond genomen; die heeft hij in de mond genomen. Hij heeft mij gevraagd of ik met de Staatssecretaris wil overleggen over datgene waar hij over sprak. Ik zal dat doen.

De heer Geurts heeft gevraagd naar de mestnorm. Zoals hij het formuleerde, had hij het over een MRL-norm voor mest. We weten waar de MRL-norm voor is. Het gaat namelijk om de consumptie van eieren. Mest wordt niet zo veel geconsumeerd. Er is hier wel een mestnorm aan de orde, maar het is geen MRL-norm.

Wat de fipronilpunten betreft, ga ik niet met de Kamer delen wat wij precies hebben ingebracht. Wij hebben met vier landen voorstellen gedaan aan de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft die overgenomen en ze zijn ingebracht in een werkconferentie die vorige week heeft plaatsgevonden. Ik was daar zelf ook bij. De uitkomst daarvan is relevant en die ga ik met de Kamer delen. Ik denk dat ik dan handel in de geest van de vraag van mevrouw Lodders.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie daar verder geen reacties op, dus ik mag aannemen dat de nadere toelichting op de toezeggingen helder en duidelijk is. Wij weten nu ook wat MRL is en waar je dat aan toe kunt rekenen. Maar ik zie dat de heer Geurts nog even wil reageren.

De heer Geurts (CDA):

Ik zat nog even na te denken over de woorden van mevrouw Ouwehand. Voor de luisteraars en kijkers: we stonden hier net even met elkaar te overleggen. Ik denk dat het verstandig is om het VAO vanavond wel te houden en volgende week dinsdag te stemmen. Dat voorstel leg ik hier neer.

De voorzitter:

Ik kijk allereerst naar mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Het staat onder voorbehoud op de agenda. Ik vind dat we het aan de Voorzitter moeten overlaten om aan te geven of er echt druk op zit. We hebben net besloten van niet. Ik vind dat de Voorzitter dan de vrijheid moet hebben om het in te delen nadat zij van ons heeft gehoord dat het vanavond niet hoeft, als het maar voor begin november is.

De voorzitter:

Het is vanavond of niet, zo wordt aangegeven. Mevrouw Lodders?

Mevrouw Lodders (VVD):

Voorzitter. Ik zou mij kunnen voorstellen dat we het vanavond gewoon doen. Ik hecht wel aan de suggestie om als het niet nodig is, de Kamer niet binnen te houden om morgen te stemmen. Ik zou het een heel goede tussenoplossing vinden om het VAO vanavond te houden. Daar hebben we allemaal rekening mee gehouden. Althans, ik heb er rekening mee gehouden. Dan kunnen we de stemmingen dinsdag tijdens de reguliere stemmingen laten plaatsvinden.

De voorzitter:

Dus steun voor het VAO vanavond en stemmingen liefst op de reguliere dinsdag. Ik zie daar complete steun voor. Dan zullen we dit doorgeleiden naar de Voorzitter. Daarmee sluit ik dit algemeen overleg. Dank u wel.

Sluiting 17.06 uur.